Hoofdstuk 19. Hier en nu

In De Piramide was het nooit echt druk. De bierdrinkers lieten het café links liggen, want het was niet de bedoeling dat je naar dat café ging om iets te drinken. Op de menukaart, die met de hand geschreven was op de binnenkant van de achterflap van een Cowboy Henk-boek (ik meen De tintelende titel) stond louter hasj en wiet. Er was in die jaren geen echte coffeeshop in Hilversum, iedereen haalde zijn hasj en wiet bij De Piramide, maar de meeste klanten bleven niet zitten. Men kwam binnen, bestelde, betaalde en ging weer weg met een klein plastic zakje. Ik vind het prettig om juist wel te blijven zitten en om af en toe een praatje te maken. Wim hield daar niet zo van, hij ging liever roken in het park. Soms kon ik hem overhalen om te blowen in De Piramide, soms wist hij me mee te nemen naar het park. Café De Piramide was een beetje een kaal café, eigenaar Klaas had niet zijn best gedaan om het er gezellig te maken. Waarschijnlijk was het zijn bedoeling ook niet dat de klanten er lang bleven hangen. De muren waren kaal op één prikbord na dat vol hing met foto’s van ezeltjes. Waren dat allemaal symbolen voor de domheid van de klandizie? Of wilde Klaas liever een ezelboerderij dan een wietcafé? Ik heb het hem ooit een keer gevraagd, hij haalde zijn schouders erover op. Hij wist het niet, het deed er ook niet toe. Iemand moet er een keer mee begonnen zijn en daarna werd er geregeld een ezeltje bij geprikt. Zijn schouders ophalen was sowieso de favoriete beweging van Klaas. Als je meer vroeg dan wat er op de menukaart stond, dan haalde hij zijn schouders op. Klaas was een man van weinig woorden, ik heb nooit het idee gekregen dat hij met hart en ziel zijn café bestierde. Tegelijk was hij cool. Juist door zijn schouderophalen gaf hij de indruk dat het hem allemaal niet boeide. Het schouderophalen was een soort yoga-oefening om tot rust te komen. Het werkt ook, natuurlijk. Ik heb het zelf later overgenomen, als het mij te veel wordt en als er meer dan drie vragen tegelijk gesteld worden, dan adem ik in door mijn neus, haal ik mijn schouders op en adem ik uit door mijn mond.

            ‘Klaas, doe mij een mooie rode Libanon,’ zei ik. Klaas haalde zijn schouders op, trok een la open en haalde er een zakje uit. Ik rekende af. Eigenlijk had ik gehoopt dat Klaas iets zou zeggen, want ik wilde altijd wiet hebben. Nu bestelde ik een keer hasj. De enige reactie van Klaas was dat hij zijn schouders ophaalde. Ik was er een beetje teleurgesteld om, maar tegelijk wist ik dat hij niet anders kon. Klaas kon praten, hoewel hij dat nooit deed. Niet dat hij nors was, integendeel, hij had een vriendelijke uitstraling en, inderdaad, hij was cool. Praten deed hij echter zo min mogelijk. Houthakkersoverhemd, bretels, beige ribfluwelen broek, Dr. Martens en schouders ophalen – dat was de communicatie van Klaas. Als hij geen bretels had gehad, dan hadden zijn schouders altijd omhoog gestaan. De functie van de bretels van Klaas was niet zozeer dat ze zijn broek ophielden, maar dat ze zijn schouders naar beneneden trokken.

            Waarom had ik eigenlijk rode Libanon besteld? Ik keek naar het zakje met het bruine staafje. Wat moest ik hier nou weer mee? Nou ja, ik wist wel hoe je met hasj een joint kon rollen, maar… het paste niet bij mij. Ik rookte ook niet, omdat er geen sigarettenmerk of sjekmerk was dat bij mij paste. Ik ben geen cowboy, dus Marlboro kon ik niet roken. Chesterfield, Lucky Strike… ik vond het allemaal niets. Drum vond ik ook helemaal niets. Ik kocht steevast de goedkoopste sjek om jointjes van te draaien, de sjek zelf borg ik dan zo snel mogelijk weer op. Daar wilde ik niet mee gezien worden. Ik ontkende vaak sjek in bezit te hebben. Nog nooit had iemand een sjekkie van me gedraaid, ik rookte namelijk niet. Ik was ook geen hasjroker. Dat paste niet bij mij. Volstrekt irrationeel natuurlijk, toch telde dat alles voor mijn gevoel zwaar mee. Ik was inmiddels van het gymnasium via de havo afgezakt naar de mavo en het zag er niet naar uit dat ik met een mavodiploma op zak de school zou verlaten. Alles wees erop dat mijn laatste diploma mijn zwemdiploma was. Daarom volhardde ik in de instandhouding van mijn imago. Een imago dat niet bestond, behalve in mijn eigen hoofd: het imago van een wietblowende niet-roker. Niet dat dit imago mijn echte imago was, ik bedoel, een imago maak je niet zelf. Je imago wordt je toebedeeld door anderen. Ik had voor de buitenwereld helemaal geen imago, hooguit van die jongen die van het gym naar de mavo afgezakt was. Juist daarom was het voor mij belangrijk te denken dat ik een imago had en wel dat imago van de wietblowende niet-roker.

            Wim kwam De Piramide binnen en hij begroette mij hartelijk. Ik stak het zakje met de rode Libanon omhoog, alsof het de trofee was die ik met het voetballen gewonnen had. En dat de finale heel erg hard was geweest, we hadden ervoor gevochten.

            ‘Wat heb jij nou?’ vroeg hij.

            ‘Rode Libanon,’ antwoordde ik.

            ‘Dat heb je anders nooit!’ riep Wim uit.

            ‘Vandaag wel.’

            ‘Je bent van je geloof afgevallen. Pas maar op, anders word je nog een hasjpijper. Ein Hasjpfeifer.’

            ‘Wil je wat van me?’ vroeg ik.

            ‘Waarom ook niet, ik wil eerst mijn eigen voorraad bijwerken.’ Wim liep naar de bar en smoesde wat met Klaas. Klaas haalde maar liefst drie keer zijn schouders op! Wat had dat te betekenen? Ze smoesden verder en Klaas dook onder de bar. Hij kwam tevoorschijn met een flinke zak wiet. Wim knikte bevestigend en trok zijn portemonnee. Hoeveel hij betaalde, kon ik niet zien. Wel zag ik dat het een behoorlijke hoeveelheid briefjes was. Ik rolde een joint met mijn rode Libanon en stak hem aan. Wim kwam bij me aan het cafétafeltje zitten en ik gaf hem het stikkie.

            ‘Niet verkeerd, die rode Libanon,’ zei ik. ‘Probeer het eens.’

            Wim deed de grote zak wiet in de zak van zijn bruinleren jack en nam een hijs.

            ‘Prima spul.’ Hij wreef met zijn hand door zijn kuif en daarna over zijn buik. ‘Ik moet naar de plee. Ich müss nach den Plee. Jij blijft hier nog even?’

            ‘Ik ga voorlopig niet weg.’

            Wim deed zijn jack uit en hing hem over zijn stoel. Werktuigelijk, alsof ik nooit iets anders gedaan had, stond ik op, boog naar Wims jack en haalde de zak wiet uit de ene zak van het jack en zijn portemonnee uit de andere zak. Ik nam nog een hijs van mijn joint en legde deze als een soort afscheidscadeau voor Wim in de asbak. Ik liep naar buiten en stapte op mijn fiets.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 19. Hier en nu

Hoofdstuk 18. Her en der

Nu ik toch bezig ben, vertel ik het hele verhaal. Ik heb sinds 1988 veel boeken over moorden gelezen. Ik was immers zelf een moordenaar en ik wilde weten of ik de enige was die me na de moord zo fantastisch had gevoeld, zo’n echt mens. Drie boeken zijn me altijd bijgebleven: Een nagelaten bekentenis, Misdaad en straf en De vreemdeling. Ik begon met informatieve boeken over moordenaars, ik heb dus een halve bibliotheek met boeken over de moord op JFK en een andere halve bibliotheek over Jack the Ripper. Zeer interessante lectuur, maar niet zo bevredigend. Thrillers interesseerden me niet, dat zijn slechts verhalen waarin het effectbejag voorop staat. Dat was niet waar ik naar op zoek was. Ik wilde op een hoger niveau lezen over een moordenaar. Ik las altijd graag, maar vanwege mijn vrije val van gymnasium naar schoolverlater zonder diploma wist ik niet dat de antwoorden die ik zocht in de literatuur lagen. Als je blowend en wel afzakt van het gymnasium naar havo naar mavo naar niks, dan is er niemand die je wijst op het louterende werk van de literatuur. Het heeft dus lang geduurd voor ik erachter kwam dat er zoiets bestond als literatuur en dat een literair boek je helpt te reflecteren op je leven. Dit klinkt heel zweverig en soft, zo zie ik het echter wel. Noem me niet soft, ik heb een man vermoord, ik ben een moordenaar. Bovendien ben ik altijd alleen gebleven, naast mijn werk had ik niets of niemand. Ik ben dus maar gaan lezen. Een nagelaten bekentenis, Misdaad en straf en De vreemdeling zijn de drie boeken die over mij gaan. Ieder op zijn eigen manier gaan ze over mij. Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants lijkt in eerste instantie helemaal niet over mij te gaan. De hoofdpersoon, Willem Termeer, heeft zijn vrouw vermoord met gif, nou, dat is een wel een ander verhaal dan een man vermoorden door hem een schroevendraaier in zijn hals en oog te steken. Toen ik het boek echter las, zag ik veel overeenkomsten. Vooral over de ongelukkige jeugd van de hoofdpersoon. Zijn ouders zijn jong gestorven en hij wordt liefdeloos opgevoed door een voogd, Bloemendael. Dat was voor mij Sjak. Dat staat natuurlijk niet in het boek, maar Bloemendael was voor mij Sjak. Bloemendael had een dochter, Anna, op wie de hoofdpersoon verliefd werd. Anna was Moniek. Ik had Moniek gedood, niet letterlijk, ik heb haar niet kunnen beschermen, ik heb haar niet tegen kunnen houden en ineens was ze dood. Het einde van Een nagelaten bekentenis kan ook gelezen worden dat Anna zelfmoord heeft gepleegd en dat Termeer zich inbeeldt dat hij haar vergiftigd heeft. Ik heb gehuild toen ik het boek uithad. Mijn Moniek was dood en ik heb het niet kunnen voorkomen. Monieks dood was een soort zelfmoord en het was moord. Ik loop op de zaken vooruit, ik vertel het hele verhaal, maar Moniek is nu op dit punt in het verhaal nog niet dood. Het is lastig om te schrijven over je jeugd, het komt zo dichtbij en het geheugen werkt niet systematisch. De ene herinnering lokt de andere uit; herinneringen komen niet chronologisch maar associatief.

            Op de vraag of ik een mens gedood heb, kan ik ook ‘Nee’ antwoorden. Ik heb een Untermensch gedood. Een onmens. Ik heb een kakkerlak met mijn hak verbrijzeld. Carlos was een Untermensch. Net zoals pandjesbazin Ivanovna uit Misdaad en straf van Dostojevski. Zij verdiende het om gedood te worden, Untermenschen behoren niet te leven. Uitzuigers en misdadigers moeten dood. Wij Übermenschen moeten daarvoor zorgdragen. Dat was de moraal van Misdaad en straf. Ja, zo voelde ik dat ook. Raskolnikov doodt Ivanova met een bijl. Kijk, dat is pas iemand de dood injagen. Weg met dat geteisem, de bijl erin. Ik voelde de spanning, ik voelde mijn bloed stromen door mijn aderen. Ik rook het bloed van Carlos en ik genoot van de domme blik in zijn ogen. Carlos had niet eens door dat hij eraan ging. Zoals een kakkerlak meent veilig te zijn in zijn exoskelet, zo meende Carlos veilig te zijn in zijn pand aan de Besterdring. Daar, precies daar waar hij zich veilig achtte slachtte ik hem af. Raskolnikov vermoordde Ivanova in haar huis, ik vermoordde Carlos in het zijne. Raskolnikov en ik waren broeders. Nee, sterker nog: ik was Raskolnikov. Ik steeg met mijn moord uit boven de rest van het volk. Er is wel een verschil, later in Misdaad en straf doet Raskolnikov oprecht boete. Hij toont berouw, ik niet. Nooit. Nooit zal ik berouw tonen voor mijn misdaad. Was het een misdaad? Ja, een mens doden is een misdaad. Heb ik berouw? Nee. Ik ben er trots op dat ik Carlos vermoord heb. Hij was immers de basis van de dood van Moniek… nu loop ik weer op de zaken vooruit.

            Meursault had ook geen berouw. Daarom is De vreemdeling van Albert Camus zo’n goed boek. Ik ben Meursault. Ik heb geen Arabier vermoord, wel een Colombiaan. Net als Meursault hoef ik geen berouw te hebben en ik hoef het al helemaal niet te tonen. Dat maakt mijn zaak voor sommige mensen misschien erger dan hij is, na de dood is er niets meer. Carlos is niet in de hemel en ook niet in de hel. En ik ben net als Carlos ook ten dode opgeschreven. We zijn allemaal mensen, we gaan allemaal dood. Untermenschen moeten eerder dood, dat wel. Ik ben een Übermensch, ik ga echter ook dood. Alleen nu nog even niet. Eerst moet ik genieten van de overwinning op mijn slechte jeugd. Ik werd een echt Übermensch na de dood van Carlos, nu, terwijl ik dit opschrijf, overwin ik ook mijn verleden. Nu komt alles samen. Nu wreek ik pas echt alles en iedereen. Met dit boek wreek ik mijn jeugd, wreek ik de dood van Moniek, wreek ik mijn vriend Wim. Mijn verhaal is nog niet klaar, ik had beloofd om alles te vertellen. Ik zal mij aan mijn belofte houden. Ik merk dat ik met schrijven helemaal loskom, los van mezelf, los van alles. Ik groei, ik word nog Übermenschelijker dan ik al was. Dit is mijn bekentenis, dit is mijn verklaring. Mijn leven hield niet op door mijn slechte jeugd en na mijn slechte jeugd. Ik ging door en daar zal ik alles over vertellen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 18. Her en der

Hoofdstuk 17. Hemel en aarde

Midden in het schoolboek met de Duitse woordjes had ik met potlood een hakenkruis getekend. Het kon dus altijd weer uitgegumd worden, maar voorlopig stond het er. Van woordjes leren kwam verder niets. Ik was uit school direct naar mijn kamer gegaan om daar te doen alsof ik aan mijn huiswerk ging. Misschien wilde ik wel echt aan mijn huiswerk gaan, maar kwam het er niet van. Ik wilde wel, maar ik kon het niet. Zette ik dan maar muziek op? Ik rommelde wat tussen mijn cassettebandjes, maar kon niets vinden. Het rijtje platen stond er maar te staan, met de maxisingle ‘Blue Monday’ van New Order vooraan. Ik ging op bed liggen. Ik stond weer op. Het Duitse schoolboek lag open op mijn bureau, het hakenkruis zichtbaar. Misschien moest ik er nog een paar keer SS omheen schrijven. Misschien ook niet. Mijn wiet was op. Het had toch geen zin. Buiten scheurde een brommer voorbij. ‘No future,’ mompelde ik. Het was vast een van de no-fu-boys, zoals we ze op school noemden, de no-future-boys. Dat waren de jongens uit de dorpen in de omgeving die op de brommer naar school kwamen, op hun Kreidler. Voor de meisjes uit de dorpen hadden we geen naam. Zij leken ook eigenlijk helemaal niet te bestaan. Toen ik vorig jaar van het gym naar de havo moest, was ik opgelucht dat ik geen naamvallen Latijn en Grieks hoefde te leren. Maar de Duitse naamvallen en woordgeslachten waren gebleven. Sommige klasgenoten hadden er een eigenaardig soort plezier in om het rijtjes voorzetsels uit hun hoofd te leren. Ik heb dat nooit begrepen, ik kon zelf geen rijtjes met voorzetsels uit mijn hoofd leren. Als ik dat wel had gekund, dan had ik er wellicht ook plezier aan beleefd. Die ervaring heb ik nooit gehad. Toch maar wel muziek, toch maar wel ‘Blue Monday’. In een stonede bui had ik die plaat ooit eens uit mijn handen laten vallen, precies op de hoek van mijn bureau. Er zat dus een flinke kras op, die voor een hinderlijke tik zorgde. Op één plaats na: ergens halverwege liepen de beat en de tik heel eventjes synchroon. Alsof er een hogere macht ingreep en een patroon maakte in de chaos. Het was maar heel even, en toch zorgde het voor een vreemd soort wonderlijke schoonheid. Ik heb daarna, toen ik uit huis was en mijn kleine platencollectie uit het oog verloren was, nooit meer naar ‘Blue Monday’ kunnen luisteren zonder de tik te horen. Als het gedraaid wordt op de radio, dan hoor ik de tik en wacht ik nog steeds op het wonderlijke moment waarop tik en beat samenvallen. Ik ervaar dat moment, ook al is het niet te horen. Vooralsnog lag mijn boek met Duitse woordjes open op mijn bureau en had ik nog geen woordje geleerd. Het hakenkruis keek mij beschuldigend aan. Eerst maar eens wat drinken, daarna leek het me wel tijd voor een goede joint.

            Beneden zat Sjak te rommelen tussen zijn papieren, sjekkie over zijn kin gedrapeerd. Hij was geconcentreerd bezig. Een stapeltje van de CPN Ledenkrant was van de tafel op de grond gegleden. Blijkbaar zocht hij iets, het was onduidelijk wat het zou kunnen zijn. Volgens mij wist hij dat zelf ook niet meer. Misschien zocht hij wel zijn sjekkie.

            ‘Is er cola?’ vroeg ik.

            ‘Huh? Wat?’ zei Sjak.

            ‘Of er cola is.’

            ‘Dat weet ik niet. Als het aan mij ligt, dan komt die kapitalistische troep er niet in.’ Sjak rommelde verder in zijn papieren. Hij kon iets niet vinden, waarschijnlijk een of andere brief waarin stond dat hij op plek drieduizend van de eerstvolgende verkiezingen terecht was gekomen. En dat hij het nu tijd vond om die brief te beantwoorden ‘met een gloedvol betoog’ (zoals hij zelf altijd zei), om aan te tonen dat ze ongelijk hadden. De vriendjespolitiek maakte de partij kapot, vond hij. Er waren door de ‘kapitalistische partijen’ een aantal ‘intriganten’ gestuurd die van binnenuit de CPN onbestuurbaar moesten maken. Dat waren een soort spionnen die tot taak hadden verwarring te zaaien en overal tegen te zijn, vooral tegen de plannen van Sjak. Het kwam bij Sjak niet in zijn besnorde hoofd op dat zijn plannen misschien weleens kut zouden kunnen zijn. Sjak had uiteraard altijd goede plannen voor acties tegen het kapitalistische bestuur van ons land, om het internationale communisme op te stuwen in de vaart der volkeren. Sjak zou het later nog bijzonder moeilijk gaan krijgen – maar dat wist ik toen natuurlijk niet – met de fusie van CPN, PPR, PSP en EVP tot GroenLinks. Die fusie zou hem zijn leven kosten, zoveel interne politieke intriges kon zijn hart niet aan. Een half jaar na de fusie tot GroenLinks kreeg hij een fatale hartaanval. De CPN was verwaterd van een harde partij met duidelijke standpunten tot een vage linkserige partij van vlees noch vis. ‘Het kapitalisme heeft gezegevierd,’ had hij gezegd. De val van Berlijnse muur had ook al Sjaks politieke ongelijk bewezen en toen een jaar later de CPN opging in GroenLinks was zijn hele politieke geloof in duigen gevallen.

            Zover was het nog lang niet. Sjak zat er nog middenin, naar eigen zeggen, hij zat in het centrum van het communisme. Eigenlijk zat hij in de periferie. Het was hem al die jaren immers nog steeds niet gelukt om bij welke verkiezing dan ook op een verkiesbare plaats terecht te komen. De ware centrale macht van de CPN wilde hem er niet bij hebben. Ja, hij mocht de adressen op de enveloppen voor de leden tikken. En hij mocht er daarna de CPN Ledenkrant in doen. Postzegels plakken. Het hele huis lag dus bezaaid met enveloppen, postzegels, krantjes, naast de verfrommelde lege pakjes Drum, kruimels tabak, verwaaide askegels en wat al dies meer zij. Sjak drukte zijn sjekke uit in de overvolle asbak en keek me aan.

‘Mijn sjek is op,’ zei hij.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ja, je staat daar nu wel, maar mijn sjek is op.’

‘Alsof ik daar iets aan kan doen,’ zei ik. ‘Ik heb je sjek niet opgerookt. Dat heb je zelf gedaan.’

‘Je ziet toch dat ik bezig ben?’ Hij wees naar de papieren die wijduit over de eettafel verspreid lagen. ‘Dan kun jij wel even sjek voor me kopen.’

‘Waarom zou ik dat doen?’

‘Omdat ik bezig ben hier.’

‘Dan stop je daar toch mee.’

‘Hoe kan ik stoppen met de eeuwigdurende revolutie? Dat is precies het hele punt. Jij staat daar te niksen. Jij doet de hele tijd niks. En mensen als ik werken zich drie slagen in de rondte voor de wereldvrede, voor de mensen, voor de arbeiders. Tegen de uitbuiting van het grootkapitaal. Tegen Coca-Cola. Tegen de kapitalistische dictaturen in Zuid-Amerika. En jij? Jij denkt alleen maar aan jezelf. Van jou en jouw soort moeten we het niet hebben. Als het aan jou ligt dan slapen we alleen maar. Nou, ik ben wakker hoor. Ik strijd. En ik strijd ook voor jou. Dus als kleine tegemoetkoming zou ik het zeer op prijs stellen als je een pakje Drum voor me gaat halen. De winkels zijn nog open. Kleine moeite. Intussen maak ik me wel zorgen om de grote moeites, om de grote thema’s, om de wereldproblematiek. Maar jij? Jij vindt een pakje sjek al te veel moeite. Domme gozer dat je d’r bent.’

            Ik zei niets en liep de kamer uit, trok mijn jas aan en ging naar buiten.

            ‘Ja!’ hoorde ik Sjak roepen, ‘loop maar weer weg voor je verantwoordelijkheden. Zo ben je! Je groeit op voor galg en rad!’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 17. Hemel en aarde

Hoofdstuk 16. Heer en meester

Een flink uit de kluiten gewassen jongen met een bruinleren jack kwam naast me te zitten in 3 havo. Hij had een soort vetkuif, niet zo eentje als Elvis, eerder een modernere variant. Slordiger of zo. Zijn ogen stonden sloom, een beetje zoals de ogen van Droopy. Wim heette hij. Hij was blijven zitten en het jaar daarvoor zat hij op het atheneum. Dat schiep een band, ik was ook een trapje lager terecht gekomen. Wim en ik zeiden weinig tegen elkaar, dat hoefde ook niet. Wim woonde bij zijn vader, zijn moeder woonde in Hellevoetsluis. Ik had nog nooit van Hellevoetsluis gehoord, Wim legde mij uit dat het een soort afvalbak was voor gescheiden ouders. ‘Echt waar, kerel, als je ouders gaan scheiden, dan komt een van hen in Hellevoetsluis te wonen.’ Hij lachte er een beetje bij, alsof hij het echt meende.

            ‘Mijn ouders zijn gescheiden.’

            ‘En? Hellevoetsluis?’

            ‘Nee, anders zou ik wel geweten hebben wat Hellevoetsluis was.’

‘Ja, dat is ook weer waar. Hilversum begint ook met een H. Verder begint alles met een A.’

‘Niet waar,’ zei ik.’

‘Natuurlijk wel. Alles begint met een A. Als dat niet zo is, met welke letter begint het woord alles dan wel?’ Het was moeilijk om hoogte te krijgen van Wims gedachtengangen. Hij maakte van die absurde sprongen en hij vond het leuk om een soort pseudo-Duits te spreken.

            ‘Weet je wat ik gaaf zou vinden?’ vroeg hij me eens in de pauze, terwijl hij een voorgerold sjekkie uit zijn sjekzak haalde.

‘Nee,’ antwoordde ik.

Wim stak zijn sjekkie aan en inhaleerde diep. ‘Om een band op te richten die de liedjes van The Doors in het Duits vertaalt. En dan noemen we ons Die Türe.’

Ik hoefde er niet om te lachen, Wim vond het een zeer vermakelijk idee. Sterker nog, hij barstte uit in een enorme lachbui die overging in een hoestbui. Hij stak zijn arm uit om mij het sjekkie te geven. Ik rookte niet, maar ik wilde Wim niet teleurstellen. Ik nam een kleine haal van het sjekkie.

‘Weet je wat het is?’ vroeg Wim tussen het lachen en hoesten door.

‘Weet ik wat wat is?’ vroeg ik.

‘Wat dat is,’ zei Wim en hij wees naar het sjekkie.

‘Een sjekkie.’

‘Een joint, makker.’

Ineens rook ik het. Het was geen sjek, het was zoeter. Dit rook lekker. Ik nam nog een kleine haal. Ik voelde niets. ‘Ik voel niets,’ zei ik. Ik hoefde niet te hoesten.

‘Dat is normaal,’ zei Wim. ‘De eerste paar keer voel je niets. Je moet doorzetten en dan voel je het. Het maakt het leven dragelijk. Al die saaie dagen op school, hoe kom je ze door?’

‘Weet ik niet.’

‘Het was niet echt een vraag. Es war niet echt eine Frage. Gewoon iedere dag een goede joint. Dat houdt me op de been.’

Ik gaf de joint terug aan Wim.

‘Nee, hou hem. Maak hem uit en bewaar hem voor vanavond thuis. Für vonabvond zu Hause.’

De zoemer ging en de pauze was dus voorbij. Ik kon niet wachten tot het avond was om op mijn kamer de joint verder te roken. Van de spanning werd ik al high, althans, dat dacht ik. En het was ook eigenlijk zo. Wat was ik toch braaf dat ik inderdaad wachtte tot het avond was voor ik het jointje verder oprookte. Het was op mijn kamer, ik deed alsof ik huiswerk ging maken en stak met een aansteker van Sjak mijn eerste joint aan. Mijn handen trilden ervan. Ik nam een hijsje en ik werd meteen rustig. Jee, dit is waar ik heel mijn leven op had gewacht. Of had het op mij gewacht? Koos ik de drugs? Of kozen de drugs mij? Ik wist niet eens wat erin zat, hasj of wiet? Ik wist het niet. Het rijmt, dus is het waar. Wat ik precies voelde, wist ik niet. Werden mijn armen zwaarder? Ja, een beetje wel. En toch ook weer niet. Ik was duizelig en toch ook weer niet. Ik was relaxt en toch ook… wakker. Ja, ik was wakker. Ik voelde me goed. Dit was hem. Dit was mijn toekomst. Waarom had ik het telefoonnummer van Wim niet? Dan had ik hem kunnen bellen.

De volgende dag was ik blij om Wim weer te zien. Hij leek het allemaal niet meer precies te weten wat er gisteren gebeurd was. ‘Ik had een jointje van je gekregen,’ zei ik.

‘Ah ja,’ antwoordde Wim afwezig.

‘Het was geweldig. Wat was het? Wat zat erin?’

‘Het zal wel wiet geweest zijn.’

‘Geen hasj.’

‘Nee, dat denk ik niet. Ik rook liever wiet. Ich rauche lieber wiet.’

‘Wat is het verschil?’

‘Dat is er eigenlijk niet, ik vind wiet puurder. Het is puur natuur. Daar hou ik wel van, makker.’

‘Okee, hoe kom ik aan wiet?’

‘Het is nog vroeg, je kunt niet aan wiet komen nu. Ik heb wel wat. Kom maar mee.’

We pakten onze fietsen en gingen naar het Boombergpark. Dat was de favoriete plek van Wim. We gingen op een bankje zitten en Wim rolde een grote joint propvol wiet.

‘Hier makker,’ zei hij. De joint ging daarna over en weer. Om de beurt namen we een hijs. Ik voelde me gelukkig. Ik voelde me een met… alles. Met Wim. Met iedereen. Hoe lang we daar gezeten hebben, weet ik niet. Het moet in de middag geweest zijn, dat Wim me aanstootte en zei dat we nieuwe wiet moesten hebben.

‘Waar halen we dat dan?’

‘Bij De Piramide,’ antwoordde Wim. ‘Café De Piramide. Dat is hier om de hoek.’ Wim keek op zijn horloge. ‘Het is open. Nu wel.’ De Piramide was een café, maar wel eentje waar de omzet niet zozeer uit de bierconsumptie bestond. Wim werd er hartelijk begroet door de man achter de bar. Hij smoesde wat met de barman en even later liet hij mij trots een plastic zakje zien. ‘Goede afghaan,’ zei hij. ‘Deze moeten we echt hebben.’ We gingen aan een tafeltje zitten en Wim rolde weer een mooie joint. Ik voelde mij ingewijd in een groot geheim. Ik behoorde vanaf nu tot een bijzonder volk, een uitverkoren volk. Wij hadden de waarheid ontdekt. De rest van de dag bleven we zitten in De Piramide, daarna gingen we op pad om broodjes frikandel te eten. Het witte broodje kletste hard tegen de bruine frikandel en die botste weer met de rode ketchup. Ik nam kleine hapjes en ik genoot. Voor het eerst van mijn leven genoot ik. Wim was mijn held.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 16. Heer en meester

Hoofdstuk 15. Heen en weer

Er stond een Volkswagen Kever voor de deur, met lopende motor. Er zat niemand in, en toch stond hij op het punt om weg te rijden. Blauwe walmen kwamen uit de uitlaat. Het was 1986 en niemand leek echt te malen om uitlaatgassen, of het kwam in ieder geval zo op mij over. Wel was er gedoe over zure regen en het gat in de ozonlaag. Dat was toch ook rondom die tijd? De wereld zou met man en muis vergaan, door een kernoorlog, of door milieuvervuiling. Ik kan mij niet herinneren dat er heibel werd gemaakt om uitlaatgassen, maar misschien ben ik helemaal abuis. Zo kwam ik er onlangs achter dat de walkman en de cd-speler beide uit 1982 stammen. Dat is raar, want het staat me bij dat de walkman er al eerder was en dat de cd-speler pas veel op de markt kwam. Het zou te maken kunnen hebben met het cassettebandje, want dat bestond natuurlijk al wel eerder – dus zit het in mijn hoofd dat de walkman ook van die tijd moest zijn. En aangezien cd’s en cd-spelers pas eind jaren tachtig een beetje betaalbaar werden, zit het jaar 1982 niet in mijn geheugen als het gaat om de cd-speler. Het geheugen doet wat het wil. Ik heb een heel goed geheugen, sommige details staan mij bij alsof ik ze zojuist heb meegemaakt. Soms laat mijn geheugen mij helemaal in de steek. Ik weet nog dat Moniek op de dag van de Kever een tuinbroek aan had, en rode sokken. Een roze lint had ze in haar haar. Geel T-shirt. Er stond een sporttas in de gang en Moniek kwam met twee Komozakken de trap af. Ze ging op de trap zitten en trok halfhoge laarsjes aan, waardoor haar sokken niet meer te zien waren.

            ‘Ik ga weg,’ zei ze.

            ‘O?’ vroeg ik. ‘Waar ga je naartoe?’

            ‘Naar Amsterdam, met Marcel.’

            ‘Wie is Marcel?’

            ‘Mijn vriend. Hij heeft een Kever. En ik kom niet meer terug.’

            Ik voelde mijn ogen prikken. Ik had wel willen huilen, ik deed het niet. Iedereen liet me in de steek. Mijn moeder was altijd aan het werk in de tv-studio’s, mijn vader woonde in Tilburg en nu liet mijn grote stiefzus me ook al in de steek. Ik was erg gesteld geraakt op Moniek. Misschien was ik wel een beetje verliefd op haar geworden, ik was hoe dan ook graag bij haar in de buurt. Ze beschermde me, ondanks dat ze me ook pestte.

            ‘Ga jij je maar aan je piemel trekken,’ had ze eens bits tegen me gezegd toen ik blijkbaar iets te lang naar haar keek. Ze stond voor de spiegel haar haar te vlechten. Althans, dat probeerde ze, want eigenlijk waren haar krullen er te kort voor. ‘Ik zou wel zo’n rattenstaartje willen hebben, zoals Annette er ook een heeft.’ Annette was haar punky-achtige vriendin. Niet echt punk natuurlijk, we woonden tenslotte in Hilversum. Annette had kort haar met zo’n lelijke sliert in haar nek. En ze droeg altijd kisten, echte legerkisten. ‘Nou, vooruit!’ riep Moniek boos, ‘aan je piemel trekken.’

            ‘Eh, hier?’

            ‘Nee natuurlijk, vies jong. Gewoon op je kamer. Hop hop. Naar je kamer jij en aan je piemel trekken. Dat doen alle jongens. Je hoeft niet zo op me te lopen geilen.’

            Beteuterd ging ik naar mijn kamer. Mijn hart bonsde in mijn keel. Wat moest ik nou weer doen? Ik besloot muziek op te zetten, maar ik wist niet wat. Dus liet ik mijn pick-up onaangeroerd. Ik hoorde dat Moniek van de trap af liep, van dat geluid kreeg ik een stijve. Okee, wat had dat nu weer te betekenen? Kreeg ik een stijve omdat mijn stiefzus van me wegging? Of kreeg ik een stijve omdat ik geluid hoorde dat door mijn stiefzus gemaakt was? Ik keek naar mijn broek, er was niets te zien. Ik ging ook naar beneden, want op mijn kamer blijven was ook weer zowat. Moniek liep meteen door naar de schuur en pakte haar fiets.

            ‘Moniek,’ riep ik.

            Ze keek om en zwaaide. Uit niets bleek dat ze boos was, of zo. Ze lachte naar me en ze zwaaide. Achter me hoorde ik Sjak rochelen en hoesten.

            ‘Het is me een meid, die zus van je,’ zei hij en hij trok aan zijn sjekkie. Daarna draaide hij zich om en ging naar de wc.

            ‘Wie is Marcel?’ vroeg ik nogmaals.

            ‘Mijn vriend, dat zei ik je net.’

            ‘Ik ken hem helemaal niet.’

            ‘Dat hoeft ook niet. En ik denk ook niet dat je hem leert kennen.’

            Vanuit de keuken kwam een slungelachtige jongen met zwart rechtopstaand haar, zwart leren jack en strakke spijkerbroek. Kisten – natuurlijk. Buttons op de revers van zijn leren jack. Buttons tegen dit en tegen dat. Die jongen moest Marcel zijn, hij zei niets. Ik ook niet, maar hij was ouder, dus hij moest het goede voorbeeld geven. Ergens wist ik dat je je netjes voor moest stellen als je iemand tegenkwam. Het lukte niet om dat ook daadwerkelijk te doen. Marcel rook naar leren jack, naar een vers leren jack. Het jack zag er niet oud uit, Marcel had zijn best gedaan om er een stoer jack van te maken, met die buttons. Een echt stoer jack was een oud leren jack. Echt ruige jongens hadden leren jacks met slijtageplekken erop.

            ‘Ik kom dus niet meer terug,’ zei Moniek.

            ‘Ja, ik had het gehoord,’ zei ik. Ik was overgeleverd aan Sjak, ik wilde ook naar leren jack ruiken. Als ik naar leren jack zou ruiken, dan zou Moniek bij mij blijven. Nu was ze bij Marcel. Marcel… wat een homonaam. Net als Maurice. Als je zo heet, dan ben je een homo. En homo’s hebben aids. Wat moest Marcel nou met Moniek?

            ‘Marcel woont in Amsterdam,’ zei Moniek. ‘Ik nu dus ook.’

            ‘Wat vindt Sjak daarvan?’

            ‘Die heeft daar niks van te vinden, want ik ga gewoon. Marcel is gitarist in een band.’

            ‘Welke band?’

            ‘The Continental Six.’

            ‘The Continental Six…’ herhaalde ik. Dat klonk als The New Four, hoewel ik dat niet durfde te zeggen. Er moest dus ook een band bestaan met ‘five’ erin, The Five Fingers of zo. Dat leek me wel een goede naam voor een band: The Five Fingers. Dan moest er nog wel een zanger bij, Billy Stinger… Billy Stinger and The Five Fingers.

            ‘We zijn een punkband,’ zei Marcel, ‘We hebben binnenkort een optreden in café De Koe.’

            ‘In Amsterdam,’ vulde Moniek aan. ‘Café De Koe in Amsterdam.’

            ‘We kunnen misschien ook wel optreden in Vrankrijk,’ zei Marcel, ‘het grootste krakersbolwerk van Amsterdam. Dat zou wel ruig zijn.’

            Moniek keek bewonderend naar Marcel, hij was haar held. Het was een wereld waar ik niets van wist. Amsterdam was ver weg, in ieder geval mentaal. Ik snoof de geur van het leren jack nogmaals op. Liever had ik de geur van Moniek opgesnoven, maar zij rook neutraal. Ruikt een oud leren jack ook nog steeds naar leren jack? Of gaat die reuk er op een gegeven moment uit?

            ‘Kom, we gaan,’ zei Marcel.

            ‘Ja,’ zei Moniek, ‘doei.’             ‘Doei.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 15. Heen en weer

Hoofdstuk 14. Hart en nieren

De volgende avond, toen hij ons terugbracht naar Hilversum, kon mijn vader niet meer ophouden over het grote feest van Doe Maar. ‘Iedereen was verliefd op Doe Maar gisteren,’ zei hij. ‘Iedereen. Wat een goed liedje is dat toch zeg. Helemaal te gek.’ Hierop begon hij te zingen: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’

            ‘Pa,’ zei ik vanaf de achterbank, ‘zou je wat stiller kun zijn? Ik ben nog steeds misselijk.’ Hij hoorde me niet, of hij deed alsof hij me niet hoorde. Moniek zat stilletjes op de bijrijdersstoel. Ze reageerde nergens op. Nu achteraf, 38 jaar later, weet ik wat er gebeurd moet zijn. Ongeveer dan. Ze is gedrogeerd geweest met hasj en alcohol, en die twee mannen hebben haar misbruikt in de stacaravan met de matrassen. Dat was de vrije liefde he? Als je niet meedeed was je een suffe kut. Het waren de uitwassen van de jaren zeventig, iedereen moest het met iedereen doen. Dat was ook waar het liedje van Doe Maar over ging: ‘Ik zou het willen doen.’ De dubbele bodem ontging niemand, mij ook niet – ondanks dat ik op twaalfjarige leeftijd zo groen als gras was. De seksuele standaard was laag en masculien. De man bepaalde en de vrouw had het te ondergaan. De vrouw moest sexy zijn en als een soort Penny de Jager-dans-en-show-ballet om de man heen fladderen. Wanneer de man genoeg opgegeild was, dan stak hij ’m d’r in. Dat waren de sleutelfeestjes, de communes en de hippe discotheken. Mijn ouders waren er vol ingedoken, net als de ouders van Moniek. Ook kinderen werden geacht mee te doen met de seksuele revolutie, pedofilie was goed, want je kon niet te jong zijn voor liefde. Ik had geluk dat ik in een nogal heteroseksuele omgeving terecht was gekomen, voor zover ik weet heeft er niemand met zijn poten aan mij gezeten. Moniek had minder geluk, als meisje van veertien was zij een gewilde prooi voor hitsige mannen. In een cultuur van seks, drank en drugs moest zij wel het slachtoffer worden. Het was 1980, aids bestond nog niet. Niet veel later bestond aids wel, maar het was een homoziekte. Niets aan de hand, de feesten in de seksboerderijen gingen gewoon door. Niemand gebruikte condooms, alle vrouwen slikten de pil. Alle vrouwen waren voorhanden, alle vrouwen waren gewillig. Als een vrouw ‘Nee’ zei, dan bedoelde ze ‘Ja’ – pas later bleek dat ‘Nee’ ook gewoon ‘Nee’ kan betekenen. In de lange jaren zeventig was dat niet het geval. De lange jaren zeventig begonnen eind jaren zestig en stopten begin jaren tachtig. Toen werd duidelijk dat aids niet alleen voor en door homo’s was, maar dat het aidsvirus ook in heteroseksueel sperma kon zitten. In een klap was het klaar met de vrije liefde. Mannen moesten condooms omdoen en vrouwen mochten ‘Nee’ zeggen, ik herinner mij zelfs een reclamecampagne over dat onderwerp. Niet dat alle problemen meteen de wereld uit waren, maar het compleet seksuele was ervan af. In de jaren tachtig waren er geen sleutelfeestjes meer. Ineens waren de mensen bang dat je aids kon krijgen van een tongzoen en een muggenbeet. Lichaamssappen waren eng, overal zat aids.

            Op vrijdag zaten we vol spanning voor de buis, mijn moeder, Moniek en ik. Sjak was bezig aan de eettafel met het politieke programma van de CPN in Noord-Holland. Hij zat zich behoorlijk druk te maken, hij ramde hard op de toetsen van de typemachine. Over twee jaar waren er verkiezingen van de Provinciale Staten en het zag er niet naar uit dat hij op een verkiesbare plaats terecht zou komen. Regeren is vooruitzien, was het motto van Sjak, althans, hij beweerde dat het zijn motto was. De belangrijkste leden van de CPN in Noord-Holland woonden in Amsterdam, daar kon hij als relatief nieuwe Noord-Hollander niet tegenop, over twee jaar zou hij nog steeds een relatief nieuwe Noord-Hollander zijn. Waarschijnlijk zou hij altijd wel een relatief nieuwe Noord-Hollander blijven.

            ‘Was ik maar in Brabant blijven wonen,’ hoorden we hem zeggen, terwijl de openingstune van Op volle toeren klonk. In die provincie woonden niet zo veel communisten, dus daar was hij natuurlijk wel op een verkiesbare plaats terechtgekomen. In Noord-Holland was hij kansloos.

            ‘Kom je er ook bij, schat?’ vroeg mijn moeder.

            ‘Nee, ik moet nog sleutelen aan de tekst van het vijfde partijpunt. Dat moet echt gestaalder opgezet worden.’

            ‘Wanneer Doe Maar in beeld komt, dan kom je wel even kijken he?’

            ‘Misschien wel ja.’

            Chiel Montagne kwam in beeld en hij kletste het programma aan elkaar. De ene na de andere galbak passeerde de revue: Jan Boezeroen, Corry Konings, Rita Corita… Wat een vreselijke muziek!

            ‘Sinds wanneer moeten wij dit te gek vinden?’ riep Sjak vanachter zijn typemachine. ‘Het is toch niet om aan te horen?’

            ‘Ja ja,’ zei mijn moeder, ‘straks komt er een nieuwe band die Doe Maar heet en de jongens zijn het afgelopen weekend…’

            ‘…bij de repetitie geweest,’ viel Sjak mijn moeder in de rede. ‘Ik weet het, ik weet het.’

Henk Wijngaard, Benny Neyman, Vader Abraham. Er leek geen einde aan te komen. Ria Valk, de Havenzangers, Nico Haak. Volgens Chiel Montagne was het allemaal geweldig en waren dit grootse sterren. En toen was daar eindelijk de aankondiging van Doe Maar!

            ‘Sjak!’ riep mijn moeder, ‘kom kijken.’

            Sjak kwam achter de bank staan en Doe Maar begon: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’

            Het was niet live, terwijl ze daar zo op geoefend hadden. Dat was naïef, want Op volle toeren was altijd playback. Waarom was er in de hoofden van Doe Maar opgekomen dat ze echt zouden spelen? De mond van Ernst bewoog best goed met de zang, maar zijn vingers leken iets heel anders te spelen op het toetsenbord. Een ongeoefend oog kon zien dat het niet klopte. Wat een afgang. En halverwege was het liedje ineens klaar. Ze hadden anderhalve minuut hun liedje mogen playbacken van de TROS. Sjak haalde zijn schouders op en ging weer naar zijn typemachine. Het leek erop dat Doe Maar op deze manier nooit de hitlijsten zou kunnen halen, zelfs niet die van de Nederlandstalige top-10. Doe Maar was niet de nieuwe New Four. Na Doe Maar kondigde Chiel Montagne een nieuw liedje aan: ‘Troela oh troela’ van Highway. Highway had alles in zich om wel de nieuwe New Four te worden.

            ‘Nou is het klaar!’ zei Sjak, terwijl hij naar de tv liep. ‘Ik kan me niet concentreren met deze herrie.’ Klik – de tv was uit.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 14. Hart en nieren

Hoofdstuk 13. Hart en ziel

Mijn vader was met de drank in de weer, hij had geen oog voor mij. Rondom Doe Maar zaten een stuk of twintig mensen te blowen en te drinken. Het ene na het andere flesje bier ging erdoorheen, Kroon Bier. En mijn vader maar lopen. En Doe Maar maar spelen, steeds weer ‘Ik zou het willen doen’. Ik werd er niet goed van. Bij het naar buiten lopen, kwam ik Trudy tegen.

            ‘Wat een prachtig liedje, he?’ vroeg ze.

            Ik knikte, want ik durfde niet te zeggen dat ik het helemaal niks vond. Buiten was het inmiddels kouder geworden. Waar sliep ik eigenlijk? Had ik hier een eigen kamer? Ik ging weer terug naar binnen. Trudy hing inmiddels bij de bassist om zijn nek, die duidelijk niks van haar moest hebben. Mijn vader haalde haar weg uit de band en gaf haar een flesje bier, iemand anders gaf haar een stikkie. Twee mannen stonden met Moniek te praten. Ze stonden heel dicht tegen haar aan. Ik pakte een flesje bier uit het krat op tafel. Een van de twee mannen die met Moniek stond te praten kwam naar me toe en opende het flesje voor me.

            ‘Je zou zeggen dat je er jong voor bent, maar jong geleerd is oud gedaan,’ zei hij. ‘Oefening baart kunst.’ Daarna ging hij weer terug naar Moniek.

            Ik dronk van het bier. Het was bitter en vies. Toch dronk ik door. Dat hoorde hier blijkbaar. Moniek dronk ook bier. Ik liep naar haar toe.

            ‘Moniek?’ vroeg ik, ‘waar slapen we?’

            Nog voor ze kon antwoorden, zei een van die twee mannen: ‘Bij mij in de caravan. Daar liggen allemaal matrassen op de vloer. Ga liggen waar je wilt. Waar je ligt, is je bed.’

            ‘Welke caravan is dat?’

            ‘Die ene met die matrassen erin.’

            Doe Maar speelde nogmaals ‘Ik zou het willen doen’ en Trudy had een blinddoek om. Ze draaide rondjes tussen drie mannen. Mijn vader bracht weer flesjes bier rond. Er kwam een vrouw binnen met een heel grote hoed op, een soort sombrero. Ze werd met gejuich ontvangen. Een van de twee mannen had zijn hand op de kont van Moniek gelegd. De vrouw met de sombrero kwam naar ons.

            ‘Aaaaa,’ riep ze, ‘jij bent Bas! Ik ben Patricia. Je lijkt sprekend op je vader.’ Ze pakte me bij mijn hoofd en ze begon mee te zingen met Doe Maar: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’ Ze duwde mijn hoofd tussen haar borsten. ‘Zo, je drinkt al bier. Je bent een grote jongen, denk ik zo. Net als je vader. Dat is ook zo’n grote jongen. Wat een te gekke fuif is het hier in de boerderij. In mijn caravannetje was het zo stil. Cees! Cees!’ Ze zwaaide naar mijn vader. Mijn vader zwaaide terug met beide armen. Patricia was de koningin van het feest. Mijn vader kwam haar een flesje bier brengen. Ik ontsnapte uit haar borsten.

            ‘Geef die stoere zoon van je ook nog een flesje, Cees,’ riep Patricia. Moniek was weg, net als die twee mannen. ‘Te gek he? Dat Doe Maar bij Op volle toeren op kan treden. Dat moeten we vieren hoor. Proost.’ Ze sloeg haar flesje tegen het mijne aan. ‘Doe Maar heeft de toekomst. Het wordt een heel grote band. En wij zijn hier bij de geboorte ervan. Ik voorspel een grote toekomst. Alle meiden worden verliefd op Ernst.’

            ‘Ernst?’ vroeg ik. Ik snapte het niet. Verliefd worden op ernst. Dat was een abstract denken dat me te ver ging, misschien moest ik beter opletten op school. Of was het een typisch Tilburgse uitdrukking? Dat het je serieus is. Ik ben verliefd op ernst, ik ben er zeker van. Maar die meiden dan? De meiden zijn verliefd op ernst.

            ‘De zanger!’ riep Patricia. ‘Die mooie donkere jongen die zingt en piano speelt. Dat is Ernst.’

            Ik moet enorm verbaasd naar Patricia hebben gestaard, want ze keek me aan met grote ogen en ze riep uit: ‘Dat is zijn naam. Ernst. Ernst is een naam, zo heet hij.’

            Ernst, ik had nog nooit van die naam gehoord.

            ‘Zullen we meeklappen met het liedje?’ vroeg Patricia. ‘Bij Op volle toeren moet het publiek ook altijd meeklappen.’ Ze voegde de daad bij het woord en ze begon net na de tel mee te klappen. Ze bewoog haar voeten alsof het een dans was. Haar lange jurk draaide mee en niet veel later voerde ze een soort Kate Bush-dans uit – maar dan uit de maat. Ze leek wel helemaal in trance, zo met haar armen in de lucht, haar heupen draaiend en haar jurk wapperend. De sombrero viel van haar hoofd, maar dat merkte ze niet. Ik kreeg nog een flesje bier van mijn vader.

            Ik miste Moniek. Ik was erg aan haar gehecht geraakt en aangezien ze twee jaar ouder was dan ik, vond ik haar een soort rots in de branding. Moniek maakte je niks wijs. Moniek zou niet verliefd worden op Ernst, dat wist ik zeker. Ik hoopte dat ze veilig in een caravan was en dat ze niet door de donkere bossen zou zwerven. Moniek zou zich wel redden, Moniek redt zich altijd. Nou ik nog.

            Patricia lag op de grond te kronkelen. Haar Kate Bush-dans kon ook liggend uitgevoerd worden. Als je dan toch uit de maat danst, dan kun je dat net zo goed op de grond doen. Mijn vader had haar sombrero opgezet. Ook hij liep nu met zijn beide armen zwaaiend door de kamer, in iedere hand een flesje bier. ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen,’ lalde hij mee met de band. Ik had inmiddels schoon genoeg van het liedje. Speelden ze echt niets anders? Desnoods ‘Meisje, ik ben een zeeman’ van The New Four. Gewoon voor de verandering, kon mij het wat schelen. Het werd zwart voor mijn ogen. Het was kwart voor vier, zag ik op mijn horloge met lichtgevende wijzerplaat. Ik was uren van de wereld geweest en nu lag ik ergens. Het was donker, door het raam scheen een beetje licht van een lantaarn. Ik lag in een caravan… op een matras. Naast mij lagen andere mensen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 13. Hart en ziel

Hoofdstuk 12. Hans en Grietje

Uiteindelijk zijn we toch aangekomen waar we wilden zijn, bij TiKuKo, maar ik heb nog wel een aantal keren gekotst onderweg. Ik zag zo groen als het VW-busje. Bij aankomst werd ik uit het busje getild en op een stretcher gelegd. Ik onderging het allemaal gelaten en ik kan me er niet veel meer van herinneren. TiKuKo was een boerderijtje met drie stacaravans eromheen. Mijn vader en Trudy woonden met nog twee andere mannen in een van die stacaravans. Wie er nog meer woonden? Geen idee. Ik weet niet eens wie die twee andere mannen van Trudy waren en of het altijd dezelfde twee mannen waren, voor mijn gevoel waren het steeds andere mannen. Trudy was kunstenares en ze schilderde vooral rompen van mannen, torso’s. Dat schilderen deed ze graag tussen de bomen, want dan voelde ze zich een met de natuur – dat vertelde ze later. ‘Een mannelijk torso is een echte natuuruiting. Het menselijke en mannelijke en het natuurlijke komen samen in zo’n torso. Daarom schilder ik ze graag in de natuur, en natuur is hier genoeg. Er staan heel veel bomen rondom het TiKuKo-dorp, ik kan me helemaal uitleven. Ze schilderde de torso’s meestal uit het hoofd, niet naar model. ‘Naar model schilderen belemmert mijn creativiteit. Je moet met een open geest schilderen, dan komt je werkelijke gevoel in de kunst. Wie naschildert, schildert na. Ik wil mezelf zijn. Ik schilder vanuit mezelf. Ik laat me niet leiden, niet door een meester en niet door het model. Dan blokkeer ik, dan kom ik niet meer vooruit.’

            Toen ik eenmaal bijgekomen was, werd de wereld toch wat helderder. Gelukkig, het leek een eeuwigheid te duren. Trudy stond naast me te schilderen en verderop klonk muziek.

            ‘Ach jongen, ben je weer bij?’ vroeg Trudy.

            ‘…,’ zei ik.

            ‘Het is vandaag een bijzondere dag,’ zei Trudy. ‘We hebben een te gekke band vandaag. Ze komen repeteren in de boerderij voor een TV-programma.’

            ‘Voor de vuist weg?’ vroeg ik. Het was het eerste wat ik zei sinds uren.

            ‘Nee, Op volle toeren.’

            Allemachtig, dacht ik, Op volle toeren… wat vreselijk. Als het maar niet The New Four is! The New Four is de ergste band die er bestaat. Misschien dat The Old Four nog erger was, maar echt: The New Four… Nee. Waar was ik in beland?

            ‘Eh, Trudy?’

            ‘Wat is er jongen?’

            ‘Het is toch niet The New Four?’

            ‘Wat is dat?’

            ‘Dat is een band die altijd optreedt bij Op volle toeren.’

            ‘O, nee, die band ken ik niet. Het is een te gekke band die hier komt repeteren.’

            ‘Oh.’ Ik was er nog steeds niet zeker van, want een optreden bij Op volle toeren… Ik was tien jaar oud, maar ik was mij er toen al zeer van bewust dat Op volle toeren… eh… niet helemaal mijn smaak was. Ondanks dat mijn muzieksmaak zich nog moest ontwikkelen.

            ‘Het is een nieuwe band,’ vervolgde Trudy. ‘Ze noemen zich Doe Maar en ze hebben net een lp uitgebracht.’

            ‘Is het een echte Op volle toeren-band?’ Ik voelde dat ik weer moest kotsen.

            ‘Nee, ze zijn veel kunstzinniger. Ze lijken meer op de torso’s die ik schilder. Kleurrijk, stoer en te gek.’

            Wat moest ik daar nu op zeggen? Ik lag op een stretcher, misselijk en ik wist niet waar ik was.

            ‘Ze gaan vanavond vooral hun single repeteren: ‘Ik zou het willen doen’ en wij zijn publiek. Want Op volle toeren is live en het publiek speelt een belangrijke rol. Als ik klaar ben met schilderen kom ik ook. Ik heb nu enorme inspiratie. Het lijkt wel of de hele kosmos in mijn hart terecht is gekomen. Of nee, anders, alsof de kosmos om mijn hart heen zit en dat mijn hart de creativiteit van de kosmos oppikt en het doorstuurt naar mijn handen. Daar gaat de energie vervolgens mijn kwasten in die de verf op het doek zetten. Zo voelt het. Dat gevoel hou ik graag vast, als ik klaar ben, kom ik zeker kijken naar Doe Maar. Jongen toch! Dat wij hier op TiKuKo een band hebben die bij Op volle toeren mag spelen, wie had dat ooit gedacht? Dat is wel een doorbraak voor ons allemaal, maar natuurlijk vooral voor de jongens van de band. Goh! Op volle toeren…. Ja, Doe Maar gaat het helemaal worden, dat voelt mijn hart wel aan. Hier in TiKuKo, in Op volle toeren en in de kosmos. Als een raket. Hemeltjelief, Op volle toeren!’

            Zo te horen had Trudy nog nooit een aflevering van Op volle toeren gezien, want als er één programma was dat zo ontzettend niet-live was, dan was het Op volle toeren wel.

            ‘Waar is Moniek?’ vroeg ik.

            ‘In de rechter caravan.’

            Ik stond op en ik voelde me een oude man. Althans, ik stelde me voor dat een oude man zich zo voelde. Strompelend bereikte ik de caravan. ‘Moniek,’ riep ik. Er klonk gestommel uit de caravan. Een man deed de deur open.

            ‘Ze komt eraan,’ zei hij. Er klonk nog wat gestommel en even later stond Moniek in de deuropening.

            ‘Hooooi,’ zei ze langzaam. Sloom haalde ze een hand door haar haar. Ze keek me aan, het was alsof ze me niet zag. Haar bloes hing uit haar broek. Hoewel, ze had geen broek aan!

            ‘Moniek, je hebt geen broek aan.’

            ‘Euh, neeee… eh… wacht maaaar.’ Ze ging naar binnen en het werd stil. Ineens stond ze weer in de deuropening. Met een spijkerbroek.

            ‘Daar is mijn moeder,’ zei ze. ‘Waar is je vader?’

            ‘Geen idee. Misschien in de boerderij voor het optreden?’

            ‘Oooo. De boerderij… Welk optreden?’

            ‘Voor een band van Op volle toeren. Hoor maar.             ‘Gadverdamme. Ik voel me al zo vies.’ Ze stapte toch uit de caravan. We liepen naar de boerderij waar in de woonkamer een band speelde. Vier mannen die de hele tijd hetzelfde liedje speelden, als een mantra. Doe Maar. Het klonk als een echte Op volle toeren-band. Nee, dit ging nooit wat worden. Doe Maar was de nieuwe New Four.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 12. Hans en Grietje

Hoofdstuk 11. Hamer en sikkel

Vroeger was bijna niets beter. Ja, vroeger gingen de mensen eerder dood, dat was beter. Verder hebben we het nu gewoon beter dan vroeger. Dubbel glas bijvoorbeeld, wat een uitvinding is dat! Of de blender. Hoe maakten ze smoothies in de achttiende eeuw? En de mobiele telefoon natuurlijk. Hoe kon men ooit zonder? Het ding is zo snel zo gewoon geworden, dat we ons eigenlijk niet meer voor kunnen stellen hoe de wereld zonder mobiele telefoon eruitzag – maar dat is een observatie die iedereen kan maken. Een cliché.

            Zoals gebruikelijk werden Moniek en ik door Sjak afgezet bij de MDKLNKRT. Hij stopte zijn Dyane voor de deur, wij kregen amper tijd om uit te stappen en hij reed meteen weer terug naar Hilversum. Nou ja, hij reed meteen weg, of hij in een ruk doorreed naar Hilversum wisten we niet. Misschien stopte hij wel halverwege bij een of ander bordeel. Sjak was tenslotte een man van de open relaties.

            Dus ook die zaterdag werden we gedropt voor de deur van de MDKLNKRT en nog voor we aan konden bellen, was hij alweer weer weg. We belden aan en niemand deed open. We belden nogmaals. En nogmaals. Daarna bonsden we op de deur en het raam. We hoorden geschuifel in de gang, een wazig gezicht opende de deur.

            ‘Ja?’

            ‘We komen voor Trudy en Cees,’ zei Moniek.

            ‘Trudy en Cees?’ vroeg het wazige hoofd, dat waarschijnlijk helemaal vol zat met macrobiotische hasj.

            ‘Ja, Trudy en Cees. We komen hier iedere twee weken.’

            ‘Ik woon hier pas een week. Kom binnen. Willen jullie ook een hijs?’

            Moniek en ik keken elkaar aan, wat was er nu weer aan de hand? Het vage hoofd bood ons zijn joint aan. We liepen naar binnen, naar de kamer van Trudy en Cees.

            ‘Heeee,’ riep het vage hoofd, ‘waar gaan jullie heen?’

            ‘Naar de kamer van Trudy en Cees,’ antwoordde Moniek.

            ‘Daar woon ik, meid.’

            ‘Nee! Dat kan niet,’ zei Moniek.

            ‘Jawel, sinds een week. Relaxt hoor.’

            Intussen was er een andere bewoner de hal ingekomen, het was Twan.

            ‘Hè? Wat doen jullie hier?’ vroeg Twan.

            ‘Gewoon, op bezoek bij Trudy en Cees.’

            ‘Die wonen hier niet meer,’ riep Twan verbaasd uit. ‘Die zijn vorige week verhuisd.’

            Moniek begon te huilen. Ik ook.

            ‘Hier, neem een hijs,’ zei het vage hoofd.

            Moniek nam het stikkie aan en nam een voorzichtige hijs. Ze hoestte daarna zowat de longen uit haar lijf.

            ‘Arme kinderen,’ zei Twan.

            ‘Waar is mijn moeder dan naar toe?’ hoestte Moniek en ze frutte aan haar truitje waardoor haar buik een beetje zichtbaar werd.

            ‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ antwoordde Twan. ‘De stad uit. Naar het platteland of zo.’

            Nu barstten Moniek en ik echt in huilen uit.

            ‘Ik wil naar mijn mama!’ schreeuwde Moniek alsof ze vijf was. Ik werd overvallen door een peilloos verdriet, want als Moniek het niet meer aankon, mijn grote zus, wat moest ik dan nog? Ik kon alleen maar huilen.

            Twan leidde ons naar de gemeenschappelijke ruimte. ‘Hier, ga in de zitkuil zitten,’ zei Twan, ‘dan probeer ik uit te zoeken hoe het zit.’

            ‘En neem nog een hijs,’ zei het vage hoofd.

            We gingen zitten en probeerden wat van het stikkie te roken. Het was vies en raar, maar het kalmeerde wel. De paarse en oranje ribfluwelen kussens in de zitkuil zaten lekker. Hoe lang we daar gezeten hebben, weet ik niet. Ik draaide wat blaadjes van de plant met die lange sprieten om mijn vinger. Boven me hing een rode glazen pot met een plant erin, de pot ingepakt in een gehaakt hesje, met een kwastje eronder. Even later kwam Twan met Lenie de zitkuil in.

            ‘Ach kinders toch,’ riep Lenie. ‘Zijn jullie alleen gelaten? Zijn jullie Hans en Grietje? Maar wij eten jullie niet op, hoor. Wees niet bang.’

            ‘Waar is mijn moeder?’ huilde Moniek.

            ‘Je moeder en jouw vader,’ Lenie knikte naar mij, ‘zijn verhuisd naar het Tilburgse kunstenaarskollektief TiKuKo in Gilze en Rijen.’

            Gilze en Rijen, wat moest ik me daar nu weer bij voorstellen? Later leerde ik dat het de gemeente Gilze en Rijen was, bestaande uit de dorpen Gilze en Rijen. Het station heet Gilze-Rijen. Als je daar voorbij moet, schiet het al op: twee stations voor de prijs van een. Maar dat wist ik allemaal niet toen ik tien was. Gilze en Rijen klonk voor mij mijlenver weg, alsof daar inderdaad de boze heks woonde. En dat was natuurlijk ook zo. Trudy was een boze heks, een onverzadigbare mannenverslindende heks. Ondertussen waren er meer MDKLNKRT-bewoners naar de zitkuil opgekomen, de meesten in hun ondergoed (zoals Joke), sommigen helemaal naakt (zoals Sjors). Zoveel herrie op de vroege morgen waren ze niet gewend. Er werd gemompeld en er werden joints doorgegeven. Uiteindelijk was er het moment dat iemand op het idee kwam om Moniek en mij naar het TiKuKo-terrein te brengen. Twan kreeg de sleutels van het VW-busje van het vage hoofd.

            ‘Waar is het precies?’ vroeg Twan.

            ‘Je rijdt naar de Bredaseweg,’ zei Sjors met zijn piemel in zijn hand, ‘en dan… Ken je d’n Mastendol?’

            ‘Nee.’

            ‘Okee, goed. Bij d’n Mastendol ga je rechtsaf.’

            ‘Ik ken d’n Mastendol niet.’

            ‘Dat hoeft godverdomme ook niet.’

            ‘Waarom vraag je me dan of ik het ken?’

            ‘Rijd nou maar gewoon naar de Bredaseweg en als je dan camping d’n Mastendol ziet, dan ga je rechtsaf. En daar is het dan ergens.’

            ‘Kun je niet beter over Dongen rijden?’ vroeg Lenie.

            ‘Dat is misschien ook wel een goed idee,’ zei Sjors. ‘Als je dan dat weggetje neemt bij die stoplichten, dan rijd je zo naar die boerderij van de TiKuKo.’

            ‘Op de Tomos kun je beter tussendoor,’ zei Joke. ‘Pak je eerst de Bredaseweg en dan ga je op een gegeven moment naar rechts, dat zandpad weet je wel?’

            ‘We gaan niet met de Tomos, we kunnen de Volkswagenbus lenen.’

            ‘O ja, dat is anders. Als je wel de Tomos had gehad, dan gaat het allemaal een stuk sneller, want binnendoor snij je zo alle bochten af.’

            Ondertussen was ik helemaal misselijk geworden van de hasj.             ‘Die jongen moet even naar buiten,’ hoorde ik iemand zeggen. Mijn hand werd gepakt en ik werd mee naar buiten genomen. Daar kotste ik en kotste ik, recht voor de deur.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 11. Hamer en sikkel

Hoofdstuk 10. Haat en nijd

Grote bruine strepen in de wc, want als Sjak ergens heer en meester was, dan was het op de wc. Ging hij er eenmaal zitten, dan kwam hij er ook niet meer vanaf. Bij wijze van spreken dan, want natuurlijk kwam hij ook wel eens van de wc. Hoewel dat altijd heel lang duurde. Gelukkig hadden we er twee, een beneden in de gang en een boven in de badkamer. Het maakte Sjak niet uit waar hij ging, maar meestal zat hij boven. Meestal zat hij er ’s middags. Dat moet ik hem nageven: als hij ’s ochtends zijn lange rit naar Darmstad zou maken, dan zou iedereen te laat op school komen. Dat was dus niet het geval. Ja, Sjak had ook zijn aardige kanten en dit was er eentje van. Een andere aardige kant was dat hij rookte op de wc. Sjak rookte de hele dag, dus ook daar. Het betekende dat ons hele huis stonk naar de rook, en het betekende dat het met de enorme dikke strontlucht wel meeviel. De bruine walm is teniet te doen door een lucifer af te steken – nou, dat zat bij Sjak dus wel goed. Hoewel ik me weleens afvroeg of het niet brandgevaarlijk was. Je hoorde wel eens berichten van koeienstallen die in de hens gevlogen zijn vanwege de methaangassen. Zou dat ook bij mensen kunnen? Ik stelde me zo voor dat Sjak de hele pot weer eens volgescheten had, tot aan de rand toe, en dat hij dan een lucifer aanstreek en dat er dan…. POEF! Een enorme explosie plaatsvond. Dat zal wel nooit gebeuren. Na een wc-bezoek van Sjak was het plateautje helemaal bruin. Gelukkig stond er altijd een plasje water op het plateautje, zodat het ergste bruin een beetje oploste en weggespoeld kon worden. Er bleef echter altijd genoeg achter. Wat er nog meer achterbleef: dingen op de wc-bril. Dingen waarvan je niet wist of het tabak was of schaamhaar. Of misschien zelfs wel snorhaar, maar als Sjak op de wc was geweest, dan lag er altijd wel iets op de bril. Wanneer je misselijk was en over moest geven, dan was dat nooit een probleem. Je ging naar de wc, bekeek de bril en de bruine sporen op het plateautje en alles kwam eruit. Zo, dat was dat. De pot vol kots en stront – ja, dat luchtte wel op. Gelukkig kwam dat niet zo vaak voor.

            Ooit, toen Sjak en Moniek nog maar pas bij ons in huis woonden, had ik er iets van gezegd. Ik weet niet meer wat. Er is zoveel wat ik niet meer weet, of ik weet er slechts een beetje van. Het geheugen is een raar ding, iedereen kent het fenomeen dat je hele gebeurtenissen kwijt bent – ook al doe je nog zo je best ze te herinneren. Wat ook bekend is, is dat herinneringen opkomen na een zintuigelijke ervaring. Een liedje op de radio laat je decennia terugvliegen in de tijd, of een geur brengt je terug naar je jeugd. Wat ook gebeuren kan, is dat de ene herinnering de andere oproept. Je begint met een bepaalde herinnering en voor je het weet zit je in een keten van herinneringen. Wat ik precies gezegd had, weet ik niet meer. Ik moet echter mijn ongenoegen geuit hebben, misschien toen ik uit school kwam? Ik zat nog op de lagere school, dat weet ik wel. Het zou best eens ten tijde van de Cito-toets geweest kunnen zijn. Ik was een goede leerling, en toch was ik zenuwachtig voor de Cito-toets. Ik wilde graag hoog scoren, om naar het gymnasium te kunnen. Dus legde ik mezelf een hoge druk op. Eenmaal thuis trof ik Sjak aan op de wc in de badkamer – met de deur open. Hij zat pontificaal op de plee, zoals een koning op zijn troon. Het woord ‘pontificaal’ had ik toen vast niet gebruikt. Hij zat te roken en een tijdschrift te lezen, een kleurentijdschrift, dus niet de CPN Ledenkrant. Ik stond er al een tijdje en ik moet iets gezegd hebben, want ik herinner me dat hij boos opkeek en zei dat ik mijn brutale mond moest houden.

            ‘Hou je brutale mond en gooi de deur dicht!’

            Ik bleef echter onbeweeglijk staan. Vond ik de deurklink te vies om aan te pakken? Dat kon het niet geweest zijn, maar ik stond als aan de grond genageld. Sjak zat daar in een bruinblauwe walm van rook en stront, machteloos en oppermachtig. In een eeuwigdurend kort moment, net zo lang als het duurde om met het potlood naar het antwoordpapier te gaan om een bolletje van een multiple-choice-vraag grijs te kleuren. Ja, het was de tijd van de Cito-toets, anders zou ik nooit op het idee gekomen zijn dat er met een potlood bolletjes grijs gekleurd moesten worden. Ik verlangde naar mijn moeder, maar die was er niet. Mijn moeder was zelfs twee dagen van huis, want ze was mee met Vara’s Popkaravaan. Naar Apeldoorn, daar trad The Cure op in het openluchttheater. Toen ze hoorde dat The Cure weer op kwam treden had ze hemel en aarde bewogen om er naar toe te kunnen, ze was naar het kantoor gegaan van de Vara om daar zoveel mogelijk mensen te spreken. Ze heeft er zelfs met presentator Willem van Beusekom gesproken. Welke argumenten ze in de strijd had geworpen, is mij niet bekend, misschien had ze hem complimenten over zijn snor gemaakt, of misschien had ze iets intiems in zijn oor gefluisterd, maar ze kreeg het voor elkaar. Ze kon mee om broodjes te smeren voor de hele crew en voor de band! Het wederzien tussen Robert Smith en mijn moeder was hartelijk. Speciaal voor Smith had ze voor worst gezorgd, en dat werd door hem zeer gewaardeerd. Ze had van hem een gesigneerd exemplaar van de lp Boys don’t cry gekregen. Mijn moeder kwam helemaal hoteldebotel thuis. Ze gedroeg zich als een gillend meisje, zoals een paar jaar later de meisjes bij een optreden van Doe Maar gilden. Nou ja, zo erg was het eigenlijk ook weer niet. Ze legde de lp meteen op de draaitafel, maar ze vond de muziek nog steeds niks. Wel was ze blij dat ‘Killing an Arab’ erop stond, aan de andere kant bestond zo’n beetje de helft van de lp uit liedjes die ook al op de vorige lp stonden. Ik vond het wel gave muziek eigenlijk.

            ‘Gooi de deur dicht, godverdomme.’

            Langzaam pakte ik de klink en deed de deur dicht. Ik bekeek mijn hand, er zat geen stront aan. En toch was alles vies. Alles was bruin, alles stonk.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 10. Haat en nijd