Hoofdstuk 36. Raad en daad

Ik voelde me helder in mijn hoofd, een mens vermoorden, met voorbedachten rade, is een fenomenaal gevoel. De spanningsopbouw is heftig, want het begin is rustig – daarna mag er niets meer verkeerd gaan. Dus je hormonen nemen het over. Je leeft op je instinct. Ineens ben je geen mens meer, maar een roofdier. Een roofdier denkt ook niet na als hij zijn slag slaat. Geen twijfel, gewoon baf! Erboven op. Eten of gegeten worden, dat gevoel. Een dier denkt bij het voorplanten ook niet na, ook dat gaat instinctmatig. Een reu ruikt een loops teefje en baf! Erboven op. Ik stond op, liep naar de vensterbank, pakte de schroevendraaier en stak hem bij Carlos in zijn keel en in zijn oog. Klaar. Een geweldig en overweldigend gevoel van leven overkwam me. Dat gevoel overstemde alle andere gevoelens en alle andere gedachten. Ik had plannen gemaakt voor het vervolg, maar daar kwam niets van terecht. Ik was een Übermensch, ik was ‘Killing an Arab’, ik was geweldig, ik was fantastisch, ik was de alfaman. Wie denkt er op dat moment nog aan een paar plastic tassen? Niemand. Plastic tassen die expres zo neergelegd waren dat ze niet op zouden vallen. Het had dus gewerkt. Indien je iets wilt verstoppen, dan moet je dat in het openbaar neerleggen. Ik weet zeker dat als Carlos de tasjes coke had verstopt in de kruipruimte, ik eraan gedacht zou hebben. Nu lagen die tasjes gewoon recht voor mijn neus en ik zag ze niet meer. Het plan was om die tassen mee te nemen en om ze in Luxemburg in de postbus te verbergen. Dat plan was van de baan. Teruggaan naar de Besterdring zou geen zin hebben, dat zou verdacht zijn. Tenzij er nog niemand was.

Ik rekende af en liep naar de Besterdring. Daar wachtte mij een onaangename verrassing. Nou ja, verrassing? Ik had het dus verwacht. De politie stond in vol ornaat voor de deur. De weg was half afgezet. Zes auto’s met zwaailichten, een burgerauto en veel volk. In de deuropening zag ik de accordeonist staan. Hij had Carlos ontdekt. Godverdomme. Die kutaccordeonist, met zijn kutmuziek en zijn kuthoofd. Wat een smerige achterbakse klootzak. Zo iemand deugt niet. Ik beende weg, naar huis. Ik wilde er niet gezien worden, en al helemaal niet door die lul van een accordeonist en zijn galbakmuziek. De politie zou me toch al weten te vinden, op de plaats delict mocht ik nu niet komen. Godverdomme. Wat een lul. Wie zulke kutmuziek maakt, moet een kutkarakter hebben. Een verrader, dat ben je, een Judas. Laat mij mijn karwei afmaken, lul! Waarom kom je daar dan? Waarom had ik het godverdomme goed gevonden dat Carlos het pand had opengesteld als repetitieruimte? Dat was fout. Dat was me godverdomme toch een partij fout! Het plan was duidelijk. Ik zou Carlos doodsteken, de coke veiligstellen en het lichaam zo lang mogelijk laten liggen. Dan zouden de buren gaan klagen. De politie zou bij mij komen, want mijn vingerafdrukken zijn all over the place – maar ze zouden niets hebben. Ik zou me hooguit voordoen als klant van Carlos. Ja, Carlos zat in de cocaïne, ik niet. ‘Waarom bent u daar dan zo vaak gesignaleerd?’ ‘Ik zal het bekennen: ik ben een goede klant van Carlos. Ik haalde bij hem mijn dope.’ Dat was nu allemaal op de helling gezet door die kloterige kutbandjes. Repetitieruimte! Hoe kom je erop? En waarom ging ik er godverdomme mee akkoord? Ga naar TiKuKo met je kutmuziek. Ga daar tussen de bomen herrie maken. Ga daar de kloten van Chiel Montagne likken. Die kutzeemansmuziek, die kutcovers van Benny Neyman, die kutDoe Maar.

Alles zou nu sneller gaan. Carlos was eerder ontdekt, de lijn met mij zou eerder gelegd worden. Ik moest dus eerder dan gepland alles opruimen. De keukenmachine zette ik in de kelderkast onder de trap, tussen de overige dingen van Gerda, lekker ver naar achteren. Daar stond ook al een sapcentrifuge en een wafelbakker. Het geld… waar liet ik het geld? Het was Goede Vrijdag, dus alles was dicht. Ik kon maandag pas naar een bank gaan voor een kluis, of naar het postkantoor voor een postbus. Tijd om te breken met een belangrijk uitgangspunt: wie iets wil verbergen, verbergt het goed. Ik durfde het niet open en bloot op mijn bureau te leggen, want dat zou wel de regel zijn. Ik ging zondigen tegen die kloteregel. Ik ging naar de zolder en verborg de tas met geld – toch ook alweer enkele tienduizenden guldens. Onverklaarbaar in mijn bezit. Op de zolder van Gerda zou dat het gespaarde bedrag van haar kunnen zijn, ware het niet dat mijn vingerafdrukken erop zaten. Alles ging dus verkeerd. Zo zou het gaan: de politie zou op mijn deur bonzen. Ze zouden de keukenmachine vinden met minuscule resten coke. Ze zouden het geld vinden. Ik zou er geen goed verhaal bij hebben. Ik zou veroordeeld worden voor moord en voor handel in verdovende middelen. Jaren in de gevangenis. Met een beetje geluk zou de rechter het niet erg vinden dat het slechts een drugshandelaar was. Het ene mensenleven is minder waard dan het andere. Een afrekening in het criminele circuit, dat moest het worden. Carlos en ik hadden ruzie gekregen over geld of over een lading coke, ik had een schroevendraaier gepakt en hem doodgestoken. Was dat een goed verhaal? Deels. Het moordwapen was weg. Dat had ik in het kanaal gegooid. Wat was dan het goede verhaal? Ik moest denken, ik moest denken. Nadenken, nadenken. Er is een lijk. Er is vijf kilo coke. Waarom is die coke daar? Dat was voor mij een ontsnappingspunt. Stel dat ik cokehandelaar was, zou ik dan die coke niet meegenomen hebben? Natuurlijk wel. Dat was het plan tenslotte ook, maar dat hoefden de wouten niet te weten. Er is een lijk, er is vijf kilo coke. Er is geen moordwapen. Er is geen motief. Ik heb geen motief. Ik heb een alibi. Wanneer ik die keukenmachine echt weet weg te werken en als ik van dat geld af ben, dan leiden de sporen niet naar mij. Niet definitief. Eerst wel, daarna niet meer: geen motief. Ik ben een arme cokesnuiver, wonend aan de Madeliefstraat 4, op een kamertje aan de achterkant van het huis. Een grotere kamer kon ik mij niet veroorloven. Dat was mijn verhaal.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 36. Raad en daad

Hoofdstuk 35. Schuld en boete

Ik was nog nooit in een doe-het-zelf-zaak geweest, alles heeft een eerste keer. Het was de Gamma. Ik keek mijn ogen uit, zo’n zaak is gaaf. Overal staan machines en apparaten, joekels van boormachines, opklapbare werkbanken, en planken, vloerdelen, schroeven… Een soort speelgoedwinkel voor mannen. Vrouwen mogen er natuurlijk ook hun schuurmachines kopen, maar om de een of andere reden stralen al die apparaten een en al testosteron uit. Daar zijn mannen bevattelijker voor dan vrouwen, vooral toen. Inmiddels is het een beetje anders, laatst liep ik een doe-het-zelf-zaak binnen en het grote aantal vrouwelijke medewerkers viel me op. Dat was dertig jaar geleden een ander verhaal. Dertig jaar geleden waren de Gamma, de Hubo en de Praxis mannenbolwerken, een soort darkrooms waarin je bij tl-licht elkaars bahco kon vasthouden en op de hand kon wegen. Een doe-het-zelf-zaak nodigt uit tot een spelletje ‘wie heeft de grootste’? Ook al was je op zoek naar een kleine inbussleutel, de kans dat je ook met een flinke beitel naar buiten liep, was levensgroot. Of met een oprolbaar meetlint van vijf meter. Nooit gedacht dat ik er bevattelijk voor zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik zo’n bouwmarkt heerlijk vind. Vooral de losse onderdelen, niet de netjes ingepakte en op volgorde gelegde schroevendraaiers en doppensets. Ik ben al georganiseerd genoeg van mezelf. Ja, een uitgebreide schroevendraaierset die van klein naar groot in een nachtzwart plastic koffertje ligt te glimmen heeft een zekere esthetiek. Wat mij betreft kun je zo’n set in een galerie hangen als klinisch kunstobject. Toch kom ik daar niet voor, want zo’n koffertje straalt een bepaalde vrouwelijkheid uit. De losse delen zijn vele malen stoerder. Een houthakker in de Rocky Mountains heeft een gereedschapskist vol losse dingen bij zich, niet een stapel plastic koffertjes waarin zijn beitels gepoetst en opgewreven liggen te rusten tot zij bewonderd kunnen worden.

Die donderdagochtend, 31 maart 1988, liep ik de Gamma binnen. Het was Witte Donderdag, de dag van het Laatste Avondmaal. De dag dat de wraak in de lucht hing, hoewel Carlos dat niet wist. Dat hele ‘in de lucht hangen’ is grote onzin. Er hangt niets in de lucht, ja, een wolk. Of een zweefvliegtuig. Meer ook niet. Sommige mensen denken dat er meer is tussen hemel en aarde, nou, meer dan een vliegtuig of een satelliet zit daar niet tussen hoor. Dat kan ik je vertellen. Er is niets, alleen dit moment. Het verleden is voorbij, de toekomst is er nog niet, slechts het heden telt. Klinkt misschien vreemd uit de mond die zijn wraak reeds lang van tevoren gepland heeft, maar zo zie ik het toch. Nee, Moniek kreeg ik niet terug met wraak. Moniek was verleden tijd. Ja, door de wraak te plannen leefde ik niet in het heden. Ik was te veel met de toekomst bezig. Ik had een uitgebreid plan om Carlos te doden en om rijk te worden. Daarmee leefde ik in strijd met mijn eigen regels – niets menselijks is mij vreemd. Geregeld leefde ik in het moment, in café Weemoed Duvel drinkend, op mijn kleine kamertje met tienduizenden guldens onder mijn bed en met een glas Sancerre in de hand… kleine momenten. Me verheugend op de toekomst, dat dan weer wel. Omdat ik voor het eerst in een doe-het-zelf-zaak was, wist ik niet waar ik moest zijn. Ik liep wat rond en verbaasde me over de hoeveelheid machines, apparaten en gereedschappen. Ik wilde van alles wat hebben, niet te veel, niet te weinig. Na een beetje rondgedwaald te hebben vond ik het schap met schroevendraaiers. Op ooghoogte hing een mooie grote kruiskopschroevendraaier. Zo eentje zocht ik. Die paste helemaal in Carlos’ kop. Ik pakte hem en woog hem op mijn hand. Lekker zwaar. Het handvat voelde ook goed. Deze werd het. Ik had geen mandje, dus liep ik met de schroevendraaier terug naar de ingang om een mandje te pakken. Wat voelde dat lekker. Ik was een ridder die zojuist van de wapensmid een nieuw zwaard gekregen had. Nu dus nog wat meer doe-het-zelf-spul. Algemene dingen, niks geks. Een hamer, een nijptang, een doosje spijkers, een pakketje schroeven, een paar kleinere schroevendraaiers, een klein zaagje. Bij de kassa lagen meetlinten van vijf meter, nam ik er ook een van mee. Alles in een plastic tasje, dat door het gewicht bijna doorscheurde. ‘O, dat houdt hij wel hoor,’ zei de jongen achter de kassa. ‘Daar kunt u wel mee thuiskomen.’

In de repetitieruimte was een band duistere new wave aan het spelen toen ik binnenkwam. Dat iedereen ongelukkig was en zo, ik kon niet goed verstaan wat er gezongen werd, behalve dan de woorden ‘schizophrenic’ en ‘misery’. Ik stak mijn hand op om te groeten en om te gebaren dat ze gewoon door moesten spelen. Het gereedschap legde ik uitgespreid in de vensterbank. De band stopte. De bassist liep naar de vensterbank en inspecteerde het gereedschap. ‘Goed hamertje,’ zei hij, ‘ligt lekker in de hand.’

‘We gaan binnenkort verbouwen,’ zei ik. Ik nam een stoel en ging zitten.

‘Jammer,’ zei de bassist. ‘Verliezen we dan deze repetitieruimte?’

‘Ja, het wordt een kunstgalerie.’

‘Jammer hoor.’

‘In plaats van te repeteren, kunnen jullie hier wel een keer komen spelen als we een tentoonstelling openen.’

‘Oh, een optreden!’ riep de zanger in zijn microfoon.

‘Een opening moet tenslotte een beetje feestelijk ingekleurd worden. Er staat een tentoonstelling met donkere schilderijen op de planning, daar past jullie werk mooi bij.’

Morgen zou Carlos weer een lading coke halen, vijf kilo. Nonchalance was de dekmantel, hoe nonchalanter je rondliep, hoe minder verdacht je was. Vandaar dat we de coke vervoerde in plastic tasjes van de supermarkt en dat we die tasjes een beetje lieten rondslingeren. Althans, zo zag het eruit. Wij zelf wisten dondersgoed waar we onze handel lieten.

De volgende dag stond ik vroeg op. Carlos was ook vroeg op weg om de nieuwe handel op te halen. Ik ging naar ons pand, pakte de keukenmachine en de rest van de zooi om de coke te versnijden en bracht dit allemaal naar mijn kamer. Dat was nu veiliggesteld. Weer terug naar de Besterdring. Zitten en wachten. Wachten. Hoe lang ik heb gewacht, weet ik niet meer. Op een gegeven moment kwam Carlos inderdaad binnen met vijf plastic supermarkttasjes. Ik zat aan de tafel. ‘Carlos!’ riep ik toen hij de voordeur opende.

‘Ah, je bent er al,’ zei hij.

‘Kom erbij.’ Carlos kwam de kamer binnen en zette de vijf tasjes verspreid op de grond. Zo zag het er niet uit als iets wat ertoe deed. Het zag eruit als willekeurige rommel. Mijn hart bonkte in mijn keel, mijn zenuwen gierden door mijn lichaam, de adrenaline spoot mijn oren uit. Ogenschijnlijk was ik rustig, innerlijk ontplofte ik bijna. Dit was het moment. Nu moest het gebeuren. Hier had ik naar uitgekeken. Dit was mijn plan. Nu ging hij eraan. Carlos ging zitten. Ik stond op en liep naar de vensterbank.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 35. Schuld en boete

Hoofdstuk 34. Overal en nergens

In je eentje in de auto heb ik altijd heel saai gevonden. Zelfs met muziek aan, vond ik jaren geleden saai en nu nog steeds. Ik was toch al niet zo’n reiziger, ik vind het leuk om ergens te zijn, niet om erheen te gaan. Verplaatsingen zijn niets voor mij. Helaas horen ze erbij, het is niet anders. Het landschap interesseert me niets, als chauffeur kun je toch niet goed om je heen kijken. De weg van Tilburg, via Eindhoven, Maastricht en Luik naar Luxemburg vond ik eentonig. Luxemburg zelf is me ook een partij eentonigheid en dufheid hoor! Dat mensen daar voor hun plezier naar toe gaan, is me een raadsel. Zelden of nooit zo’n saaie stad gezien. Gelukkig was ik er voor zaken. Ik had een kamer geboekt bij Gasthaus Landmann. Daar werd ik vriendelijk ontvangen, want Luxemburgers zijn een vriendelijk volkje. Een belangrijke reden waarom ze dus saai zijn. Ze zijn ook betrouwbaar, met hun bankgeheim als betrouwbare kers op de betrouwbare taart. Dat bankgeheim was mijn doel, het Luxemburgse en ook Zwitserse bankgeheim waren onderdeel van het plan. Het geld moest naar het buitenland en daarna moest het witgewassen worden. Bij dat witwassen waren we nog niet. Ik was bij stap 3b. Stap 3a was het geld in het buitenland zien te krijgen, stap 3b was het geld in het buitenland zien te houden, zien te consolideren. Vanuit Gasthaus Landmann liep ik naar het postkantoor om de postbus te legen. Ik was benieuwd – raar eigenlijk, want ik had zelf de enveloppen met geld op de bus gedaan. Ik opende de postbus en die zat bijna helemaal vol. Allemachtig, wat een berg post! Dat ging ik zo niet meekrijgen, tientallen losse enveloppen… Nee, dat ging niet. Ik sloot de postbus en besloot een mooie tas te kopen. Het centrum van Luxemburg is niet zo groot, het winkelaanbod ook niet. Gelukkig was er wel een warenhuis, een soort V&D. Kaufhaus Huppeldepup – geen idee meer hoe het heette. Bestaat tegenwoordig ook niet meer. Daar hadden ze een tassenafdeling waar ik een mooie leren tas kocht.

In het postkantoor hield ik de geopende tas voor de postbus en schoof alle enveloppen erin. In de bar van het Gasthaus kocht ik een fles wijn voor op mijn kamer. Dat bleek nogal wrang spul te zijn. Het imago van Luxemburgse wijn was voor mij nietbestaand, maar nu was het de Luxemburgers toch gelukt om dat imago te doen kelderen. Het geld maakte echter veel goed. De hotelkamer had een klein bureautje, met een groene nepleren onderlegger. Al die enveloppen die we hadden gevuld en dichtgeplakt moesten nu weer opengemaakt worden; de bankbiljetten op mooie stapeltjes gelegd. Daar was ik wel een tijd mee bezig. De zoete smaak van geld overklaste de wrange wijn. Van de enveloppen maakte ik wikkels om om de geldstapels te doen. Het geld ging in de nieuwe tas. Er was nog tijd om naar de bank te gaan. Daar keek men niet vreemd op toen ik het enorme bedrag in guldens kwam storten. Sterker nog: ik kreeg het gevoel een kleine jongen te zijn. Er was voor mij geen speciale behandeling, ik werd niet meegenomen naar een privékamer, ik kreeg geen koffie, ik kreeg geen sigaar aangeboden. Ik kreeg helemaal niets. Het geld werd in ontvangst genomen, geteld en mee naar achteren genomen. De mevrouw haalde een papier tevoorschijn dat ik moest tekenen en dat was dat. Het bankafschrift zou ze sturen naar mijn postbus. Dat was het dus. Er was niets romantisch aan. Ik voelde me geen acteur in een spionage- of maffiafilm. Ik voelde helemaal niets, nou ja, ik voelde me een beetje opgelucht. Wat er nu ook zou gebeuren, dit geld was veilig. Stel dat ik opgepakt zou worden voor handel in verdovende middelen, na afloop van de celstraf zou ik naar Luxemburg gaan om daar mijn geld op te halen. Morgen het tweede deel van stap 3b. Stap 3b2 dus.

De geschiedenis herhaalt zich, nooit helemaal precies, maar toch herhaalt ze zich. De weg van Luxemburg naar Bazel was wat minder saai dan van Tilburg naar Luxemburg, maar saai genoeg om saai te zijn. Bazel zelf was wat bruisender dan Luxemburg, maar ook niet heel veel. Bazel was het Luxemburg van Zwitserland. Dat weet ik niet hoor, want ik was verder nog nooit in Zwitserland geweest, ik bazel dus maar wat. Een mens moet wat doen om de saaiheid van het autorijden tegen te gaan. Inmiddels ben ik wel vaker in Zwitserland geweest, vooral in Genève – mijn eerste indruk is altijd overeind gebleven: Zwitserland is saai en Bazel is Zwitserland. In Bazel nam ik hotel Der Teufelhof, vanwege de naam. Het is niet mijn bedoeling om reisadviezen te geven, maar als u nog een keer in Bazel moet overnachten, neem dan Der Teufelhof. In Bazel ondernam ik dezelfde procedure als in Luxemburg, met uitzondering van de aanschaf van een tas. Ik vulde de tas met enveloppen uit de postbus, ik kocht een fles wijn in de bar (een mooie Nuits-Saint-Georges), op de hotelkamer maakte ik mooie stapeltjes geld en daarna liep ik rustig naar de bank. Ook in Bazel werd ik niet met allerlei égards behandeld. Gewoon keurig netjes, dat wel. Ik vroeg me af hoeveel je moest komen brengen om wel als een vorst binnengehaald te worden. Van mijn tonnen in guldens was men niet onder de indruk. In het hotel besloot ik het duurste menu te nemen. Daar leerde ik van dat je altijd iets bij je moet hebben om je mee te vermaken. Het menu van negen gangen was heerlijk en langdurig. Ik zat me tussen de gangen door stierlijk te vervelen. Normaal heb je dan de tijd om met elkaar te praten. The Financial Times was niet mijn favoriete leesvoer, maar die avond heb ik hem van A tot Z gelezen. Sindsdien heb ik altijd een boek bij me, ook voor ’s avonds op de hotelkamer. Ik ben de afgelopen dertig jaar vaak in hotelkamers in Luxemburg en Bazel geweest en ik had dus heel wat boeken verslonden. Boeken over moordenaars waren mijn favoriet, dat had ik al verteld, geloof ik. Als je leest, hoef je niet te reizen, hoorde ik iemand eens zeggen. Het omgekeerde is eerder waar: als je reist, dan moet je veel lezen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 34. Overal en nergens

Hoofdstuk 33. Moeder en zoon

Op de uitvaart van mijn moeder was het druk, hoewel het volgens mij niet druk genoeg was. Zes weken geleden was er alvleesklierkanker gediagnosticeerd, begin januari. Ze had het aan niemand verteld, ineens was ze dood. Het was voor het eerst sinds een jaar of anderhalf dat ik Sjak zag. Hij knikte naar mij, ik knikte naar hem. Hij was een verslagen man. Zijn dochter dood, geen contact meer met de moeder van zijn dochter, zijn vrouw nu ook dood. Waarom hij nog leefde, was hem een raadsel. Die hele klassenstrijd was er niet van gekomen, het aantal mensen dat CPN stemde nam razendsnel af, net als het ledenbestand. Hij hoefde steeds minder adreswikkels te tikken voor de CPN Ledenkrant. Het leven van Sjak bestond nu alleen nog maar uit sjek en bier. Het was dus druk op de begrafenis. Er waren echter geen bekende Nederlanders: Nico Haak liet zich niet zien, Benny Neijman niet, Ramses Shaffy niet. Schrijvers waren er ook niet – die mensen had ik er allemaal graag bij gehad. Mijn moeder genoot van de contacten met de bekende mensen, het was heel jammer dat juist zij er niet waren. Wel veel mensen van de techniek, zo liet ik mij vertellen. Er waren decorbouwers, cameramannen, geluidsmannen, lichtmannen, kantinemedewerkers. Er werd muziek gedraaid. ‘The Cure,’ had ik gezegd, dat was ook meteen mijn enige bemoeienis met die hele uitvaart. ‘The Cure, want mijn moeder correspondeert met de zanger.’ Ik had niet voor durven stellen om ‘Killing an Arab’ te draaien, want dat zou al te vreemd zijn. Toch was het dat liedje waarmee de vriendschap tussen mijn moeder en Robert Smith begonnen was. Overigens was er een paar weken na de begrafenis een kaartje van Robert Smith in de bus gevallen met zijn condoleances, maar daar kwam ik pas achter na de dood van Sjak in 1990. De uitvaart was heel sober, niemand hield een toespraak. De uitvaartmevrouw sprak aan het begin een kort woordje, waarin ze iedereen welkom heette. Daarna klonk er muziek: Harry Belafonte, iets uit De Notenkraker en ‘A forest’ van The Cure. Iedereen liep langs de kist – een lange rij mensen. Ook heel veel mensen uit de buurt, veel vrouwen met wie ze graag sherry dronk. Er leek geen einde te komen aan die rij. Sommigen hadden een bloem bij zich, anderen niets. Het maakte me niks uit. Ik had geen emoties, ik voelde helemaal niets. Niet zo lang geleden zou ik zin hebben gehad in een vette joint, nu niet. Ik had nergens behoefte aan, nou ja, misschien aan een goed glas wijn.

            Na afloop van de dienst – die geen dienst was – verzamelde iedereen zich in de koffieruimte van het uitvaartcentrum. Het was er stampvol. Iedereen wilde mij een hand geven, ik wilde een glas wijn. Toen ik dat zachtjes zei, antwoordde er iemand dat hij daarvoor zou zorgen. Een paar tellen later stond ik met een glas goedkope zure bocht in de hand. De troost van de alcohol gold niet in het uitvaartcentrum. Een oudere vrouw die ik nog nooit gezien had, viel mij huilend om de nek. Een dikke meneer met een enorme mat in zijn nek gaf mij de stevigste hand die ooit iemand aan mij gegeven had. Een groepje kantinemedewerkers zei me dat ‘Ria zoveel over je verteld had. Ze was trots op je.’ Vreemd dat ik daar nooit iets van gemerkt had. Mijn glas wijn was leeg. Een vrouw van een jaar of 35 met een vrolijke jurk, en haar haar in twee blonde vlechten had een fles sherry van de bar gepakt en vulde mijn glas ermee. ‘Je moeder dronk graag sherry,’ zei ze. Dat zal wel, maar daarom hoefde ik het niet te drinken. ‘Je bent een mooie jongen,’ fluisterde ze me in mijn oor. ‘Als je behoefte hebt aan troost, dan kom je maar langs hoor.’ Ze wreef over mijn arm, waardoor er een golf sherry uit het glas klotste. Ik had geen idee wie die vrouw was, laat staan dat ik bij haar langs kon gaan voor troost. Ik had helemaal geen behoefte aan troost. Later, toen ik ging lezen, zou ik te weten komen dat Gerard Reve de term ‘vieze oude vrouw van boven de dertig’ gemunt had.

            Mijn vader was er niet. ‘Ik wil niets met Ria te maken hebben, ik ben thuis in TiKuKo en daar wil ik nooit meer weg. Alles leidt af van de kunst,’ had hij gezegd. Alsof die kutschilderijen van hem ooit kunst zouden zijn! Ik had mijn vader een paar honderd gulden gegeven, om materiaal aan te schaffen. Als ik zijn schilderijen tentoon wilde stellen, dan moesten er wel schilderijen zijn. Met die paar honderd gulden kon TiKuKo even vooruit. Daarmee konden ze bij Antoon de Jong verf en doeken kopen, en bij de Edah een paar kratten Pitt Bier. Ergens begreep ik mijn vader wel, een begrafenis is een soort mosterd na de maaltijd. Dood is dood, geen ritueel kan de dode terughalen, er zijn geen toverspreuken die de werkelijkheid kunnen veranderen, geen priester kan de onderwereld in om met de doden te praten. Er zijn geen goden en helden. Dood is dood, zo simpel is het uiteindelijk wel. Ik ging weg, ik wilde niet blijven tot het einde. Dan zat ik met Sjak opgescheept en daar had ik geen zin in. Sjak kon wat mij betreft doodvallen – iets wat hij inderdaad niet eens zo heel veel later zou doen.             Ik had nog meer te doen vandaag. Er lagen grote stapels enveloppen met honderdduizenden guldens in de bagageruimte van mijn Golfje. Geadresseerd aan de postbussen in Luxemburg en Bazel. Ik zou langs een paar steden gaan om de enveloppen op de bus te doen. Eerst Utrecht, dan Den Bosch en via Eindhoven weer terug naar Tilburg. De enveloppen moesten zo veel mogelijk verspreid aangeboden worden aan de PTT, zodat ze zo verspreid mogelijk naar het buitenland vervoerd zouden worden. Het briefgeheim woog zwaar en de politie moest extreem goede aanwijzingen hebben om enveloppen open te maken. Een van die aanwijzingen zou kunnen zijn dat er een hele stapel enveloppen met dezelfde adressen in dezelfde brievenbus zat. Dat zou raar zijn. Vandaar dat ik mijn best deed om de enveloppen zo veel mogelijk te verspreiden over allerlei brievenbussen. Het kon wel een week duren voor ik een paar ton verstuurd had. In de tussentijd had Carlos voor veel geld coke verkocht en dat geld moest dan ook weer verstuurd worden. ’s Avonds ging ik met Carlos mee langs de plaatsen waar we onze waar af konden zetten en overdag hielp Carlos mij om het geld in de enveloppen te doen, de adressen erop te schrijven, postzegels te plakken en hij hielp me om de enveloppen in de brievenbussen te gooien. We kochten grootverpakkingen poedersuiker bij de Makro en we kochten zo veel mogelijk verspreid zo veel mogelijk paracetamol om de binnengekomen coke te versnijden. We hadden een druk bestaan.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 33. Moeder en zoon

Hoofdstuk 32. Misdaad en straf

Hoewel ik helemaal geen familiemens ben, vond ik het tijd om mijn vader eens te bezoeken. Hij was nog nooit bij mij op visite geweest, belangstelling van zijn kant was nul. Ik had TiKuKo echter nodig voor de uitvoering van mijn plan. Carlos moest eraan en ik moest rijk worden. Voor het eerste deel had ik mijn vader niet nodig, dat moest ik helemaal zelf doen. Voor het tweede deel had ik hem heel erg nodig. Ik parkeerde mijn auto voor het boerderijtje. De twee caravans stonden er nog steeds, ze zagen er vervallen uit. Achterstallig onderhoud doet een caravan niet goed. Ook het boerderijtje kon enige opknapbeurten gebruiken. De bewoners hielden zich liever bezig met het schilderen van schilderijen dan van kozijnen. Ik toeterde en stapte uit. Was er wel iemand thuis? Een man stond op, zag ik toen ik naar binnen keek, en liep naar de deur. Ik zwaaide naar de man. Het was Geert.

            ‘Geert,’ zei ik, ‘hoe gaat het met je.’

            Geert moest daar even over nadenken. Hij wreef over zijn leren broek, krabde op zijn hoofd, hij stak zijn wijsvinger op en zei: ‘Goed.’ Het was voor het eerst dat ik begreep wat Geert zei. Dat duurde niet lang, want Geert vervolgde met: ‘Van het gebaar, van de mimiek, van het niet-bewuste, van het onopzettelijke, van de indicatie in het algemeen, ja, de mogelijkheid ze soms te hernemen en in een discursief en opzettelijk commentaar te expliciteren, onderstreept alleen maar het belang van voorgaande onderscheidingen.’

            ‘Geert,’ ik poogde hem te onderbreken, ‘ik zwaaide gewoon naar je. Het was geen gebaar.’

Geert liet zich niet de mond snoeren: ‘Door deze interpretatie laat een latente expressie, een willen-zeggen dat zich nog op de op de achtergrond hield, zich “horen en verstaan”. De niet-expressieve tekens willen slechts zeggen voor zover men ze ertoe kan brengen uit te zeggen wat in hen murmelde en zich in een soort gestamel ophield.’

‘Is mijn vader er ook?’

Geert wees naar de linker caravan en vervolgde zijn betoog: ‘De gebaren willen slechts zeggen voor zover men ze beluisteren, ze interpreteren kan. De essentie van taal is haar telos en haar telos is het wils-bewustzijn in de vorm van het willen-zeggen. De indicatieve sfeer die buiten de aldus omschreven expressiviteit valt, bakent de mislukking van dit telos af. Zij vertegenwoordigt alles wat, hoewel het zich met de expressie ineenstrengelt, toch niet hernomen kan worden in een opzettelijk en van het willen-zeggen doordrongen discours.’

Halverwege was ik al weggelopen naar de caravan die Geert aangewezen had. Daar klopte ik op de deur.

‘Ja?’ Het was de stem van mijn vader.

‘Ik ben het.’

Er klonk wat geschuifel voor het deurtje van de caravan openging, een walm van mufheid kwam naar buiten. Mijn vader zag er verfomfaaid uit, zijn haar was door de war en hij had een trainingsjackje aan en een joggingbroek. ‘Hoe is het ermee?’ vroeg hij. Hij stapte naar buiten.

‘Goed,’ antwoordde ik. ‘Heel goed. En met jou?’

‘Ook goed. Of beter: niet goed. Trudy is zeer bedroefd over de dood van Moniek. Wij allemaal natuurlijk. Trudy woont nu op de zolder van het boerderijtje en ze schildert alleen nog maar zwarte stippen op beige vlakken. Dat is haar rouwverwerking.’

‘Goh, wat vervelend.’ Wat moet je zeggen op zo’n moment?

‘Financieel gaat het ook niet goed. De BKR is afgeschaft. We zitten nu in de bijstand en dat is helemaal geen vetpot. Niet dat we van die BKR rijk werden… Het is armoe troef op dit moment. We kunnen ons slechts het goedkoopste bier veroorloven. En jij? Hoe gaat het met jou?’

‘Met mij gaat het goed. Daar kom ik juist voor. Ik verhuur repetitieruimte aan bandjes.’

‘O!’ riep mijn vader uit, ‘dat kunnen we hier ook doen. Wij hebben ruimte zat. Het punt is dat als er een band wil spelen dat we daar dan niks voor vragen.’

‘Ik vraag daar wel wat voor. Het is echter tijd voor mij om door te pakken, om de ruimte die ik heb beter te gelde te maken. Daar heb ik jullie hulp voor nodig.’

‘Wacht even, want zodra ik het woord “hulp” hoor, schakel ik een tandje terug.’ Hij ging de caravan binnen en kwam terug met twee flesjes lauw bier. Pitt Bier.

‘Proost,’ zei hij. ‘Hulp dus.’

‘Repetitieruimte verhuren levert weinig op. Ik wil de ruimte ombouwen tot kunstgalerie. Dat ombouwen lukt natuurlijk wel. Het is daarna zaak om de galerie vol te hangen met schilderijen. Jullie maken schilderijen. Als ik nou eens jullie kunst ga verkopen?’

Mijn vader dronk een paar slokken bier. ‘Nee, dat wordt niks. Nee, ik denk niet dat het iets wordt. En dan?’

‘En dan?’ reageerde ik verbaasd. ‘En dan? Dan verkoop ik jullie schilderijen en dan hebben jullie geld om van te leven.’

‘De BKR!’ riep mijn vader.

‘De BKR,’ zei ik.

‘Dan word jij onze Beeldende Kunstregeling!’

‘Ja, daar komt het wel op neer.’

‘Ik vind het nu al een goed plan.’ Het wereldrecord van-gedachten-veranderen staat op naam van mijn vader. ‘Kunnen we aan de slag?’

‘Ho ho ho, niet zo snel. Ik ben hier om te peilen of jullie mee willen werken. Ik heb nu van jou gehoord dat je meedoet, maar hoe zit het met de anderen? Wat wil Trudy?’

‘Trudy wil voorlopig zwarte stippen op beige vlakken schilderen. Als we het voor elkaar krijgen dat ze dat kan blijven doen, dan is het goed. Trudy gaat akkoord. Wil je nog een bier?’

‘Waarom niet?’ Pitt Bier is smerig en lauwwarm Pitt Bier is goor. Ik zat er voor een hoger doel, ik moest nu niet de mensen tegen de haren in gaan strijken. Mijn vader ging zijn caravan weer in en kwam terug met twee bier.

‘Proost.’

‘En Geert?’

‘Dat kunnen we aan Geert vragen. Ik zal hem er eens bij roepen.’

‘Dat hoeft nu niet per se, hoor. Je kunt het hem ook vragen als ik weer weg ben.’

‘Geert!’ riep mijn vader. ‘Geert! Kom eens hierheen!’

Geert zat al die tijd in de deuropening van zijn caravan te genieten van het herfstzonnetje dat tussen de bomen naar beneden scheen. Hij stond op en kwam onze kant uit.

‘Bas begint een kunstgalerie. Zou jij zin hebben om daar te exposeren?’

Geert trok een blij gezicht en hij begon gebaren te maken alsof hij een schilderij maakte. Ineens stopte hij daarmee, wees naar mijn vader en zei: ‘De expressie als teken dat wil-zeggen is dus een tweevoudig uit zichzelf treden van de zin op zich en dit gebeurt in het bewustzijn zelf, in het met-zichzelf of bij-zichzelf. Later, na de ontdekking van de transcendentale reductie zullen we de tekens kunnen omschrijven als een noëtisch-noëmatische sfeer van het bewustzijn. Als wij, met het oog op meer klaarheid, bemerken hoe de “improductieve” laag van de expressie elke andere intentionaliteit zowel naar vorm als naar inhoud weerspiegelt, in een spiegel “reflecteert”.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 32. Misdaad en straf

Hoofdstuk 31. Mensenhaat en berouw

Carlos en ik hadden afgesproken om niet een luxeleven te leiden. We wilden niet de aandacht trekken, dus voor ons geen Ferrari en Armani. Ik had niet eens een rijbewijs, hetgeen bijzonder onhandig was. Het geld dat we verdienden spaarden we. Er kwam een moment voor de grote klapper, zo zeiden we. Twee jonge mannen met heel veel geld, dat kon natuurlijk niet. Ik had een plan om het geld weg te sluizen en wit te wassen. Carlos was ervan onder de indruk. Stap 1 van het plan: rijbewijs halen. Zonder rijbewijs geen auto, zonder auto geen mogelijkheid om het geld het land uit te krijgen. Tijd voor rijles. En niet een uur per week, maar iedere dag. Dat ging prima. Ik blowde al een tijdje niet meer, ik nam nooit iets van de coke en ik wist mij in te houden met de drank. ’s Avonds zat ik op mijn kamer dure wijn te drinken. Carlos en ik deden niet aan uiterlijk vertoon, hoewel het geld in onze handen brandde. Ik had zakken vol geld onder mijn bed en ik zat op bed met een glas Pouilly-Fuissé in de hand, of een glas Pomerol. Geld voor een duur pak was verboden, enkele tientjes voor een fles wijn was geen probleem. Of tweehonderd gulden voor een fles Saint-Émilion. Dat rijbewijs kwam er, in een keer geslaagd. Ik kocht een tweedehands Golf, contant afgerekend.

Tijd voor stap 2 van het plan: het buitenland. Carlos had de opdracht om de handel door te laten gaan. Hij had de muziekscene inmiddels in handen en de MDKLNKRT. Ik vond het grappig, toen ik hoorde dat er tweespalt heerste in de MDKLNKRT. De ene gang werd bevolkt door blowers en de andere door snuivers. Stop met ruziemaken, jongens en meisjes, gewoon allemaal aan de coke. Carlos leverde aan de deur, ik leverde in Luxemburg. Carlos leverde coke, ik geld. In Luxemburg opende ik een zakelijke bankrekening onder de naam ‘Campanile’ bij de Banque et Caisse de Luxembourg en ik huurde een postbus op het postkantoor. Daarna reed ik door naar Bazel. Daar liep ik binnen bij de Müller & Holstein Bank om ook daar een bankrekening te openen. Ook in het Bazelse postkantoor nam ik een postbus. Stap 2 was klaar. Drie dagen later was ik weer in Tilburg.

Ik liep onze winkel binnen om Carlos het goede nieuws te vertellen, tot mijn verbazing trof ik drie muzikanten aan die Nederlandstalige muziek aan het spelen waren. The New Four, dacht ik grimlachend.

‘Wat is dit?’ riep ik uit. De muziek stopte.

‘Wij repeteren hier,’ zei de accordeonist.

‘Waar is Carlos?’ vroeg ik.

‘Boven.’

Ik stormde de trap op. ‘Carlos!’ riep ik.

Boven zat Carlos in een comfortabele fauteuil. Ik had de neiging om hem aan te vliegen, om zijn keel dicht te knijpen en om zijn kop tegen de muur kapot te beuken. Ik hield me in, ik deed niets. Ik ademde in door mijn neus, haalde mijn schouders op en vroeg rustig: ‘Carlos, wat is er aan de hand?’

‘Berend kwam langs om de huur op te halen. Gewoon zoals altijd. Hij keek echter rond en ik zag dat hij het vreemd vond.’

‘Wat vond hij vreemd?’

‘Ik betaal iedere maand de huur en er is geen activiteit. Hoe betaal ik de huur? Ik zag hem denken: “Waarvan betaalt Carlos de huur?” En dat snap ik wel.’

‘Inkomsten genereren is onderdeel van het plan, dat komt nog.’

‘Te laat, we betalen al lang huur en we hebben al lang geen inkomsten voor de buitenwereld. Berend neemt de huur in ontvangst, maar hij vertrouwt het niet. Toen dacht ik dat we ons pand konden gebruiken als repetitieruimte. Dat is een duidelijk verhaal. Mensen zien de musici in- en uitlopen, ze horen de repetities. Kortom: hier vindt bedrijvigheid plaats.’

‘Okee, voorlopig ga ik akkoord. Om een muzikale term te gebruiken. Op de langere termijn stopt dit en treedt mijn plan in werking.’

‘Afgesproken,’ zei Carlos. ‘Hoe ging het in Luxemburg en Zwitserland?’

‘Goed. We hebben er bankrekeningen en postbussen. Tijd voor de volgende stap.’ Ik hoorde het bandje beneden ‘Meisje, ik ben een zeeman’ spelen. Godverdomme, dat is een liedje van The New Four! Niet te geloven, je denkt aan iets en het volgende moment is het werkelijkheid geworden.

‘Ik heb wat voor je,’ zei Carlos. Hij opende een campingkoelkastje en haalde er een fles champagne uit. ‘Taittinger, dat drinkt James Bond ook altijd.’

‘Lekker,’ zei ik.

Carlos pakte twee bierglazen uit de kast.

‘Hahaha! Bierglazen! Wat ben je toch ook een boerenlul.’

‘Ik was vergeten champagneglazen te kopen. Een glas is een glas.’ Carlos liet de kurk knallen en schonk de glazen vol. ‘Proost.’

‘Proost Carlos, op je gezondheid.’ Ik kon zijn aanwezigheid niet meer aan, met walging keek ik toe hoe hij het glas achteroversloeg. Zijn dagen waren geteld. Zwijgend dronken we de rest van de fles leeg. Het bandje beneden speelde ‘Kiddy kiddy kiss me’ van Highway. Mijn weerzin en afkeer nam enorme vormen aan. Tijd voor actie, tijd voor stap 3. ‘Ik ga weer naar huis, om stap 3 uit te voeren.’ Eenmaal buiten genoot ik van de frisse lucht, daar ademde ik vrij. Bij het postkantoor op het Besterdplein kocht ik een stapeltje enveloppen en de krant. Thuis op mijn kamer opende ik een fles Amarone. Heerlijk. Ik trok een tas met geld onder mijn bed vandaan. Tienduizenden guldens… Ik scheurde een blad uit de krant, vouwde er een stapeltje briefjes in en stopte het in een envelop. Dat zag er goed uit, alsof het een dikke brief was. Ja, zo moest het dus. Ik zette de spullen op het bureau en ik ging aan de slag. Na een half uur had ik een flinke stapel gevulde enveloppen liggen. De ene helft adresseerde ik aan mijn postbus in Luxemburg, de andere helft aan mijn postbus in Bazel. Morgen zou ik een rondje postkantoortjes doen en in ieder postkantoor een envelop naar Luxemburg en een envelop naar Bazel op de bus doen. De kans dat de enveloppen geopend zouden worden, was klein. Mijn postbussen zouden zich vullen met enveloppen met inhoud. Ik hoefde er slechts naar toe te rijden om het geld naar de bank te brengen. Dat was stap 3, geld wegsluizen naar het buitenland. Tevreden ging ik op bed liggen. De dood van Carlos was weer een stapje dichterbij gekomen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 31. Mensenhaat en berouw

Hoofdstuk 30. Marx en Lenin

Een bedrijfspand dus. Voor mijn plan had ik een bedrijfspand nodig. Ik wandelde door de buurt waar ik woonde en kwam als vanzelf op de Besterdring, een soort winkelstraat net buiten het centrum. Zo’n winkelstraat waar niemand meer winkelt, met een kasregisterwinkel, een naaimachinewinkel, een grotematenwinkel, een supermarkt – dat soort werk. Daar paste een cocaïnewinkel mooi tussen. Ik was al door de Enschotsestraat gelopen, maar dat was veel meer een woonstraat. De Besterdring leek me een veel geschiktere straat. Nummer 147. Aha! Nummer 147 was een klein leegstaand winkelpandje. Dat was mooi zeg. Ik keek naar binnen en zag een lege ruimte die vrij ver naar achteren doorliep, een pijpenla. Ik deed een paar stappen achteruit om de bovenverdieping te zien. Die zag er ook onbewoond uit. Dat moest ik hebben. Ik noteerde het telefoonnummer dat op het bord met Te huur stond.

            Thuis mocht ik de telefoon van Gerda gebruiken om de verhuurder te bellen. Ik kon die middag nog met hem afspreken in het pand. De deal was snel beklonken, ik ging het pand huren. We maakten een afspraak voor de volgende dag, dan zou hij het huurcontract meenemen en ik mijn zakenpartner en het geld voor de eerste huurtermijn.

            ‘Wat voor winkel gaat u runnen?’ vroeg de verhuurder die zich had voorgesteld als Berend.

            ‘Een galerie,’ antwoordde ik. ‘Een galerie met beeldende kunst.’

            ‘Dat is een mooie toevoeging aan deze straat,’ zei Berend. ‘De straat is een beetje aan het verloederen, helaas. Die verloedering moeten we tegengaan. Een galerie helpt daarbij. Het is een goed idee, zo’n galerie.’

            ‘We willen van Tilburg een echte kunststad maken,’ zei ik. ‘Er is veel muziek in Tilburg, maar er is wat ons betreft te weinig beeldende kunst.’

            ‘Zelf heb ik niet zo veel met kunst. Toch vind ik een winkelstraat met een galerie meteen meer cachet hebben dan zonder.’

            ‘Kunst kleurt het leven,’ zei ik, ik stond versteld van mijn praatjes. Ik had zelf ook helemaal niets met beeldende kunst. ‘We willen er een mooie winkel van maken, het zal dus wel even duren voor we echt kunnen starten. Het pand moet grondig verbouwd worden. Alles moet strak in de lak komen. Kan ik nog een beroep doen op de verhuurder?’

            ‘Niet voor zover het de binnenkant betreft. Het buitenwerk… daarover kunnen we wel eens praten.’

            ‘Ik denk bijvoorbeeld aan de kozijnen, die zien er niet uitnodigend uit. Ook de voordeur mag vernieuwd worden. Door de voordeur komen de klanten binnen en als die voordeur er haveloos uitziet, dan denk ik niet dat we daarmee klanten lokken.’

            ‘Ik kan niets toezeggen, behalve dat we er eens over kunnen praten als het contract getekend is.’ Met Berend was het goed zaken doen, hij vroeg een normale huurprijs en twee maanden later had hij ervoor gezorgd dat alle kozijnen netjes afgelakt waren en dat we een nieuwe voordeur hadden. Een mooie, stevige winkeldeur. Aan de binnenkant deed hij helemaal niets – wij ook niet. Wij hadden onze handen vol aan het opzetten van de cokehandel in Tilburg en omstreken.

            De volgende haalde ik Carlos van het station. Bepakt en bezakt stond hij op me te wachten op het afgesproken tijdstip, hij had twee treinen eerder genomen, zodat hij zeker wist dat hij op tijd was. Hij had een schoon verband op zijn oor en een soort hard plastic kokertje op zijn neus.

            ‘Heb je de handelswaar?’ vroeg ik.

            ‘Twee kilo puur,’ antwoordde hij. ‘Dat kunnen we versnijden tot minstens het dubbele.’

            ‘Geld?’

            ‘Tienduizend.’

            ‘Tienduizend?’

            ‘Ik heb hier en daar wat druk gezet. Vooruit laten betalen en zo. En nu?’

            ‘Nu lopen we naar je nieuwe woning.’

            ‘Ik ben benieuwd.’

            ‘Ik ook.’

            ‘Heb je al iets gehoord van de begrafenis van Moniek?’

            ‘Nee.’ Dat was een leugen. Er was gisteren een rouwkaart in de bus gevallen met de datum en het tijdstip van de begrafenis. Ik had besloten om er niet heen te gaan. Moniek kwam er niet door terug, bovendien had ik de tijd nodig om mijn plan uit te voeren. Ik moest nu dingen regelen om uiteindelijk wraak te kunnen nemen. De langetermijnplanning ging voor de korte.

            We troffen Berend in het pandje. Na nog een keer rondgeleid te zijn, tekende Carlos het huurcontract en rekende hij de eerste twee maanden huur contant af. Carlos was winkelier geworden.

            ‘We moeten aan het werk,’ zei ik. ‘We moeten klanten werven. Dat kun jij goed. Jij hebt het spul en jij komt snel te weten waar je afnemers zitten. Jij ruikt dat.’

            ‘Zij ruiken mij. Geef me een week en ik heb alle duistere kroegen van Tilburg gevonden. Ik heb nu nodig: een keukenmachine, een paar bussen poedersuiker en een heleboel strips paracetamol.’ De taken werden verdeeld, ik ging naar de V&D om een keukenmachine te kopen en naar de supermarkt voor tien bussen poedersuiker, Carlos ging langs diverse drogisten om paracetamol in te slaan. Toen we alles hadden gooiden we het in de keukenmachine om het te vermalen tot een mooie verkoopbare mix. Carlos blies zijn luchtbed op en installeerde zich op een van de kamers boven. Ik ging terug naar de Madeliefstraat. Alles liep goed, het slachtoffer was op de juiste plaats.

            De volgende dag gingen we naar de Leen Bakker om wat meubels aan te schaffen, gordijnen, handdoeken en dat soort dingen, zodat Carlos ook echt kon wonen. Dat was echter allemaal van minder belang. Belangrijker was dat we klanten kregen, luxe zou later wel komen. Carlos waande zich nu al een koning; dat was goed, dat gevoel moest hij inderdaad hebben. ’s Avonds ging hij de kroegen af en redelijk snel wist hij waar hij moest zijn. Aan het Rode Fietspad zat een kroeg waar men interesse had in de handelswaar, schuin tegenover Weemoed zat er eentje en een aan de Veldhovenring. Geen slechte score na drie dagen. Binnen twee weken had Carlos de helft van zijn coke verkocht.

            ‘We moeten nieuwe coke inslaan,’ zei ik. ‘We moeten blijven leveren, als we stilvallen, neemt een ander het over.’

            ‘Ik heb al gebeld met Colombia,’ zei Carlos. ‘Eergisteren. Er is nieuw spul onderweg.’

            ‘De volgende keer wil ik met je mee als je belt.’

            ‘En als ik verkoop. De sfeer is gemoedelijk. De ervaring leert dat cokesnuivers op den duur agressief kunnen worden. We moeten dit met twee man doen.’

            Binnen een paar maanden hadden we de hele cokemarkt van Tilburg in handen. We leverden topkwaliteit en we leverden met regelmaat. Ik leerde snel genoeg Spaans om zelf met ‘Colombia’ te bellen – steeds vanuit een andere telefooncel. De keukenmachine maakte overuren. Het geld kwam met bakken tegelijk naar binnen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 30. Marx en Lenin

Hoofdstuk 29. Man en paard

‘Hoe is het met Moniek?’ vroeg ik.

            Carlos schoot omhoog, zijn stoel viel om achter hem. ‘Weet je het dan niet?’

            ‘Wat?’

            ‘Ze is dood.’

            ‘Niet!’

            ‘Ja. Gecondoleerd.’ Carlos stak zijn hand uit. Ik pakte zijn hand, trok hem naar me toe en gaf hem een kopstoot. Carlos vloog daardoor achteruit, struikelde over zijn stoel en viel op de grond. ‘Auwww,’ schreeuwde hij. ‘Mijn neus. Aaargh, mijn neus!’ Hij kronkelde over de vloer. Het meisje achter de bar kwam naar ons toegerend.

            ‘Weg!’ riep ik naar haar. ‘Terug naar je bar!’

            Carlos gebaarde dat ze terug moest, hij hijgde een paar keer. ‘Terug, terug. Het is al goed, ga maar terug.’

            Moniek was dus dood. Twee dagen eerder aan een overdosis overleden. ‘Je wist dat dus nog niet,’ zei Carlos, toen hij weer een beetje bijgekomen was. ‘Een overdosis. Niet hierboven. Ze is gevonden bij Station Amstel. Geen idee wat ze daar deed. Mijn neus, jongen, je hebt mijn neus gebroken.’

            ‘Dat is dan je verdiende loon.’

            ‘Ze moeten me wel hebben deze week.’ Hij wees naar zijn rechteroor, het viel me nu pas op dat dat oor in het verband zat.

            ‘Omdat je een inhalige klootzak bent. Of niet soms? Ik krijg nog geld van je, van die zak wiet. Ik denk niet dat je dat nu aan me geeft.’

            ‘Ik heb geen geld meer. Al het geld is opgegaan aan het bruin voor Moniek.’

            ‘Dan weet ik hoe ze aan die overdosis is gekomen.’

            ‘Ik heb goed voor haar gezorgd, ze was verslaafd. Ik zorgde voor haar. Dat ze haar stuf kreeg en zo.’

            ‘Wat is er met je oor?’

            ‘Het is oorlog hier in Amsterdam. Ik heb deze week bezoek gehad van De Dominee.’

            ‘De dominee. Juist. En wie of wat is die dominee?’

            ‘De Dominee is een grote jongen hier in de cokehandel. Een heel grote jongen. Hij is de koning van de coke. Auw, godverdomme, mijn neus. Mijn oor. Godverdegodver.’

            ‘En wat moest hij van je?’

            ‘Hij wil mij weghebben. Dat kwam hij me vertellen.’

            ‘Wie is dat dan? Waarom is hij een dominee?’

            ‘Dat is zijn bijnaam, hij is altijd in het zwart gekleed en hij preekt altijd. Tegen mij ook.’

            ‘Zo. Dat is me wat.’ Ik vond het een raar verhaal, een dominee die de koning van de coke is. Wat probeerde Carlos me op de mouw te spelden? Wat speelde hier werkelijk?

            ‘Een heel verhaal had hij, weet je. “Je moet ruimte maken, ruimte in Amsterdam voor een goede doorvaart van de handel,” dat zei hij. “Amsterdam is groot geworden van de handel, dat ga jij niet tegenhouden in je kleine uppie.” Toen pakte hij me bij mijn oor en tilde me op. Zo is mijn oor ingescheurd.’ Voorzichtig begon hij het verband los te peuteren. ‘Claudia!’ riep hij naar het meisje achter de bar. ‘Claudia, kom bier brengen. Met jenever. Een hele fles.’ Het verband zat met pleisters vastgeplakt die deels aan zijn haar zaten. ‘Claudia, kom hier en help me.’

            ‘Moet ik nu bier tappen of je komen helpen?’ riep Claudia terug.

            ‘Hier hier hier! Eerst helpen. Maak het verband los.’ Claudia begon aan het verband te frunniken.

            ‘Auw! Mijn haar.’

            ‘Stil zitten jij, anders doet het nog meer pijn.’ Uiteindelijk was het verband eraf. Ik zag een soort bloederige klont onder het oor.

            ‘Kijk,’ zei Claudia en ze wees naar het oor ‘het is netjes gehecht, op de Eerste Hulp van het OLVG.’

            ‘Misschien kun je terug om je neus in het gips te zetten,’ zei ik.

            ‘Ik wil eerst wat drinken. Claudia, zou je een paar biertjes kunnen tappen en zou je de fles jonge klare kunnen brengen?’

            ‘Wat vraag je dat lief,’ zei Claudia. Ze draaide zich naar mij en zei: ‘Dat doet hij anders nooit hoor.’ Claudia liep heupwiegend naar de bar, alsof ze dankzij haar vrouwelijkheid een grootse overwinning had behaald. Zo lang Carlos pijn had, kon zij hem de baas.

            ‘Die dominee, hè?’

            ‘Nee nee, het is niet díe dominee, het is Dé Dominee.’

            ‘Okee, De Dominee. Die De Dominee dus. Die is de koning van de coke hier. En wat maakt jou dan?’

            ‘Een kleine jongen, denk ik. Hij trok mijn oor er half af, ik niet het zijne.’ Claudia zette twee vaasjes en een fles jonge op tafel. ‘Dank je. Ik ben een kleine jongen. Ik huur hier deze tent en ik heb mijn vaste klanten. Ik importeer goede coke, jongen. Betere coke dan die van De Dominee, maar ja, daar gaat het niet om. Het gaat erom de markt in handen te krijgen. Natuurlijk mag ik van De Dominee hier blijven zitten om coke te verkopen. Zolang het zijn coke is. Zo werkt dat dus. Ik moet zijn troep afnemen om het door te verkopen aan mijn klanten. Die willen het dus niet meer, want het is niet de Carloskwaliteit die ze gewend waren.’ Carlos schroefde de dop van de jeneverfles en schonk – klok klok klok – een flinke scheut in zijn glas bier. ‘Jij ook?’

            ‘Doe maar.’ Klok klok klok.

            ‘Proost.’

            ‘Op je gezondheid, klootzak.’ Zwijgend dronken we het bier. Toen de glazen leeg waren, kregen we nieuwe van Claudia. Carlos vulde ze bij met jenever, zodat het schuim over de rand stroomde. ‘Kun jij niet de keizer van de coke worden?’

            ‘Nee, De Dominee heeft alles in handen en hij heeft gewapende jongens. Ik heb geluk gehad met mijn oor. Heel veel geluk, De Dominee was in een goede bui.’

            ‘Dat ga je dus niet redden zo.’

            ‘Ik vrees het niet nee.’

            ‘Dan heb ik iets voor je,’ zei ik. In mijn hoofd had zich een plan vastgezet. Ineens. Het was helder in mijn hoofd, ondanks het bier en de jenever. Het was een wreed plan, een plan waarmee ik rijk zou worden. In één teug dronk ik mijn glas leeg. ‘Claudia! Mogen wij nog een paar grote vazen bier?’

            ‘Wat heb je voor me?’ vroeg Carlos.

            ‘Eerst een biercocktail. Ik moet er nog een paar seconden over nadenken. Het moet zich nog wat verder vormen.’ Claudia zette twee glazen op tafel, Carlos schonk de jenever erin. Ik boog voorover en fluisterde: ‘Dit is het plan. Jij komt mee naar Tilburg. Als je niet geknecht wilt worden in Amsterdam, dan kun je de koning worden in Tilburg. Kom mee naar Tilburg en we gaan daar samen verder in de handel. Zeg tegen niemand iets. Je houdt je kop, anders scheur ik je oor er helemaal af. En je andere oor ook. Maar samen kunnen we Tilburg innemen.’

            Carlos leunde achterover. ‘Hier moet ik even over nadenken,’ zei hij.             ‘Neem de tijd. Je hebt alle tijd. Je hebt de tijd totdat De Dominee weer verschijnt. Hij maakt je af. Of je wordt zijn knecht. Dan maakt hij je uiteindelijk ook wel af. Je gaat eraan, Carlos. Proost, op je gezondheid.’ Ik pakte het glas bier en dronk het leeg. ‘Over drie dagen meld jij je op het station Tilburg. Op dit tijdstip. Neem je koffer met kleren mee, een slaapzak, een luchtbed, de handelswaar en heel veel geld. Zoveel geld als je los kunt peuteren, biets overal geld. We kunnen iedere gulden gebruiken.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 29. Man en paard

Hoofdstuk 28. Man en muis

Het gedicht eindigde met iets als ‘…en tien vaten bier!’ Er klonk een luid gejuich en applaus. Waar het gedicht over ging, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het niet lang duurde en best grappig was. Een gedicht over bier doet het altijd goed in een café, in ieder geval beter dan een gedicht over een man die op zijn bruiloft wordt doodgestoken door de bruid. Hoewel, als dit met het taartmes gebeurt, dan is het ook wel weer grappig genoeg om voor te dragen in een vrolijke omgeving. De bruid maakte het uit en sneed het taartmes door zijn huid. Het mes kwam in zijn hart en toen werd alles zwart. Ik kan maar beter geen gedichten schrijven. Het schrijven van deze mémoires vind ik al lastig zat en dan hoef ik slechts op te schrijven wat er daadwerkelijk is gebeurd. Ik hoef niet eens mijn fantasie te gebruiken om dingen te verzinnen. Ik lees graag en best veel ook, fictie en non-fictie. Boeken helpen mij om de wereld om mij heen te duiden, door boeken te lezen krijg ik grip op de wereld en leer ik hoe andere mensen denken en wat andere mensen voelen. Dat valt niet mee, zelf voel ik meestal niets. Daarom kan ik ook geen gedichten schrijven, of een roman. Ik kan mij wel dingen herinneren, daarmee moet ik het doen. Daarmee schrijf ik nu dit boek. Mijn herinneringen zijn waar, en wanneer ik iets niet zeker weet, of wanneer ik iets vergeten ben, dan ben ik daar eerlijk in. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden, of een uitgebreide agenda. Ik kan niet teruggrijpen op wat ik eerder geschreven heb. Behalve een boodschappenlijstje heb ik nog nooit iets geschreven, maar ik moet zeggen dat het mij nu niet moeilijk af gaat. Dat komt door de eerlijkheid. Ik heb beloofd om eerlijk alles op te schrijven, het hele verhaal, het volledige verhaal. De waarheid en niets dan de waarheid – zoals ze zeggen in Amerikaanse rechtbankfilms. Ik hoef niets te verzinnen, ik hoef slechts op te schrijven zoals het gebeurd is. Het is tijd voor de volgende episode. Ik was van plan om de moord op Carlos te verklaren aan de hand van mijn slechte jeugd. Het zit ingewikkelder in elkaar. Door de desinteresse en tegenwerking van mijn ouders en stiefvader was ik niet meer de beloftevolle gymnasiast, niet iedere ex-gymnasiast pleegt op zijn twintigste een moord.

            Ik bestelde nog een Duvel. Martijn zette een flesje naast mijn glas. ‘Het is de gewoonte dat je hetzelfde glas houdt,’ zei hij nadat hij mijn verbaasde blik zag. ‘Tenzij je echt graag wilt dat ik je glas omspoel. Dat doe ik dan… zo hoort het niet.’

            ‘Doe dan maar niet. Ik wil graag doen zoals het hoort.’ Ik schonk de Duvel in het glas, maar het leek alsof er slechts schuim uit het flesje kwam. Ik had een glas vol schuim.

            ‘Glas schuin houden en rustig schenken,’ zei Martijn. ‘Ik heb het je een keer voorgedaan, je hebt dus niet goed opgelet. De volgende keer moet je beter opletten. Laat dat een les voor je zijn. Heb geduld, het schuim trek heus wel weg. Dan kun je rustig het bier inschenken.’ Dat was inderdaad het geval. ‘Zie je? Ik heb altijd gelijk. Die dichter van zojuist, dat is Jasper Mikkers. Hij is de beste dichter van Tilburg.’

            ‘Is het moeilijk om de beste dichter van Tilburg te zijn?’

            ‘Nee, helemaal niet. Hij is ook min of meer de enige dichter in Tilburg.’

            ‘Dan ben je al snel de beste.’

            ‘Dan ben je al héél snel de beste! Er zijn behoorlijk wat muzikanten in Tilburg, Tilburg is een echte muziekstad. Om de beste muzikant van Tilburg te worden, moet je heel goed zijn. Dichters hebben we niet zo veel. Weet je, de dichtbundels van Jasper worden uitgegeven in Amsterdam en toch blijft hij in Tilburg wonen.’

            ‘Uit bescheidenheid?’ vroeg ik.

            ‘Uit pure ijdelheid,’ antwoordde Martijn. ‘Jasper is een ijdele man. Als hij naar Amsterdam verhuist, dan is hij daar een van de vele dichters. Amsterdam zit vol schrijvers en dichters, dus wat voeg je eraan toe door naar Amsterdam te verhuizen? Helemaal niets.’ Martijn stopte met praten om zijn werk te doen. Jasper Mikkers werd na zijn gedicht door diverse mensen op bier getrakteerd en ook de dunne wat oudere mevrouw aan het tafeltje onder de klok kreeg van verschillende mensen een glas wijn. Ze had nu vijf glazen witte wijn voor haar neus staan. De twee studentes – waarschijnlijk van de kunstacademie of zo, want ze zagen er kunstzinnig uit met hun opgestoken haren en paarse lippenstift – bestelden rode wijn. De grote man met de baard en het kleine mannetje namen ieder een glas van het bruine bier. De grote man liet zijn bestelling bijschrijven op het bonnetje, het kleine mannetje rekende meteen af.

            ‘Alle mensen in de Weemoed zijn ijdel. Uit ijdelheid krijgt Jasper bier voor zijn gedicht, want door Jasper te trakteren straalt iets van het briljante gedicht af op degene die trakteert. Ieder gedicht van Jasper Mikkers is een topgedicht, dat is het uitgangspunt. Daarom blijft hij in Tilburg wonen, zodat hij hier de koning der dichters is. In Amsterdam is hij niet meer dan een letterknecht. In Amsterdam krijgt hij geen vijf rondjes als hij in een café op het Spui een gedicht voorleest. Hier in Tilburg wel. Je kunt beter een koning zijn in Tilburg, dan een knecht in Amsterdam.’

            Ik heb die avond met iedereen in de Weemoed gesproken, maar ik weet niet meer met wie en waar het over ging. Ik werd zo zat als een Maleier, zonder heel veel gedronken te hebben. Ik meen dat ik zes Duvels af moest rekenen op het laatst. Zes Duvel. Dat is helemaal niet zo veel, dat kon de portemonnee van Wim met gemak aan. Ik had een nieuwe huiskamer gevonden en het was café Weemoed. De rest van de week bracht ik daar door, tot het weer tijd was om naar Amsterdam te gaan, naar Carlos. De wiet had ik ingeruild voor alcohol, en dat beviel me wel.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 28. Man en muis

Hoofdstuk 27. Links en rechts

Geen wiet meer voor mij. Gelukkig zijn softdrugs niet verslavend – zo zegt de officiële richtlijn. Anders zouden het wel harddrugs zijn geweest. Ja ja, het viel echter helemaal niet mee die week. Overigens ben ik nooit verslaafd geraakt aan de nicotine, ik heb jarenlang dagelijks geblowd, maar trek in een sigaret heb ik nooit gehad. Dit gaf mij moed om de wiet af te zweren. Op mijn bed in mijn kamertje, Madeliefstraat 4 te Tilburg, zakte die moed me echter direct in de schoenen. Wat moest ik? Ik had hier helemaal niets. Hoe kwam ik deze week nou weer door? Had ik nog geld? Jawel, dat ging wel. Ik heb zuinig geleefd en de portemonnee van Wim was nog niet leeg. Ik bietste wat brood van Gerda en langzaam kauwend bracht ik de middag door. Er zat niets anders op dan te wachten en naar de radio te luisteren. Aan het begin van de avond werd het me allemaal te veel, ik moest eruit.

            ‘Gerda,’ zei ik, ‘ik wil er eens uit. Waar moet ik naartoe?’

            ‘Voor jonge knullen als jij is er één plaats waar je moet zijn, en dat is de Korte Heuvel.’

            ‘De Korte Heuvel, wat is daar te doen?’

            ‘Daar zitten de kroegen waar de jongelui zich verzamelen. Ik ben er al een tijd niet meer geweest, zoals je ziet. Want ik ben niet meer zo jong.’ Gerda stak een sigaret op, een Belinda. ‘Als je de straat uit gaat, linksaf de Enschotsestraat in, doorlopen, onder het spoor door, naar de Heuvel en dan op de Heuvel links. Dat is de Korte Heuvel.’

            Inderdaad was de Korte Heuvel een straatje met kroegen en restaurants, Gerda was een prima VVV. Ik liep wat cafés voorbij en bleef staan bij een klein cafeetje. Weemoed. Die naam trok mij wel aan en die naam bleek ook aantrekkelijk te zijn voor andere mensen, want er zaten meer mensen aan tafeltjes en aan de bar. Aan de bar bestelde ik een bier.

            ‘Wat voor bier?’ vroeg de barman.

            ‘Wat voor bier heb je zoal?’ was mijn wedervraag en ik werd een beetje bang dat ik in een soort komische sketch van André van Duin terecht was gekomen.

            ‘Van alles.’

            ‘Daar schiet ik niets mee op. Wat past er bij mij?’

            De barman keek mij bestuderend aan, zijn blik ging over mij heen als de streep licht in een kopieerapparaat. ‘Duvel,’ zei hij toen. ‘Jij bent wel iemand die Duvel drinkt.’

            ‘Doe mij dan een Duvel.’

            ‘Jij hebt nog nooit eerder Duvel gedronken, denk ik.’

            ‘Nee, ik zou niet weten wat het is. Ik ben nieuw hier.’

            ‘Waar kom je vandaan?’

            ‘Uit Hilversum, maar ik heb me voorgenomen een echte Tilburger te worden.’

            ‘Dan ben je hier in de Weemoed aan het juiste adres. Ik heet Martijn en ik doe je één keer voor hoe je Duvel schenkt.’ Hij pakte een grote kelk en een flesje bier. De kelk scheef, het bier er langzaam in, de schuimkraag steeg, en toen, ja, toen was het klaar. Zo moeilijk zag het er niet uit. ‘Zo doe je dat. Hoe heet je? Dan maak ik een bonnetje voor je.’

            ‘Bas.’

            In tegenstelling tot wat de naam deed vermoeden, werkte de Duvel rustgevend. Het was geen hels bier waar je opgefokt van werd, waarvan je in vuur en vlam kwam te staan. Een lome rust kwam er over me heen en alles werd stiller… Maar dat kwam niet door het bier, het werd echt stiller. ‘Sssst, sssst,’ maanden de gasten elkaar aan om tot stilte te komen. Martijn riep van achter de bar dat er een nieuw gedicht was geschreven en dat het tijd was om ernaar te luisteren. Dit had ik nog nooit meegemaakt. In een Hilversums café zou dit meteen tot een grote vechtpartij leiden. Wat denken ze wel? Dat je stil moet zijn om naar een gedicht te luisteren? Dat bepaal ik zelf wel. Hier was dat blijkbaar anders. Mijn glas was leeg, maar ik begreep dat dit niet het juiste moment was om een nieuwe te bestellen. Hopelijk was het niet een heel lang gedicht waar we naar moesten luisteren, hopelijk hadden we niet te maken met de Tilburgse Homerus die opsomde hoeveel schepen er vanuit welke steden ten oorlog trokken. Afwachten weer. Als ik een echte Tilburger wilde worden, dan moest ik doen wat de Tilburgers doen. Ik had al een beetje kennis gemaakt met het plaatselijke dialect, want Gerda sprak niet echt ABN. Ze deed haar best om zich verstaanbaar te maken tegenover mij, maar aan de telefoon had ik haar onvervalst plat Tilburgs horen praten. Ik denk dat ze haar zus aan de lijn had, of zo. Maar het kon ook zijn dat ze ruzie aan het maken was met de groenteboer, omdat er drie spruiten te weinig in de zak die ze had gekocht. Geen idee waar ze het over had, totaal onverstaanbaar was het. De Tilburgers in café Weemoed spraken echter een redelijk verstaanbaar Nederlands, barman Martijn kon ik sowieso begrijpen. Met de andere gasten had ik nog niet gesproken, maar de flarden van de gesprekken die ik opgevangen had stemden mij hoopvol. Een belangrijk onderdeel van de Tilburgse taal is het volume, je moest vooral hard praten. Die grote forse kerel met zijn woeste baard was daar wel het schoolvoorbeeld van. Hoewel het met zo’n postuur voor hem nagenoeg onmogelijk was om zachtjes te praten. Ook het kleine iele mannetje naast hem sprak hard. Beide hadden een glas donker bier in de hand, ook een glas op een voet, maar dan weer anders dan mijn glas. Op mijn glas stond in gotische letters Duvel, wat er op hun glas gedrukt stond, kon ik niet lezen. Ik zou er echter snel achter komen dat het La Trappe was. Echte Tilburgers drinken dat bier, La Trappe werd gebrouwen in een klooster dat dichtbij Tilburg lag. Koopt Tilburgse waar, dan helpen wij elkaar. Dat wist ik toen nog allemaal niet, inmiddels (vele jaren later) zou ik je er alles over kunnen vertellen – maar ik heb wel wat beters te doen.

            ‘Komt er nog wat van?’ riep iemand die bij het raam stond. Er klonk gelach. ‘Voorlezen, godverdomme!’ riep de man.

            ‘Als je je niet gedragen kunt, dan ga je weg,’ riep Martijn van achter de bar. ‘Je staat toch al naast de deur.’

            Een man met krullen in het midden van het kleine cafeetje hief zijn arm, pakte een papier uit de binnenzak van zijn lichtgroene jasje en begon voor te lezen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 27. Links en rechts