Hoofdstuk 40. Toeters en bellen

Ze hielden me toch wat langer op het politiebureau dan ik had gehoopt. Er werden vingerafdrukken van me afgenomen – of hoe noem je dat? Gestempeld? Enfin, ik zat daar met blauwe vingers in een soort wachtkamer. Zo’n typische wachtkamer die dokters en tandartsen ook hebben, een non-descripte plant in een hoek en stoelen netjes naast elkaar tegen de muur. Ik kreeg zelfs een plastic bekertje koffie. Mijn hart bonsde nog steeds keihard in mijn oren. Wat een beproeving; ik móest deze beproeving doorstaan. Het was een ultieme test om Übermensch te worden. Ik mocht geen spijt krijgen, schuld en boete was niet im Frage (hoe zou het met Wim zijn?), mensenhaat en berouw… De deur ging open en brigadier Dooremalen wenkte mij. Wat hij zei? Al sla je me dood. Ik volgde hem door de catacomben van het Tilburgse hoofdbureau. Ergens onderin de kelder opende hij een deur naar een kleine ruimte met een tafel en twee stoelen. Een tl-buis brandde gezellig. Dooremalen ging zitten en gebaarde dat ik op de andere stoel plaats moest nemen. Ik begreep dat ik verhoord ging worden. De mond van Dooremalen bewoog. Het enige wat ik hoorde was het bonzen van mijn hart.

            ‘… geen verdachte… …. … spreken…. … gen stellen,’ zei Dooremalen. ‘Is dat… … …’

            Ik knikte.

            ‘Vingerafdruk… … … 147. Gereedschap… … tafel en vensterba… … Toch?’

            Ik knikte weer.

            ‘… …,’ Dooremalen glimlachte. ‘… … koffie?’

            ‘Ik, eh, ik zou nog wel een bekertje koffie lusten,’ zei ik. Ik schrok van mijn eigen stem, want ik had het idee dat ik heel hard sprak. Dooremalen stond op en liep het kamertje uit. Hoe lang ik daar gezeten heb, weet ik niet meer. Ik had natuurlijk mijn hartslagen kunnen tellen, want die waren luid en duidelijk te horen. Iedereen hoorde mijn hartslag en daarom liet Dooremalen mij alleen. Zodat ik gekgeworden van mijn stoel op zou springen en zou roepen: ‘Horen jullie dat dan niet? Mijn hart spreekt de waarheid, ik heb het gedaan!’ Nee. Dat zou niet gebeuren. Ik bleef zitten waar ik zat. Dooremalen kwam weer terug met koffie.

            ‘We willen… … plastic… vijf… … … …?’

            ‘Daar weet ik niets van,’ zei ik. ‘Staan daar mijn vingerafdrukken op?’

            ‘Nee, … … vijf kilogr… …’

            ‘Ik heb bij de Gamma gereedschap gekocht, om te klussen.’

            ‘Vijf… … cocaïne… … … vriendelijk.’ Het gezicht van Dooremalen straalde inderdaad een en al vriendelijkheid uit.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat is mij onbekend.’

‘Goed, dan… … …’ Dooremalen stond op en ging weg.

Enige tijd later kwam De Regt binnen. Hij ging niet zitten. Hij trok aan zijn riem zijn broek wat verder omhoog, ging voor me staan met zijn armen over elkaar. ‘Jij weet… … …!’ zei hij luid.

Ondanks zijn luide stem verstond ik er niets van. Ik schudde daarom maar van Nee.

De Regt boog naar mij toe. ‘Die coke… … jou… … en jij… …,’ riep hij.

‘Nee,’ zei ik, ‘ik weet van niks.’

‘… plastic tas… hele kilo coke… …’

‘Wat zegt u precies? Ik begrijp u niet.’

‘Eén kilo coca… … … alles van!’

Mijn hartslag was verdwenen! Dit was mijn dood. Ik ging dood. De Regt had mij doodgeschreeuwd. Ik had geen hartslag meer. Ik keek naar De Regt en zag hoe hij straalde. Het licht van de tl-buis was als een warme zon en wij waren samen op een Italiaans strand. Alles was licht en helder. De Regt straalde, ik straalde. Het plastic bekertje was een cocktail. Ik ervoer een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ik leefde. Ik leefde intens. Ik was niet dood, ik was verre van dood! Zo levend had ik mij nog nooit gevoeld. Alles kwam op dat moment bij elkaar, dit was wat de pauselijke zegen zou moeten zijn. ‘Een kilogram cocaïne zei u?’ vroeg ik.

De Regt verstijfde van schrik.

‘Ik neem aan dat dit verhoor wordt opgenomen? Dat er een cassettebandje meeloopt en dat alles wat hier gezegd wordt als bewijsmateriaal gebruikt kan worden?’

De Regt knikte.

‘Dat is interessant.’ Een triomfantelijk gevoel overviel me. Ik had alles weer terug, mijn scherpte, mijn spraak, mijn gehoor, mijn gevoel – al mijn zintuigen deden weer mee. ‘Dan wil ik het even hebben over getallen. Ik hou van rekenen. Niet van wiskunde hoor! Voor wiskunde ben ik niet slim genoeg. Rekenen kan ik als de beste. En ik zie aan u dat u ook goed kunt rekenen. Heeft u ook een favoriete som? Ik wel. Dat vinden sommige mensen misschien vreemd, dat je een favoriete som hebt. Je kunt wel een favoriete film hebben, een favoriet boek, of een favoriete plaat. Mijn favoriete plaat is ‘Blue Monday’ van New Order. New Order, dus niet New Four. Dat lijkt er een beetje op, de naam dan he? Niet de muziek die ze maken. U lijkt me meer iemand die van The New Four houdt. Dat mag, want smaken verschillen. Ik vind The New Four het afgrijselijkste wat er bestaat. Terug naar mijn favoriete som. Mijn favoriete sommetje is vijf min vier. Briljant in al zijn eenvoud. Snapt u hem: één-voud.’

De Regt was gaan zitten. Ik keek hem aan en fluisterde: ‘Uw collega Dooremalen had het over vijf kilo. U over één. Dan kunnen we ons afvragen waar die vier kilootjes gebleven zijn. Toch?’

Rechercheur De Regt knikte langzaam.

‘Dat kunnen we ons afvragen, maar eigenlijk weten we het al. Nietwaar? Jullie hadden mij al lang op het oog, en toch duurde het een paar dagen voor jullie aan mijn deur stonden. Die coke moest eerst weggewerkt worden. Gelukkig hebben we het hele verhoor op band staan. Gelukkig kunnen we uw uitspraken afzetten tegen die van uw collega Dooremalen. Zullen we zien wat er gebeurt. Ach, weet u wat het is? Ik ben onschuldig, dat zal ik u aantonen aan de hand van drie argumenten. Ten eerste heb ik helemaal geen motief om mijn goede vriend Carlos te vermoorden. Op de tweede plaats heb ik een alibi. En mijn derde argument is dat ik geen moordwapen heb. Misschien moet u dat hardop herhalen, zodat het op band staat.’ Ik leunde achterover, met de Tilburgse recherche in mijn zak.

‘De heer Jongenelen,’ zei De Regt, ‘kan niet beschouwd worden als verdachte in de moordzaak van vrijdag 1 april 1988 aan het pand Besterdring 147 te Tilburg. De heer Jongenelen heeft geen motief. Daarnaast heeft de heer Jongenelen een sluitend alibi. Ook is er bij de heer Jongenelen geen moordwapen aangetroffen.’ ‘Dank u wel,’ zei ik. ‘Ik heb met plezier en genoegen meegewerkt en ik wens u veel succes met de afronding van uw onderzoek. De politie is je beste vriend, zo blijkt maar weer.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 40. Toeters en bellen

Hoofdstuk 39. Sturm und Drang

Er werd gebeld en er klonk gestommel op de gang. Gerda riep mijn naam. Nou, daar zal je het hebben. ‘Ja! Kom maar naar boven,’ riep ik vanuit de deuropening. Twee mannen klosten de trap op om mijn kamer te vullen met hun aanwezigheid.

            ‘Brigadier Dooremalen,’ zei de ene, ‘en mijn collega rechercheur De Regt. Recherche Tilburg.’

            ‘Wat eh… wat is er aan de hand?’ vroeg ik.

            ‘We willen u een paar vragen stellen over de moord in het pand Besterdring 147,’ zei brigadier Dooremalen.

            ‘Ik heb erover gehoord,’ zei ik.

            ‘U bent bekend met het slachtoffer?’

            ‘Ik kan dat niet ontkennen, nee.’

            ‘Wat was uw relatie met het slachtoffer?’

            Ik voelde me sterk. Ik had een goed verhaal en ik was een volledig mens. Of deze twee heren dat ook waren, durfde ik ter discussie te stellen. ‘Ik had een goede relatie met het slachtoffer,’ zei ik. ‘Carlos en ik waren een soort van bevriend.’

            ‘Een soort van bevriend? Wat bedoelt u daarmee?’

            ‘Ik liep daar de deur niet plat en Carlos is nog nooit hier bij mij geweest. Echte vrienden zien elkaar vaak, dat was in ons geval niet zo. Ik mocht Carlos graag, dat wel. Ik zou hem onder mijn kennissen scharen, niet onder mijn vrienden. Wat mij betreft is er een verschil tussen kennissen en vrienden. Waarom komt u bij mij?’

            ‘Volgens getuigen kwam u vaak bij het slachtoffer. Het zou kunnen dat u meer weet over het misdrijf, misschien wel veel meer.’

            ‘Ben ik een verdachte?’

            ‘Nee. Wat niet is, kan nog komen. U bent daar vaak gezien en ook de verhuurder van het pand noemde u als iemand die betrokken was bij het pand. Kunt u daar wat meer over vertellen?’

            ‘Zeker kan ik dat. Carlos zocht een ruimte om een bedrijf op te zetten en ik heb hem daarbij geholpen.’

            ‘U zei net dat u daar de deur niet platliep,’ zei De Regt ineens. ‘Getuigen beweren dat u er dagelijks kwam.’ Hij boog zich wat naar voren, met ingehouden agressie.

            ‘Dat zou kunnen, ik heb dat niet bijgehouden.’

            ‘De laatste paar dagen heeft niemand u daar gezien. Kunt u dat verklaren?’

            ‘Het pleit voor mijn onschuld,’ antwoordde ik. ‘Is het niet zo dat de dader altijd teruggaat naar het plaats delict? Dat de pyromaan altijd komt kijken naar zijn fik? Ik heb met de moord niets te maken, dus waarom zou ik naar het huis van Carlos gaan als hij dood is?’ Ik voelde mij beresterk, ze konden mij niets maken. Toch voelde ik van spanning mijn hart bonzen in mijn keel. Ik wreef met mijn hand over mijn keel om te voelen of het kloppen van mijn hart niet zichtbaar was. Nee, ik voelde niets geks. Er was dus niets aan mijn keel te zien. Desondanks werd ik er niet geruster op. Het kloppen van mijn hart werd harder, het was nu niet meer een gevoel, ik hoorde mijn hart kloppen.

            ‘We hebben ook helemaal niet beweerd dat u ergens schuldig aan bent,’ zei Doormalen vergoelijkend. ‘Wij beweren nu helemaal niets. We hebben gewoon wat vragen.’

            Door het kloppen van mijn hart kon ik amper verstaan wat brigadier Dooremalen zei. ‘U zult er ongetwijfeld mijn vingerafdrukken aantreffen,’ zei ik, want het leek me dat het nu mijn beurt was om weer iets te zeggen. ‘Ook op het gereedschap dat er ligt. Ik had met Carlos afgesproken dat ik mee zou helpen met klussen. Daarom was ik naar de Gamma gegaan om gereedschap te kopen.’ Ik zag aan het gezicht van rechercheur De Regt dat hij iets vroeg, door het bonzen in mijn oren verstond ik hem echter niet. Ik besloot verder te vertellen. ‘Hij verhuurde de ruimte aan muzikanten. De akoestiek was echter niet zo goed, die betonnen vloer kaatst het geluid lelijk heen en weer. Vandaar dat we alles aan wilden pakken om er mooie repetitieruimtes van te maken. Nu hoeft het dus niet meer.’ Het bonzen in mijn hoofd werd wat minder, zodat ik De Regt een beetje kon verstaan.

            ‘… lijk… betonnen vloer… … … vloer… … vensterbank… eedschap… vloer…’

            ‘Het was er best kaal ja. Daar wilden we wat aan doen, meer dan een tafel en een paar stoelen waren er nog niet. Carlos kreeg klachten van de muzikanten, dat ze wat meer comfort wilden.’

            ‘… …onnen vloer… … vijf… tassen… … ilogram cocaïne.’

            Ik schudde mijn hoofd. ‘Vijf tassen met coke zegt u?’ Het bonzen nam weer toe. Ik vroeg mij ineens af of het wel mijn eigen hart was dat ik hoorde. In een nonnenklooster worden de nonnen allemaal tegelijk ongesteld. Zet mensen bij elkaar en ze vormen een ritme, zelfs hun lichaamsfuncties beginnen gelijk te lopen. Dat is bij alle kuddedieren het geval. Gnoes worden allemaal tegelijk vruchtbaar en daarna drachtig. Bij mensen werkt dat ook zo. Hoorde ik niet alleen mijn hart, maar ook de harten van Dooremalen en De Regt? Waarom hoorden zij dat dan niet? De Regt keek fel en hij priemde met zijn vinger mijn kant uit. Hij zei iets, op een boze manier. Dooremalen schudde zijn hoofd. Hij vond mij niet verdacht. Niet formeel. De Regt dacht daar anders over. Gedroeg ik mij raar?

            ‘Ik was die vrijdagmiddag in café Zomerlust,’ zei ik. ‘Daar dronk ik bier. Met vijf kilo coke heb ik niets te maken. Ik drink veel liever bier. Ik heb nog nooit coke gebruikt. In het café drink ik bier. Of wijn, als ze goede wijn hebben. De meeste cafés verkopen gore bocht als het om wijn gaat, het bier is er over het algemeen wel goed. Nederland is een bierland., dat merk je vooral in de cafés. Dat zal in Frankrijk wel anders zijn, denk ik.’ Waar deze spraakwaterval vandaan kwam, weet ik niet. Ik voelde de behoefte om veel te praten. Door het gebons in mijn oren kon ik die twee mannen niet verstaan, ik kon dus geen normaal antwoord geven op hun vragen. Indien ik zou blijven praten, hoefden ze geen vragen te stellen. ‘In Zomerlust heb ik trappist gedronken. Ik kom uit Hilversum en daar hebben de cafés niet van dat bijzonder bier. Hier in Tilburg wel. Ik moest eraan wennen, dat je hier niet ‘bier’ bestelt in een café, maar dat je erbij moet zeggen welk bier je wilt. Ik kan u zeggen dat dit snel wende hoor. Mijn favoriete bier is Duvel. Dat hebben ze helaas nergens van de tap.’

            Dooremalen stak zijn hand op en gebaarde dat ik moest zwijgen. ‘… verhaal… … bier,’ hoorde ik hem zeggen en hij lachte vriendelijk.

            De Regt keek minder vriendelijk. ‘…vragen… mee te ko … itiebureau… afdrukken.’             ‘Voorlopig… …’ zei Doormalen. ‘Gewoon vingeraf… … op het poli…’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 39. Sturm und Drang

Hoofdstuk 38. Steen en been

Het liep nog mooier. Gerda was blij met de keukenmachine: ‘Sandra, de oudste dochter van mijn jongste zus kan hem wel gebruiken. Ik doe er niets mee.’

            ‘Het is weer eens iets anders dan rozen,’ zei ik.

            ‘Dat bedoel ik!’

            Ik vond het een heel goed plan. Diezelfde ochtend werd het apparaat weggebracht door Gerda, als een soort Paascadeau. Hoeveel cokesporen er ook op zaten, die sporen waren niet meer in het huis waar ik woonde. Door deze opluchting was mijn kater meteen verdwenen. Wel bleef ik nog zitten met het geld. Als vandaag de politie binnen zou vallen en een huiszoeking zou houden, dan was ik het bokje. Dan zou ik geknipt en geschoren worden. Door die gedachte kwam mijn kater weer terug. Het was zondag, er was geen zak te doen. Gerda had de tv aan laten staan en de paus sprak zijn Urbi et orbi. Die zegen had ik toch maar mooi meegekregen. Er kon mij dus niets overkomen, want met deze pauselijke goedkeuring – hoe per ongeluk ook – wist ik dat ik de dans zou ontspringen. Dat hield ik mij voor om de moed erin te houden. Het enige positieve was dat Nederland de doodstraf afgeschaft had. Daarvoor hoefde ik als dealer en moordenaar niet bang te zijn, wel voor jarenlange celstraf. Risico van het vak.

            In een telefooncel bij het station heb ik zo veel mogelijk klanten gebeld met de mededeling dat Carlos dood was en dat daardoor de levering vertraagd was. Details kon ik niet geven, ik merkte aan een belangrijke afnemer dat hij mijn telefoontje verdacht vond. Hij leek tussen mijn zinnen door te proeven dat ik Carlos omgelegd had.

‘Ik weet niets van deze zaak,’ zei ik toen hij me ermee confronteerde. ‘Carlos is dood, meer kan ik er niet over zeggen.’

‘Dat is eigenaardig geformuleerd. Je weet ook wel dat als iemand “Geen commentaar” zegt, dat hij er dan alles mee te maken heeft. Maar goed, je weet er niets van – ik weet genoeg. Wanneer kun je wel leveren?’

‘Dat weet ik niet precies, hopelijk vrij snel. Ik hou je op de hoogte.’

Toen om drie uur café Weemoed openging, stond ik al voor de deur. Ik had niets anders te doen. Het leek me verstandig om eerst koffie te drinken en daarna pas aan het bier te gaan, dus toen Martijn me vroeg wat ik wilde drinken, zei ik: ‘Bier.’ Ik kon het niet. Ik kon geen koffie bestellen. En ik kan het nog steeds niet, als ik in een café ben, dan krijg ik de woorden ‘koffie’, ‘thee’ of ‘spa rood’ niet over mijn lippen. Ik kan alleen maar de woorden ‘bier’ of ‘wijn’ uitspreken. Al dan niet met een zin eromheen, dus ‘Doet u mij maar een biertje’ gaat ook goed. Of: ‘Een droge witte wijn alstublieft.’ Vroeger wel, toen vond ik zelfs wel stoer om ‘Koffie’ te zeggen. Dat was in de tijd dat ik blowde, in die tijd vond ik het ruig om een beetje wazig een koffie te bestellen. Sinds ik van de wiet af was, was ik ook van de koffie af. Martijn zette een fles Duvel, met het bijpassende glas, voor me op de bar. Hij zou het gek gevonden hebben als ik iets anders besteld had.

De gesprekken in Weemoed gingen overal en nergens over, bijvoorbeeld over die malle tweede feestdagen die we in Nederland hebben.

‘Denk je dat ze in België Tweede Paasdag hebben?’ vroeg André de bluesgitarist. ‘Denk jij dat die Belgen geloven dat Jezus twee keer is opgestaan uit de dood?’

‘Ja,’ riep Martijn vanachter de bar.

‘Da’s niet!’

‘Da’s wel waar man.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Omdat ik dingen weet.’

‘En Luxemburg?’ vroeg ik. ‘Viert Luxemburg Tweede Paasdag?’

‘Hoe moet ik dat nou weten?’ riep André.

‘Dat weet iedere gitarist,’ zei Martijn.

‘Nou? Hebben ze in Luxemburg Tweede Paasdag?’ vroeg ik.

Uiteindelijk kwam het erop neer dat Tweede Paasdag waarschijnlijk niet bestond in Luxemburg. Er zat voor mij één ding op, dacht ik bij mezelf: naar Luxemburg. Ik rekende af en ging naar huis. Daar zette ik mijn wekker op zes uur, zodat ik rond een uur of elf bij mijn bank kon zijn.

Ik pakte de tas met geld van de zolder, stapte in mijn auto en reed weg. Zo te zien werd ik niet achtervolgd. Er was niemand op straat, Tilburg was in slaap. De snelweg sliep ook nog. Pas bij Maastricht werd het wat drukker met mensen die op bezoek gingen bij hun schoonfamilie. Het was prettig doorrijden zo en niet heel veel later parkeerde ik mijn auto op de grote parkeerplaats net buiten het centrum van Luxemburg. Onderweg geen politie of douane te zien. Leve de Benelux! Een paar minuten later liep ik de Banque et Caisse de Luxembourg binnen. Daar opende ik de tas aan de balie en liet de berg ongeorganiseerd geld zien. De baliemevrouw belde naar iemand en er kwam een man. Het kon dus nog altijd misgaan. Deze man was niet van de bank, maar van Interpol of zo.

‘Friedrich Schleiermacher,’ zei hij en hij stak zijn hand uit.

‘Bas Jongenelen,’ zei ik.

De man nodigde mij uit naar een kantoortje achter de balie. Ik kreeg er koffie en de man begon het geld in nette stapeltjes te leggen. Ieder stapeltje werd vervolgens geteld. Er kwam een formulier aan te pas, er werden handtekeningen gezet en daarna werd ik buitengelaten – met de allervriendelijkste groeten. Okee, dacht ik, even recapituleren. Ik heb een man vermoord. Ik heb een apparaat met cokesporen weggewerkt. Ik ben naar Luxemburg gereden. Ik heb heel veel geld gestort. Niemand heeft mij ondertussen aangehouden, niemand heeft zich laten zien. Er was helemaal niets gebeurd, zo leek het. Ik haalde heel diep adem en haalde mijn schouders op. Met een beetje geluk zou ik rond zes uur weer thuis zijn. Nu kon niets mij meer gebeuren. Op mij berustte Gods zegen. Ik rechtte mijn schouders. Om mij heen was geen coke, om mij heen was geen geld. Ik was een Übermensch. Hier stond een echt mens die afgerekend had met zijn verleden en die de toekomst voor zich had. Ik was the self-made man. Er kon mij nu helemaal niets meer gebeuren, ik was clean. Mijn hoofd duizelde ervan, zo helder was het. Ik was leeg en gevuld. Het afgelopen weekend was de periode tussen hoop en vrees, maar nu was dat weekend voorbij. Carlos stierf op Goede Vrijdag en hij was niet opgestaan met Pasen, ook niet op Tweede Paasdag. Carlos was dood en ik was vrij. Weer terug in Tilburg at ik babi pangang bij Kin-Wah en het smaakte me heerlijk.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 38. Steen en been

Hoofdstuk 37. Rock ’n roll

Ik lag op bed te wachten tot ze me op zouden komen halen, mijn hele verhaal repeterend. Ik kwam bij Carlos om coke te kopen en hij had me gevraagd om te klussen. Hij had me geld gegeven om gereedschap te kopen, dat had ik gedaan. Dat konden ze navragen bij de Gamma. Nee, de bon had ik niet meer. Mijn vingerafdrukken zaten op al die gereedschappen, ja, dat klopt. Ja, ik kwam vaak bij Carlos. Waar ik vrijdagmiddag was? Bij café Zomerlust. Ga maar navragen bij meneer Zomerlust. Daar heb ik trappist gedronken. Dat was mijn verhaal. Hoe mijn relatie met Carlos was? Die was goed. We hadden geen onenigheid, hij leverde coke van goede kwaliteit. Verder hadden we geen relatie. Ik moest in slaap zijn gevallen terwijl ik keer op keer mijn verhaal in mijn hoofd aan het repeteren was. Het schemerde al, het was dus ochtend geworden. Zaterdag. Paaszaterdag. Opnieuw: wat ging er goed? Ik heb een alibi en ik heb geen motief. Wat ging er niet goed? Er staat hier een keukenmachine met waanzinnig veel resten coke in de kelderkast, er ligt een tas met geld op zolder. Dat geld kon vandaag niet weg. Ik had slechts een paar enveloppen, te weinig om alles per post te versturen. Het postkantoor was gesloten, enveloppen en postzegels bijkopen was niet mogelijk. Enveloppen kon ik bij de V&D of de Hema kopen, maar die postzegels waren het probleem. Zonder postzegels geen verzending. Er zat weinig anders op dan te wachten, te wachten en te wachten. Te wachten tot de recherche aan de deur stond.

In de middag hield ik het niet meer uit, ik moest weg. Het wachten duurde te lang. Waar kon ik heen? Naar Weemoed. Ik vroeg mij af of het verstandig was naar het café te gaan. Was dat verdacht? Of juist niet? Hoe dacht de recherche? Geen idee. Ik was rechercheur bij moordzaken, ik had een verdachte op het oog, die verdachte zat een dag na de moord bier te drinken in het café… Dat is niet per se raar. De verdachte kwam vaker in dat café en nu zat hij er ook. Dat is geen afwijkend patroon. Okee, ik ging naar Weemoed.

            Aan de tafel voor het raam zat Jasper Mikkers de krant te lezen. Dat was me ook een beroep zeg, dichter zijn. Een gedicht schrijf je in een uur. In een dichtbundel staan 25 gedichten, je publiceert iedere twee jaar een dichtbundel. Dat levert een werkdruk op van 12,5 uur per jaar. Wat doet een dichter de rest van de tijd? In een café de krant lezen.

            ‘Martijn, een Duvel voor mij. Wat drinkt Jasper?’

            ‘Dat moet je aan Jasper vragen.’

            ‘Ik vraag het aan jou.’

            ‘Hij drinkt thee.’

            ‘Oh. Doe er dan een thee bij.’

            ‘Thee is voor flikkers en zieke hoeren.’

            ‘Twee Duvel dan.’

            Martijn zette twee flessen Duvel en twee glazen op de bar. ‘Ik schrijf het op voor je.’

            Jasper keek verward op toen ik het bier op tafel zette, alsof ik hem gestoord had in intellectueel werk. Terwijl hij slechts de regiopagina’s aan het lezen was.

            ‘Er is iemand vermoord bij jou in de buurt,’ zei hij. ‘Las ik zojuist in krant.’

            Ik moest even slikken. ‘Daar heb ik niks van gemerkt.’

            ‘Jij woont toch in die buurt?’

            ‘Zeker, in de Madeliefstraat.’

            ‘Daar heb ik ook gewoond,’ zei Jasper. ‘Op nummer 4.’

            ‘Ga weg! Daar woon ik nu.’

            ‘Echt? Bij Gerda en Nol.’

            ‘Alleen bij Gerda. Nol ken ik niet.’

            ‘Dan denk ik dat Nol overleden is. Ik heb daar een kamer gehuurd, aan de achterzijde.’

            ‘Daar woon ik nu.’

            ‘Hoe doe je dat als je naar de wc moet?’

            ‘Gewoon, dan ga ik naar beneden en dan ga ik naar de wc. Zo ingewikkeld is dat niet.’

            ‘Nou…’ Jasper trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je moet dan door de woonkamer en de keuken om bij de wc te komen.’

            ‘Dat klopt. Hoezo is dat ingewikkeld?’

            ‘Ik voelde me altijd bezwaard. Dan zaten Nol en Gerda aan tafel te puzzelen of zo en dan moest ik daar voorbij om naar de wc te gaan.’

            ‘Ik heb daar geen moeite mee,’ zei ik.

            ‘Ik wel. Ik had daar iets op gevonden. Ik had een paar lege melkflessen op mijn kamer staan, dus als ik moest pissen, dan piste ik eerst zo’n fles vol. Later, als ze naar bed waren, of boodschappen doen, ging ik met die fles naar beneden om hem te legen op het toilet. Of soms waren het twee flessen. Er was een keer iets misgegaan, met de vakantie. Ik was vergeten om de flessen te legen, in de zomervakantie. Toen ik na vijf weken terugkwam, trof ik een zeer boos echtpaar aan. Die twee flessen pis waren gaan stinken, in de hitte van de zomer. Ze hadden mijn kamer opengemaakt en daarna waren ze heel boos geworden. Ze hadden ontdekt waar die stank vandaan kwam.’

            ‘En toen?’

            Jasper nam een grote slok van zijn Duvel. ‘Toen niks eigenlijk. Nou, toen moest ik op zoek naar een andere kamer. Dat was niet zo’n probleem.’

            De rest van de middag en avond bleef ik in Weemoed hangen. Met het gebruikelijke volk tikten we de uurtjes weg. De grote man met de baard was er, het kleine mannetje ook. Op een gegeven moment pakte een kerel die ‘André’ genoemd werd een gitaar om tot sluitingstijd Nederlandstalige blues te spelen. Het was mooi geweest, tijd om af te rekenen en naar huis te gaan. ’s Nachts kwam ik thuis met een lumineus idee. Ik pakte de keukenmachine uit de kelderkast en maakte hem schoon. Ik schreef er een briefje bij:

Beste Gerda,

Je loopt soms tegen rare dingen aan in het leven. In café Weemoed hadden ze deze keukenmachine staan waar niemand wat mee deed. Ik zei dat ik hem wel wilde hebben. Toen had ik hem dus. Het was nog een heel gesjouw om hem hierheen te krijgen. Eigenlijk heb ik er niets aan. Ik geef hem aan jou.

Groeten,

Bas Dat probleem was opgelost. Gerda zou de volgende ochtend de keukenmachine aantreffen, hem nog een keer schoonmaken – zo was ze wel – en hem tussen de andere apparaten opbergen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 37. Rock ’n roll

Hoofdstuk 36. Raad en daad

Ik voelde me helder in mijn hoofd, een mens vermoorden, met voorbedachten rade, is een fenomenaal gevoel. De spanningsopbouw is heftig, want het begin is rustig – daarna mag er niets meer verkeerd gaan. Dus je hormonen nemen het over. Je leeft op je instinct. Ineens ben je geen mens meer, maar een roofdier. Een roofdier denkt ook niet na als hij zijn slag slaat. Geen twijfel, gewoon baf! Erboven op. Eten of gegeten worden, dat gevoel. Een dier denkt bij het voorplanten ook niet na, ook dat gaat instinctmatig. Een reu ruikt een loops teefje en baf! Erboven op. Ik stond op, liep naar de vensterbank, pakte de schroevendraaier en stak hem bij Carlos in zijn keel en in zijn oog. Klaar. Een geweldig en overweldigend gevoel van leven overkwam me. Dat gevoel overstemde alle andere gevoelens en alle andere gedachten. Ik had plannen gemaakt voor het vervolg, maar daar kwam niets van terecht. Ik was een Übermensch, ik was ‘Killing an Arab’, ik was geweldig, ik was fantastisch, ik was de alfaman. Wie denkt er op dat moment nog aan een paar plastic tassen? Niemand. Plastic tassen die expres zo neergelegd waren dat ze niet op zouden vallen. Het had dus gewerkt. Indien je iets wilt verstoppen, dan moet je dat in het openbaar neerleggen. Ik weet zeker dat als Carlos de tasjes coke had verstopt in de kruipruimte, ik eraan gedacht zou hebben. Nu lagen die tasjes gewoon recht voor mijn neus en ik zag ze niet meer. Het plan was om die tassen mee te nemen en om ze in Luxemburg in de postbus te verbergen. Dat plan was van de baan. Teruggaan naar de Besterdring zou geen zin hebben, dat zou verdacht zijn. Tenzij er nog niemand was.

Ik rekende af en liep naar de Besterdring. Daar wachtte mij een onaangename verrassing. Nou ja, verrassing? Ik had het dus verwacht. De politie stond in vol ornaat voor de deur. De weg was half afgezet. Zes auto’s met zwaailichten, een burgerauto en veel volk. In de deuropening zag ik de accordeonist staan. Hij had Carlos ontdekt. Godverdomme. Die kutaccordeonist, met zijn kutmuziek en zijn kuthoofd. Wat een smerige achterbakse klootzak. Zo iemand deugt niet. Ik beende weg, naar huis. Ik wilde er niet gezien worden, en al helemaal niet door die lul van een accordeonist en zijn galbakmuziek. De politie zou me toch al weten te vinden, op de plaats delict mocht ik nu niet komen. Godverdomme. Wat een lul. Wie zulke kutmuziek maakt, moet een kutkarakter hebben. Een verrader, dat ben je, een Judas. Laat mij mijn karwei afmaken, lul! Waarom kom je daar dan? Waarom had ik het godverdomme goed gevonden dat Carlos het pand had opengesteld als repetitieruimte? Dat was fout. Dat was me godverdomme toch een partij fout! Het plan was duidelijk. Ik zou Carlos doodsteken, de coke veiligstellen en het lichaam zo lang mogelijk laten liggen. Dan zouden de buren gaan klagen. De politie zou bij mij komen, want mijn vingerafdrukken zijn all over the place – maar ze zouden niets hebben. Ik zou me hooguit voordoen als klant van Carlos. Ja, Carlos zat in de cocaïne, ik niet. ‘Waarom bent u daar dan zo vaak gesignaleerd?’ ‘Ik zal het bekennen: ik ben een goede klant van Carlos. Ik haalde bij hem mijn dope.’ Dat was nu allemaal op de helling gezet door die kloterige kutbandjes. Repetitieruimte! Hoe kom je erop? En waarom ging ik er godverdomme mee akkoord? Ga naar TiKuKo met je kutmuziek. Ga daar tussen de bomen herrie maken. Ga daar de kloten van Chiel Montagne likken. Die kutzeemansmuziek, die kutcovers van Benny Neyman, die kutDoe Maar.

Alles zou nu sneller gaan. Carlos was eerder ontdekt, de lijn met mij zou eerder gelegd worden. Ik moest dus eerder dan gepland alles opruimen. De keukenmachine zette ik in de kelderkast onder de trap, tussen de overige dingen van Gerda, lekker ver naar achteren. Daar stond ook al een sapcentrifuge en een wafelbakker. Het geld… waar liet ik het geld? Het was Goede Vrijdag, dus alles was dicht. Ik kon maandag pas naar een bank gaan voor een kluis, of naar het postkantoor voor een postbus. Tijd om te breken met een belangrijk uitgangspunt: wie iets wil verbergen, verbergt het goed. Ik durfde het niet open en bloot op mijn bureau te leggen, want dat zou wel de regel zijn. Ik ging zondigen tegen die kloteregel. Ik ging naar de zolder en verborg de tas met geld – toch ook alweer enkele tienduizenden guldens. Onverklaarbaar in mijn bezit. Op de zolder van Gerda zou dat het gespaarde bedrag van haar kunnen zijn, ware het niet dat mijn vingerafdrukken erop zaten. Alles ging dus verkeerd. Zo zou het gaan: de politie zou op mijn deur bonzen. Ze zouden de keukenmachine vinden met minuscule resten coke. Ze zouden het geld vinden. Ik zou er geen goed verhaal bij hebben. Ik zou veroordeeld worden voor moord en voor handel in verdovende middelen. Jaren in de gevangenis. Met een beetje geluk zou de rechter het niet erg vinden dat het slechts een drugshandelaar was. Het ene mensenleven is minder waard dan het andere. Een afrekening in het criminele circuit, dat moest het worden. Carlos en ik hadden ruzie gekregen over geld of over een lading coke, ik had een schroevendraaier gepakt en hem doodgestoken. Was dat een goed verhaal? Deels. Het moordwapen was weg. Dat had ik in het kanaal gegooid. Wat was dan het goede verhaal? Ik moest denken, ik moest denken. Nadenken, nadenken. Er is een lijk. Er is vijf kilo coke. Waarom is die coke daar? Dat was voor mij een ontsnappingspunt. Stel dat ik cokehandelaar was, zou ik dan die coke niet meegenomen hebben? Natuurlijk wel. Dat was het plan tenslotte ook, maar dat hoefden de wouten niet te weten. Er is een lijk, er is vijf kilo coke. Er is geen moordwapen. Er is geen motief. Ik heb geen motief. Ik heb een alibi. Wanneer ik die keukenmachine echt weet weg te werken en als ik van dat geld af ben, dan leiden de sporen niet naar mij. Niet definitief. Eerst wel, daarna niet meer: geen motief. Ik ben een arme cokesnuiver, wonend aan de Madeliefstraat 4, op een kamertje aan de achterkant van het huis. Een grotere kamer kon ik mij niet veroorloven. Dat was mijn verhaal.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 36. Raad en daad

Hoofdstuk 35. Schuld en boete

Ik was nog nooit in een doe-het-zelf-zaak geweest, alles heeft een eerste keer. Het was de Gamma. Ik keek mijn ogen uit, zo’n zaak is gaaf. Overal staan machines en apparaten, joekels van boormachines, opklapbare werkbanken, en planken, vloerdelen, schroeven… Een soort speelgoedwinkel voor mannen. Vrouwen mogen er natuurlijk ook hun schuurmachines kopen, maar om de een of andere reden stralen al die apparaten een en al testosteron uit. Daar zijn mannen bevattelijker voor dan vrouwen, vooral toen. Inmiddels is het een beetje anders, laatst liep ik een doe-het-zelf-zaak binnen en het grote aantal vrouwelijke medewerkers viel me op. Dat was dertig jaar geleden een ander verhaal. Dertig jaar geleden waren de Gamma, de Hubo en de Praxis mannenbolwerken, een soort darkrooms waarin je bij tl-licht elkaars bahco kon vasthouden en op de hand kon wegen. Een doe-het-zelf-zaak nodigt uit tot een spelletje ‘wie heeft de grootste’? Ook al was je op zoek naar een kleine inbussleutel, de kans dat je ook met een flinke beitel naar buiten liep, was levensgroot. Of met een oprolbaar meetlint van vijf meter. Nooit gedacht dat ik er bevattelijk voor zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik zo’n bouwmarkt heerlijk vind. Vooral de losse onderdelen, niet de netjes ingepakte en op volgorde gelegde schroevendraaiers en doppensets. Ik ben al georganiseerd genoeg van mezelf. Ja, een uitgebreide schroevendraaierset die van klein naar groot in een nachtzwart plastic koffertje ligt te glimmen heeft een zekere esthetiek. Wat mij betreft kun je zo’n set in een galerie hangen als klinisch kunstobject. Toch kom ik daar niet voor, want zo’n koffertje straalt een bepaalde vrouwelijkheid uit. De losse delen zijn vele malen stoerder. Een houthakker in de Rocky Mountains heeft een gereedschapskist vol losse dingen bij zich, niet een stapel plastic koffertjes waarin zijn beitels gepoetst en opgewreven liggen te rusten tot zij bewonderd kunnen worden.

Die donderdagochtend, 31 maart 1988, liep ik de Gamma binnen. Het was Witte Donderdag, de dag van het Laatste Avondmaal. De dag dat de wraak in de lucht hing, hoewel Carlos dat niet wist. Dat hele ‘in de lucht hangen’ is grote onzin. Er hangt niets in de lucht, ja, een wolk. Of een zweefvliegtuig. Meer ook niet. Sommige mensen denken dat er meer is tussen hemel en aarde, nou, meer dan een vliegtuig of een satelliet zit daar niet tussen hoor. Dat kan ik je vertellen. Er is niets, alleen dit moment. Het verleden is voorbij, de toekomst is er nog niet, slechts het heden telt. Klinkt misschien vreemd uit de mond die zijn wraak reeds lang van tevoren gepland heeft, maar zo zie ik het toch. Nee, Moniek kreeg ik niet terug met wraak. Moniek was verleden tijd. Ja, door de wraak te plannen leefde ik niet in het heden. Ik was te veel met de toekomst bezig. Ik had een uitgebreid plan om Carlos te doden en om rijk te worden. Daarmee leefde ik in strijd met mijn eigen regels – niets menselijks is mij vreemd. Geregeld leefde ik in het moment, in café Weemoed Duvel drinkend, op mijn kleine kamertje met tienduizenden guldens onder mijn bed en met een glas Sancerre in de hand… kleine momenten. Me verheugend op de toekomst, dat dan weer wel. Omdat ik voor het eerst in een doe-het-zelf-zaak was, wist ik niet waar ik moest zijn. Ik liep wat rond en verbaasde me over de hoeveelheid machines, apparaten en gereedschappen. Ik wilde van alles wat hebben, niet te veel, niet te weinig. Na een beetje rondgedwaald te hebben vond ik het schap met schroevendraaiers. Op ooghoogte hing een mooie grote kruiskopschroevendraaier. Zo eentje zocht ik. Die paste helemaal in Carlos’ kop. Ik pakte hem en woog hem op mijn hand. Lekker zwaar. Het handvat voelde ook goed. Deze werd het. Ik had geen mandje, dus liep ik met de schroevendraaier terug naar de ingang om een mandje te pakken. Wat voelde dat lekker. Ik was een ridder die zojuist van de wapensmid een nieuw zwaard gekregen had. Nu dus nog wat meer doe-het-zelf-spul. Algemene dingen, niks geks. Een hamer, een nijptang, een doosje spijkers, een pakketje schroeven, een paar kleinere schroevendraaiers, een klein zaagje. Bij de kassa lagen meetlinten van vijf meter, nam ik er ook een van mee. Alles in een plastic tasje, dat door het gewicht bijna doorscheurde. ‘O, dat houdt hij wel hoor,’ zei de jongen achter de kassa. ‘Daar kunt u wel mee thuiskomen.’

In de repetitieruimte was een band duistere new wave aan het spelen toen ik binnenkwam. Dat iedereen ongelukkig was en zo, ik kon niet goed verstaan wat er gezongen werd, behalve dan de woorden ‘schizophrenic’ en ‘misery’. Ik stak mijn hand op om te groeten en om te gebaren dat ze gewoon door moesten spelen. Het gereedschap legde ik uitgespreid in de vensterbank. De band stopte. De bassist liep naar de vensterbank en inspecteerde het gereedschap. ‘Goed hamertje,’ zei hij, ‘ligt lekker in de hand.’

‘We gaan binnenkort verbouwen,’ zei ik. Ik nam een stoel en ging zitten.

‘Jammer,’ zei de bassist. ‘Verliezen we dan deze repetitieruimte?’

‘Ja, het wordt een kunstgalerie.’

‘Jammer hoor.’

‘In plaats van te repeteren, kunnen jullie hier wel een keer komen spelen als we een tentoonstelling openen.’

‘Oh, een optreden!’ riep de zanger in zijn microfoon.

‘Een opening moet tenslotte een beetje feestelijk ingekleurd worden. Er staat een tentoonstelling met donkere schilderijen op de planning, daar past jullie werk mooi bij.’

Morgen zou Carlos weer een lading coke halen, vijf kilo. Nonchalance was de dekmantel, hoe nonchalanter je rondliep, hoe minder verdacht je was. Vandaar dat we de coke vervoerde in plastic tasjes van de supermarkt en dat we die tasjes een beetje lieten rondslingeren. Althans, zo zag het eruit. Wij zelf wisten dondersgoed waar we onze handel lieten.

De volgende dag stond ik vroeg op. Carlos was ook vroeg op weg om de nieuwe handel op te halen. Ik ging naar ons pand, pakte de keukenmachine en de rest van de zooi om de coke te versnijden en bracht dit allemaal naar mijn kamer. Dat was nu veiliggesteld. Weer terug naar de Besterdring. Zitten en wachten. Wachten. Hoe lang ik heb gewacht, weet ik niet meer. Op een gegeven moment kwam Carlos inderdaad binnen met vijf plastic supermarkttasjes. Ik zat aan de tafel. ‘Carlos!’ riep ik toen hij de voordeur opende.

‘Ah, je bent er al,’ zei hij.

‘Kom erbij.’ Carlos kwam de kamer binnen en zette de vijf tasjes verspreid op de grond. Zo zag het er niet uit als iets wat ertoe deed. Het zag eruit als willekeurige rommel. Mijn hart bonkte in mijn keel, mijn zenuwen gierden door mijn lichaam, de adrenaline spoot mijn oren uit. Ogenschijnlijk was ik rustig, innerlijk ontplofte ik bijna. Dit was het moment. Nu moest het gebeuren. Hier had ik naar uitgekeken. Dit was mijn plan. Nu ging hij eraan. Carlos ging zitten. Ik stond op en liep naar de vensterbank.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 35. Schuld en boete

Hoofdstuk 34. Overal en nergens

In je eentje in de auto heb ik altijd heel saai gevonden. Zelfs met muziek aan, vond ik jaren geleden saai en nu nog steeds. Ik was toch al niet zo’n reiziger, ik vind het leuk om ergens te zijn, niet om erheen te gaan. Verplaatsingen zijn niets voor mij. Helaas horen ze erbij, het is niet anders. Het landschap interesseert me niets, als chauffeur kun je toch niet goed om je heen kijken. De weg van Tilburg, via Eindhoven, Maastricht en Luik naar Luxemburg vond ik eentonig. Luxemburg zelf is me ook een partij eentonigheid en dufheid hoor! Dat mensen daar voor hun plezier naar toe gaan, is me een raadsel. Zelden of nooit zo’n saaie stad gezien. Gelukkig was ik er voor zaken. Ik had een kamer geboekt bij Gasthaus Landmann. Daar werd ik vriendelijk ontvangen, want Luxemburgers zijn een vriendelijk volkje. Een belangrijke reden waarom ze dus saai zijn. Ze zijn ook betrouwbaar, met hun bankgeheim als betrouwbare kers op de betrouwbare taart. Dat bankgeheim was mijn doel, het Luxemburgse en ook Zwitserse bankgeheim waren onderdeel van het plan. Het geld moest naar het buitenland en daarna moest het witgewassen worden. Bij dat witwassen waren we nog niet. Ik was bij stap 3b. Stap 3a was het geld in het buitenland zien te krijgen, stap 3b was het geld in het buitenland zien te houden, zien te consolideren. Vanuit Gasthaus Landmann liep ik naar het postkantoor om de postbus te legen. Ik was benieuwd – raar eigenlijk, want ik had zelf de enveloppen met geld op de bus gedaan. Ik opende de postbus en die zat bijna helemaal vol. Allemachtig, wat een berg post! Dat ging ik zo niet meekrijgen, tientallen losse enveloppen… Nee, dat ging niet. Ik sloot de postbus en besloot een mooie tas te kopen. Het centrum van Luxemburg is niet zo groot, het winkelaanbod ook niet. Gelukkig was er wel een warenhuis, een soort V&D. Kaufhaus Huppeldepup – geen idee meer hoe het heette. Bestaat tegenwoordig ook niet meer. Daar hadden ze een tassenafdeling waar ik een mooie leren tas kocht.

In het postkantoor hield ik de geopende tas voor de postbus en schoof alle enveloppen erin. In de bar van het Gasthaus kocht ik een fles wijn voor op mijn kamer. Dat bleek nogal wrang spul te zijn. Het imago van Luxemburgse wijn was voor mij nietbestaand, maar nu was het de Luxemburgers toch gelukt om dat imago te doen kelderen. Het geld maakte echter veel goed. De hotelkamer had een klein bureautje, met een groene nepleren onderlegger. Al die enveloppen die we hadden gevuld en dichtgeplakt moesten nu weer opengemaakt worden; de bankbiljetten op mooie stapeltjes gelegd. Daar was ik wel een tijd mee bezig. De zoete smaak van geld overklaste de wrange wijn. Van de enveloppen maakte ik wikkels om om de geldstapels te doen. Het geld ging in de nieuwe tas. Er was nog tijd om naar de bank te gaan. Daar keek men niet vreemd op toen ik het enorme bedrag in guldens kwam storten. Sterker nog: ik kreeg het gevoel een kleine jongen te zijn. Er was voor mij geen speciale behandeling, ik werd niet meegenomen naar een privékamer, ik kreeg geen koffie, ik kreeg geen sigaar aangeboden. Ik kreeg helemaal niets. Het geld werd in ontvangst genomen, geteld en mee naar achteren genomen. De mevrouw haalde een papier tevoorschijn dat ik moest tekenen en dat was dat. Het bankafschrift zou ze sturen naar mijn postbus. Dat was het dus. Er was niets romantisch aan. Ik voelde me geen acteur in een spionage- of maffiafilm. Ik voelde helemaal niets, nou ja, ik voelde me een beetje opgelucht. Wat er nu ook zou gebeuren, dit geld was veilig. Stel dat ik opgepakt zou worden voor handel in verdovende middelen, na afloop van de celstraf zou ik naar Luxemburg gaan om daar mijn geld op te halen. Morgen het tweede deel van stap 3b. Stap 3b2 dus.

De geschiedenis herhaalt zich, nooit helemaal precies, maar toch herhaalt ze zich. De weg van Luxemburg naar Bazel was wat minder saai dan van Tilburg naar Luxemburg, maar saai genoeg om saai te zijn. Bazel zelf was wat bruisender dan Luxemburg, maar ook niet heel veel. Bazel was het Luxemburg van Zwitserland. Dat weet ik niet hoor, want ik was verder nog nooit in Zwitserland geweest, ik bazel dus maar wat. Een mens moet wat doen om de saaiheid van het autorijden tegen te gaan. Inmiddels ben ik wel vaker in Zwitserland geweest, vooral in Genève – mijn eerste indruk is altijd overeind gebleven: Zwitserland is saai en Bazel is Zwitserland. In Bazel nam ik hotel Der Teufelhof, vanwege de naam. Het is niet mijn bedoeling om reisadviezen te geven, maar als u nog een keer in Bazel moet overnachten, neem dan Der Teufelhof. In Bazel ondernam ik dezelfde procedure als in Luxemburg, met uitzondering van de aanschaf van een tas. Ik vulde de tas met enveloppen uit de postbus, ik kocht een fles wijn in de bar (een mooie Nuits-Saint-Georges), op de hotelkamer maakte ik mooie stapeltjes geld en daarna liep ik rustig naar de bank. Ook in Bazel werd ik niet met allerlei égards behandeld. Gewoon keurig netjes, dat wel. Ik vroeg me af hoeveel je moest komen brengen om wel als een vorst binnengehaald te worden. Van mijn tonnen in guldens was men niet onder de indruk. In het hotel besloot ik het duurste menu te nemen. Daar leerde ik van dat je altijd iets bij je moet hebben om je mee te vermaken. Het menu van negen gangen was heerlijk en langdurig. Ik zat me tussen de gangen door stierlijk te vervelen. Normaal heb je dan de tijd om met elkaar te praten. The Financial Times was niet mijn favoriete leesvoer, maar die avond heb ik hem van A tot Z gelezen. Sindsdien heb ik altijd een boek bij me, ook voor ’s avonds op de hotelkamer. Ik ben de afgelopen dertig jaar vaak in hotelkamers in Luxemburg en Bazel geweest en ik had dus heel wat boeken verslonden. Boeken over moordenaars waren mijn favoriet, dat had ik al verteld, geloof ik. Als je leest, hoef je niet te reizen, hoorde ik iemand eens zeggen. Het omgekeerde is eerder waar: als je reist, dan moet je veel lezen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 34. Overal en nergens

Hoofdstuk 33. Moeder en zoon

Op de uitvaart van mijn moeder was het druk, hoewel het volgens mij niet druk genoeg was. Zes weken geleden was er alvleesklierkanker gediagnosticeerd, begin januari. Ze had het aan niemand verteld, ineens was ze dood. Het was voor het eerst sinds een jaar of anderhalf dat ik Sjak zag. Hij knikte naar mij, ik knikte naar hem. Hij was een verslagen man. Zijn dochter dood, geen contact meer met de moeder van zijn dochter, zijn vrouw nu ook dood. Waarom hij nog leefde, was hem een raadsel. Die hele klassenstrijd was er niet van gekomen, het aantal mensen dat CPN stemde nam razendsnel af, net als het ledenbestand. Hij hoefde steeds minder adreswikkels te tikken voor de CPN Ledenkrant. Het leven van Sjak bestond nu alleen nog maar uit sjek en bier. Het was dus druk op de begrafenis. Er waren echter geen bekende Nederlanders: Nico Haak liet zich niet zien, Benny Neijman niet, Ramses Shaffy niet. Schrijvers waren er ook niet – die mensen had ik er allemaal graag bij gehad. Mijn moeder genoot van de contacten met de bekende mensen, het was heel jammer dat juist zij er niet waren. Wel veel mensen van de techniek, zo liet ik mij vertellen. Er waren decorbouwers, cameramannen, geluidsmannen, lichtmannen, kantinemedewerkers. Er werd muziek gedraaid. ‘The Cure,’ had ik gezegd, dat was ook meteen mijn enige bemoeienis met die hele uitvaart. ‘The Cure, want mijn moeder correspondeert met de zanger.’ Ik had niet voor durven stellen om ‘Killing an Arab’ te draaien, want dat zou al te vreemd zijn. Toch was het dat liedje waarmee de vriendschap tussen mijn moeder en Robert Smith begonnen was. Overigens was er een paar weken na de begrafenis een kaartje van Robert Smith in de bus gevallen met zijn condoleances, maar daar kwam ik pas achter na de dood van Sjak in 1990. De uitvaart was heel sober, niemand hield een toespraak. De uitvaartmevrouw sprak aan het begin een kort woordje, waarin ze iedereen welkom heette. Daarna klonk er muziek: Harry Belafonte, iets uit De Notenkraker en ‘A forest’ van The Cure. Iedereen liep langs de kist – een lange rij mensen. Ook heel veel mensen uit de buurt, veel vrouwen met wie ze graag sherry dronk. Er leek geen einde te komen aan die rij. Sommigen hadden een bloem bij zich, anderen niets. Het maakte me niks uit. Ik had geen emoties, ik voelde helemaal niets. Niet zo lang geleden zou ik zin hebben gehad in een vette joint, nu niet. Ik had nergens behoefte aan, nou ja, misschien aan een goed glas wijn.

            Na afloop van de dienst – die geen dienst was – verzamelde iedereen zich in de koffieruimte van het uitvaartcentrum. Het was er stampvol. Iedereen wilde mij een hand geven, ik wilde een glas wijn. Toen ik dat zachtjes zei, antwoordde er iemand dat hij daarvoor zou zorgen. Een paar tellen later stond ik met een glas goedkope zure bocht in de hand. De troost van de alcohol gold niet in het uitvaartcentrum. Een oudere vrouw die ik nog nooit gezien had, viel mij huilend om de nek. Een dikke meneer met een enorme mat in zijn nek gaf mij de stevigste hand die ooit iemand aan mij gegeven had. Een groepje kantinemedewerkers zei me dat ‘Ria zoveel over je verteld had. Ze was trots op je.’ Vreemd dat ik daar nooit iets van gemerkt had. Mijn glas wijn was leeg. Een vrouw van een jaar of 35 met een vrolijke jurk, en haar haar in twee blonde vlechten had een fles sherry van de bar gepakt en vulde mijn glas ermee. ‘Je moeder dronk graag sherry,’ zei ze. Dat zal wel, maar daarom hoefde ik het niet te drinken. ‘Je bent een mooie jongen,’ fluisterde ze me in mijn oor. ‘Als je behoefte hebt aan troost, dan kom je maar langs hoor.’ Ze wreef over mijn arm, waardoor er een golf sherry uit het glas klotste. Ik had geen idee wie die vrouw was, laat staan dat ik bij haar langs kon gaan voor troost. Ik had helemaal geen behoefte aan troost. Later, toen ik ging lezen, zou ik te weten komen dat Gerard Reve de term ‘vieze oude vrouw van boven de dertig’ gemunt had.

            Mijn vader was er niet. ‘Ik wil niets met Ria te maken hebben, ik ben thuis in TiKuKo en daar wil ik nooit meer weg. Alles leidt af van de kunst,’ had hij gezegd. Alsof die kutschilderijen van hem ooit kunst zouden zijn! Ik had mijn vader een paar honderd gulden gegeven, om materiaal aan te schaffen. Als ik zijn schilderijen tentoon wilde stellen, dan moesten er wel schilderijen zijn. Met die paar honderd gulden kon TiKuKo even vooruit. Daarmee konden ze bij Antoon de Jong verf en doeken kopen, en bij de Edah een paar kratten Pitt Bier. Ergens begreep ik mijn vader wel, een begrafenis is een soort mosterd na de maaltijd. Dood is dood, geen ritueel kan de dode terughalen, er zijn geen toverspreuken die de werkelijkheid kunnen veranderen, geen priester kan de onderwereld in om met de doden te praten. Er zijn geen goden en helden. Dood is dood, zo simpel is het uiteindelijk wel. Ik ging weg, ik wilde niet blijven tot het einde. Dan zat ik met Sjak opgescheept en daar had ik geen zin in. Sjak kon wat mij betreft doodvallen – iets wat hij inderdaad niet eens zo heel veel later zou doen.             Ik had nog meer te doen vandaag. Er lagen grote stapels enveloppen met honderdduizenden guldens in de bagageruimte van mijn Golfje. Geadresseerd aan de postbussen in Luxemburg en Bazel. Ik zou langs een paar steden gaan om de enveloppen op de bus te doen. Eerst Utrecht, dan Den Bosch en via Eindhoven weer terug naar Tilburg. De enveloppen moesten zo veel mogelijk verspreid aangeboden worden aan de PTT, zodat ze zo verspreid mogelijk naar het buitenland vervoerd zouden worden. Het briefgeheim woog zwaar en de politie moest extreem goede aanwijzingen hebben om enveloppen open te maken. Een van die aanwijzingen zou kunnen zijn dat er een hele stapel enveloppen met dezelfde adressen in dezelfde brievenbus zat. Dat zou raar zijn. Vandaar dat ik mijn best deed om de enveloppen zo veel mogelijk te verspreiden over allerlei brievenbussen. Het kon wel een week duren voor ik een paar ton verstuurd had. In de tussentijd had Carlos voor veel geld coke verkocht en dat geld moest dan ook weer verstuurd worden. ’s Avonds ging ik met Carlos mee langs de plaatsen waar we onze waar af konden zetten en overdag hielp Carlos mij om het geld in de enveloppen te doen, de adressen erop te schrijven, postzegels te plakken en hij hielp me om de enveloppen in de brievenbussen te gooien. We kochten grootverpakkingen poedersuiker bij de Makro en we kochten zo veel mogelijk verspreid zo veel mogelijk paracetamol om de binnengekomen coke te versnijden. We hadden een druk bestaan.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 33. Moeder en zoon

Hoofdstuk 32. Misdaad en straf

Hoewel ik helemaal geen familiemens ben, vond ik het tijd om mijn vader eens te bezoeken. Hij was nog nooit bij mij op visite geweest, belangstelling van zijn kant was nul. Ik had TiKuKo echter nodig voor de uitvoering van mijn plan. Carlos moest eraan en ik moest rijk worden. Voor het eerste deel had ik mijn vader niet nodig, dat moest ik helemaal zelf doen. Voor het tweede deel had ik hem heel erg nodig. Ik parkeerde mijn auto voor het boerderijtje. De twee caravans stonden er nog steeds, ze zagen er vervallen uit. Achterstallig onderhoud doet een caravan niet goed. Ook het boerderijtje kon enige opknapbeurten gebruiken. De bewoners hielden zich liever bezig met het schilderen van schilderijen dan van kozijnen. Ik toeterde en stapte uit. Was er wel iemand thuis? Een man stond op, zag ik toen ik naar binnen keek, en liep naar de deur. Ik zwaaide naar de man. Het was Geert.

            ‘Geert,’ zei ik, ‘hoe gaat het met je.’

            Geert moest daar even over nadenken. Hij wreef over zijn leren broek, krabde op zijn hoofd, hij stak zijn wijsvinger op en zei: ‘Goed.’ Het was voor het eerst dat ik begreep wat Geert zei. Dat duurde niet lang, want Geert vervolgde met: ‘Van het gebaar, van de mimiek, van het niet-bewuste, van het onopzettelijke, van de indicatie in het algemeen, ja, de mogelijkheid ze soms te hernemen en in een discursief en opzettelijk commentaar te expliciteren, onderstreept alleen maar het belang van voorgaande onderscheidingen.’

            ‘Geert,’ ik poogde hem te onderbreken, ‘ik zwaaide gewoon naar je. Het was geen gebaar.’

Geert liet zich niet de mond snoeren: ‘Door deze interpretatie laat een latente expressie, een willen-zeggen dat zich nog op de op de achtergrond hield, zich “horen en verstaan”. De niet-expressieve tekens willen slechts zeggen voor zover men ze ertoe kan brengen uit te zeggen wat in hen murmelde en zich in een soort gestamel ophield.’

‘Is mijn vader er ook?’

Geert wees naar de linker caravan en vervolgde zijn betoog: ‘De gebaren willen slechts zeggen voor zover men ze beluisteren, ze interpreteren kan. De essentie van taal is haar telos en haar telos is het wils-bewustzijn in de vorm van het willen-zeggen. De indicatieve sfeer die buiten de aldus omschreven expressiviteit valt, bakent de mislukking van dit telos af. Zij vertegenwoordigt alles wat, hoewel het zich met de expressie ineenstrengelt, toch niet hernomen kan worden in een opzettelijk en van het willen-zeggen doordrongen discours.’

Halverwege was ik al weggelopen naar de caravan die Geert aangewezen had. Daar klopte ik op de deur.

‘Ja?’ Het was de stem van mijn vader.

‘Ik ben het.’

Er klonk wat geschuifel voor het deurtje van de caravan openging, een walm van mufheid kwam naar buiten. Mijn vader zag er verfomfaaid uit, zijn haar was door de war en hij had een trainingsjackje aan en een joggingbroek. ‘Hoe is het ermee?’ vroeg hij. Hij stapte naar buiten.

‘Goed,’ antwoordde ik. ‘Heel goed. En met jou?’

‘Ook goed. Of beter: niet goed. Trudy is zeer bedroefd over de dood van Moniek. Wij allemaal natuurlijk. Trudy woont nu op de zolder van het boerderijtje en ze schildert alleen nog maar zwarte stippen op beige vlakken. Dat is haar rouwverwerking.’

‘Goh, wat vervelend.’ Wat moet je zeggen op zo’n moment?

‘Financieel gaat het ook niet goed. De BKR is afgeschaft. We zitten nu in de bijstand en dat is helemaal geen vetpot. Niet dat we van die BKR rijk werden… Het is armoe troef op dit moment. We kunnen ons slechts het goedkoopste bier veroorloven. En jij? Hoe gaat het met jou?’

‘Met mij gaat het goed. Daar kom ik juist voor. Ik verhuur repetitieruimte aan bandjes.’

‘O!’ riep mijn vader uit, ‘dat kunnen we hier ook doen. Wij hebben ruimte zat. Het punt is dat als er een band wil spelen dat we daar dan niks voor vragen.’

‘Ik vraag daar wel wat voor. Het is echter tijd voor mij om door te pakken, om de ruimte die ik heb beter te gelde te maken. Daar heb ik jullie hulp voor nodig.’

‘Wacht even, want zodra ik het woord “hulp” hoor, schakel ik een tandje terug.’ Hij ging de caravan binnen en kwam terug met twee flesjes lauw bier. Pitt Bier.

‘Proost,’ zei hij. ‘Hulp dus.’

‘Repetitieruimte verhuren levert weinig op. Ik wil de ruimte ombouwen tot kunstgalerie. Dat ombouwen lukt natuurlijk wel. Het is daarna zaak om de galerie vol te hangen met schilderijen. Jullie maken schilderijen. Als ik nou eens jullie kunst ga verkopen?’

Mijn vader dronk een paar slokken bier. ‘Nee, dat wordt niks. Nee, ik denk niet dat het iets wordt. En dan?’

‘En dan?’ reageerde ik verbaasd. ‘En dan? Dan verkoop ik jullie schilderijen en dan hebben jullie geld om van te leven.’

‘De BKR!’ riep mijn vader.

‘De BKR,’ zei ik.

‘Dan word jij onze Beeldende Kunstregeling!’

‘Ja, daar komt het wel op neer.’

‘Ik vind het nu al een goed plan.’ Het wereldrecord van-gedachten-veranderen staat op naam van mijn vader. ‘Kunnen we aan de slag?’

‘Ho ho ho, niet zo snel. Ik ben hier om te peilen of jullie mee willen werken. Ik heb nu van jou gehoord dat je meedoet, maar hoe zit het met de anderen? Wat wil Trudy?’

‘Trudy wil voorlopig zwarte stippen op beige vlakken schilderen. Als we het voor elkaar krijgen dat ze dat kan blijven doen, dan is het goed. Trudy gaat akkoord. Wil je nog een bier?’

‘Waarom niet?’ Pitt Bier is smerig en lauwwarm Pitt Bier is goor. Ik zat er voor een hoger doel, ik moest nu niet de mensen tegen de haren in gaan strijken. Mijn vader ging zijn caravan weer in en kwam terug met twee bier.

‘Proost.’

‘En Geert?’

‘Dat kunnen we aan Geert vragen. Ik zal hem er eens bij roepen.’

‘Dat hoeft nu niet per se, hoor. Je kunt het hem ook vragen als ik weer weg ben.’

‘Geert!’ riep mijn vader. ‘Geert! Kom eens hierheen!’

Geert zat al die tijd in de deuropening van zijn caravan te genieten van het herfstzonnetje dat tussen de bomen naar beneden scheen. Hij stond op en kwam onze kant uit.

‘Bas begint een kunstgalerie. Zou jij zin hebben om daar te exposeren?’

Geert trok een blij gezicht en hij begon gebaren te maken alsof hij een schilderij maakte. Ineens stopte hij daarmee, wees naar mijn vader en zei: ‘De expressie als teken dat wil-zeggen is dus een tweevoudig uit zichzelf treden van de zin op zich en dit gebeurt in het bewustzijn zelf, in het met-zichzelf of bij-zichzelf. Later, na de ontdekking van de transcendentale reductie zullen we de tekens kunnen omschrijven als een noëtisch-noëmatische sfeer van het bewustzijn. Als wij, met het oog op meer klaarheid, bemerken hoe de “improductieve” laag van de expressie elke andere intentionaliteit zowel naar vorm als naar inhoud weerspiegelt, in een spiegel “reflecteert”.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 32. Misdaad en straf

Hoofdstuk 31. Mensenhaat en berouw

Carlos en ik hadden afgesproken om niet een luxeleven te leiden. We wilden niet de aandacht trekken, dus voor ons geen Ferrari en Armani. Ik had niet eens een rijbewijs, hetgeen bijzonder onhandig was. Het geld dat we verdienden spaarden we. Er kwam een moment voor de grote klapper, zo zeiden we. Twee jonge mannen met heel veel geld, dat kon natuurlijk niet. Ik had een plan om het geld weg te sluizen en wit te wassen. Carlos was ervan onder de indruk. Stap 1 van het plan: rijbewijs halen. Zonder rijbewijs geen auto, zonder auto geen mogelijkheid om het geld het land uit te krijgen. Tijd voor rijles. En niet een uur per week, maar iedere dag. Dat ging prima. Ik blowde al een tijdje niet meer, ik nam nooit iets van de coke en ik wist mij in te houden met de drank. ’s Avonds zat ik op mijn kamer dure wijn te drinken. Carlos en ik deden niet aan uiterlijk vertoon, hoewel het geld in onze handen brandde. Ik had zakken vol geld onder mijn bed en ik zat op bed met een glas Pouilly-Fuissé in de hand, of een glas Pomerol. Geld voor een duur pak was verboden, enkele tientjes voor een fles wijn was geen probleem. Of tweehonderd gulden voor een fles Saint-Émilion. Dat rijbewijs kwam er, in een keer geslaagd. Ik kocht een tweedehands Golf, contant afgerekend.

Tijd voor stap 2 van het plan: het buitenland. Carlos had de opdracht om de handel door te laten gaan. Hij had de muziekscene inmiddels in handen en de MDKLNKRT. Ik vond het grappig, toen ik hoorde dat er tweespalt heerste in de MDKLNKRT. De ene gang werd bevolkt door blowers en de andere door snuivers. Stop met ruziemaken, jongens en meisjes, gewoon allemaal aan de coke. Carlos leverde aan de deur, ik leverde in Luxemburg. Carlos leverde coke, ik geld. In Luxemburg opende ik een zakelijke bankrekening onder de naam ‘Campanile’ bij de Banque et Caisse de Luxembourg en ik huurde een postbus op het postkantoor. Daarna reed ik door naar Bazel. Daar liep ik binnen bij de Müller & Holstein Bank om ook daar een bankrekening te openen. Ook in het Bazelse postkantoor nam ik een postbus. Stap 2 was klaar. Drie dagen later was ik weer in Tilburg.

Ik liep onze winkel binnen om Carlos het goede nieuws te vertellen, tot mijn verbazing trof ik drie muzikanten aan die Nederlandstalige muziek aan het spelen waren. The New Four, dacht ik grimlachend.

‘Wat is dit?’ riep ik uit. De muziek stopte.

‘Wij repeteren hier,’ zei de accordeonist.

‘Waar is Carlos?’ vroeg ik.

‘Boven.’

Ik stormde de trap op. ‘Carlos!’ riep ik.

Boven zat Carlos in een comfortabele fauteuil. Ik had de neiging om hem aan te vliegen, om zijn keel dicht te knijpen en om zijn kop tegen de muur kapot te beuken. Ik hield me in, ik deed niets. Ik ademde in door mijn neus, haalde mijn schouders op en vroeg rustig: ‘Carlos, wat is er aan de hand?’

‘Berend kwam langs om de huur op te halen. Gewoon zoals altijd. Hij keek echter rond en ik zag dat hij het vreemd vond.’

‘Wat vond hij vreemd?’

‘Ik betaal iedere maand de huur en er is geen activiteit. Hoe betaal ik de huur? Ik zag hem denken: “Waarvan betaalt Carlos de huur?” En dat snap ik wel.’

‘Inkomsten genereren is onderdeel van het plan, dat komt nog.’

‘Te laat, we betalen al lang huur en we hebben al lang geen inkomsten voor de buitenwereld. Berend neemt de huur in ontvangst, maar hij vertrouwt het niet. Toen dacht ik dat we ons pand konden gebruiken als repetitieruimte. Dat is een duidelijk verhaal. Mensen zien de musici in- en uitlopen, ze horen de repetities. Kortom: hier vindt bedrijvigheid plaats.’

‘Okee, voorlopig ga ik akkoord. Om een muzikale term te gebruiken. Op de langere termijn stopt dit en treedt mijn plan in werking.’

‘Afgesproken,’ zei Carlos. ‘Hoe ging het in Luxemburg en Zwitserland?’

‘Goed. We hebben er bankrekeningen en postbussen. Tijd voor de volgende stap.’ Ik hoorde het bandje beneden ‘Meisje, ik ben een zeeman’ spelen. Godverdomme, dat is een liedje van The New Four! Niet te geloven, je denkt aan iets en het volgende moment is het werkelijkheid geworden.

‘Ik heb wat voor je,’ zei Carlos. Hij opende een campingkoelkastje en haalde er een fles champagne uit. ‘Taittinger, dat drinkt James Bond ook altijd.’

‘Lekker,’ zei ik.

Carlos pakte twee bierglazen uit de kast.

‘Hahaha! Bierglazen! Wat ben je toch ook een boerenlul.’

‘Ik was vergeten champagneglazen te kopen. Een glas is een glas.’ Carlos liet de kurk knallen en schonk de glazen vol. ‘Proost.’

‘Proost Carlos, op je gezondheid.’ Ik kon zijn aanwezigheid niet meer aan, met walging keek ik toe hoe hij het glas achteroversloeg. Zijn dagen waren geteld. Zwijgend dronken we de rest van de fles leeg. Het bandje beneden speelde ‘Kiddy kiddy kiss me’ van Highway. Mijn weerzin en afkeer nam enorme vormen aan. Tijd voor actie, tijd voor stap 3. ‘Ik ga weer naar huis, om stap 3 uit te voeren.’ Eenmaal buiten genoot ik van de frisse lucht, daar ademde ik vrij. Bij het postkantoor op het Besterdplein kocht ik een stapeltje enveloppen en de krant. Thuis op mijn kamer opende ik een fles Amarone. Heerlijk. Ik trok een tas met geld onder mijn bed vandaan. Tienduizenden guldens… Ik scheurde een blad uit de krant, vouwde er een stapeltje briefjes in en stopte het in een envelop. Dat zag er goed uit, alsof het een dikke brief was. Ja, zo moest het dus. Ik zette de spullen op het bureau en ik ging aan de slag. Na een half uur had ik een flinke stapel gevulde enveloppen liggen. De ene helft adresseerde ik aan mijn postbus in Luxemburg, de andere helft aan mijn postbus in Bazel. Morgen zou ik een rondje postkantoortjes doen en in ieder postkantoor een envelop naar Luxemburg en een envelop naar Bazel op de bus doen. De kans dat de enveloppen geopend zouden worden, was klein. Mijn postbussen zouden zich vullen met enveloppen met inhoud. Ik hoefde er slechts naar toe te rijden om het geld naar de bank te brengen. Dat was stap 3, geld wegsluizen naar het buitenland. Tevreden ging ik op bed liggen. De dood van Carlos was weer een stapje dichterbij gekomen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 31. Mensenhaat en berouw