Hoofdstuk 6. Geknipt en geschoren

Robert Smith bleek een aardige vent. Mijn moeder wilde haar Engels verbeteren en Smith stelde voor om pen friends te worden. Ze wisselden adressen uit.

            ‘Hij schrijft me toch niet terug,’ zei mijn moeder toen ze het verhaal thuis verteld had. ‘Denk je echt dat zo’n popzanger mij terug zal schrijven? Hij is tien jaar jonger dan ik. Bovendien is het helemaal niet rock ‘n roll.’

            ‘Je kunt het allicht proberen,’ zei mijn vader. ‘Misschien vindt hij het echt leuk. Zo’n popartiest is altijd op weg, van tv-studio naar tv-studio en van optreden naar optreden. Dat lijkt een heel spannend en interessant leven, maar ondertussen is het ook heel saai. Je weet na verloop van tijd niet meer waar je bent. Is het Hamburg of Bordeaux?’

            ‘Ik weet het niet hoor. Misschien heb je gelijk.’

            Twee weken later was de brief voor Robert Smith af. Hij werd gepost en lange tijd gebeurde er niets.

            ‘Zie je wel,’ zei mijn moeder, ‘hij schrijft echt niet terug.’

            ‘Niet geschoten is altijd mis. Nee heb je, ja kun je krijgen.’

            Na vier maanden klepperde de brievenbus. Een Engelse ansichtkaart! Robert Smith had teruggeschreven. Het was een kaartje:

Dear Ria,

A big thank you for your lovely letter. Keep the writing going!

Hugs and kisses and worst,

Robert Smith

De hele dag had mijn moeder het over het kaartje van Robert Smith. Ze ging er de hele straat mee langs. Alle buren moesten het zien en lezen. De volgende dag fietste ze naar de platenwinkel om de lp Three imaginary boys te kopen. Maar die lp viel tegen, helaas stond die single ‘Killing an Arab’ er niet eens op.

            ‘Eigenlijk is het gewoon herrie,’ concludeerde ze. Het was niet haar muziek. Nee, The Cure is geen Harry Belafonte. Toch bleef ze Robert Smith brieven schrijven, hoewel ze me nooit verteld heeft wat ze schreef, of in hoeverre haar Engels erop vooruitging. Twee tot drie keer per jaar kreeg ze een kaartje van Smith terug, met Kerst altijd en verderop in het jaar ook een of twee kaartjes. Mijn vader was er eigenlijk wel trots op, dat zijn vrouw post van de zanger van The Cure kreeg, maar Sjak had er totaal geen oog voor. Toen Sjak bij ons woonde begon hij er eens over. ‘Een ansichtkaart uit Smurfenland,’ zei hij, ‘dat zou pas bijzonder zijn.’

            ‘Misschien moet je dat eens aan Vader Abraham vragen,’ zei ik. ‘Vader Abraham kent de weg naar Smurfenland. Of komt hij nooit bij Voor de vuist weg?’

            Mijn moeder moest grinniken om mijn flauwe grapje, maar Sjak voelde zich op zijn pik getrapt. ‘Wijsneus dat je d’r bent. Jij moet altijd het laatste woord hebben, he? Nou, dat zal je nog eens duur komen te staan in je leven. Let op mijn woorden. Als klein ventje is het leuk om eigenwijs te zijn, in de grotemensenwereld wordt dat niet op prijs gesteld.’

            ‘Sjak, doe nu niet meteen zo kribbig,’ probeerde mijn moeder te sussen. ‘Wil je misschien een biertje? Ik ben wel toe aan een sherry.’

            ‘Ik doe helemaal niet kribbig. Waar bemoeit die jongen zich mee? We hebben een gesprek onder volwassenen, daar hoort kinderhumor niet bij. Hij kan beter naar zijn kamer gaan.’ Sjak wees naar de trap, door zijn armbeweging vloog de askegel van zijn sjekkie.

            Ik stampte de trap op naar boven. De deur van Monieks kamer stond open, ze lag op bed te lezen. De Tina. Ze keek op.

            ‘Hoi,’ zei ze.

            Ik was niet in staat om iets terug te zeggen. Ik ging naar mijn kamer en sloeg de deur dicht. Op het schoolplein had ik gehoord dat meisjes graag met hun vingers in hun kutje gingen, vooral als ze alleen waren.

            ‘Ze kunnen er van alles in stoppen,’ had Jeroen gezegd – een van de drie Jeroens die bij mij in de klas zaten. ‘Een banaan of een komkommer. Het kan allemaal. Een meisje heeft altijd bagageruimte bij zich.’

            ‘Waarom hebben vrouwen dan altijd een tasje?’ vroeg Patrick. ‘Voor de tweede banaan soms? Of voor de komkommer, als ze de banaan in hun kut gestoken hebben.’

            ‘Voor hun portemonnee natuurlijk,’ antwoordde Jeroen. ‘Ze hebben een tasje voor hun portemonnee.’

            ‘Kunnen ze dan geen geld in hun kut stoppen?’

            ‘Jawel, maar dat staat zo raar bij het afrekenen.’

            Moniek las de Tina, ze zat helemaal niet met haar vingers in haar kut. Misschien had ze de Tina van vorige week er wel zojuist ingestopt. Ik kon me er geen voorstelling bij maken.

            Sjak en Moniek waren bijzonder snel bij ons ingeburgerd en mijn vader was net zo snel uitgeburgerd. Het leek er vanaf de eerste dag op dat ze hier thuishoorden – als koekoeksjongen in een vogelnest, zo werden ze vertroeteld door mijn moeder. Mijn vader was bij Trudy gaan wonen in de MDKLNKRT in Tilburg, we hoorden weinig van hen. Een keer in de drie weken bleven Moniek en ik een weekend daar logeren. Dat was de situatie zoals de situatie was. Ik was tien jaar en ik kon er niets aan doen. Sjak en Moniek gedroegen zich alsof ons huis van hen was, ze liepen overal in en uit, ze zaten overal aan. Ze trokken veel samen op. Een keer, een paar weken nadat ze bij ons ingetrokken waren, kwam Sjak net uit Monieks kamer toen ik uit school kwam, hij keek een beetje betrapt, maar ik kon het niet duiden.

            ‘Dag jongen,’ zei Sjak, ‘ben je nu al uit school?’

            ‘Ja, gewoon. Het is altijd op hetzelfde tijdstip.’

            ‘Ja, ja. Eh… ga maar een koekje pakken.’ Sjak zat ergens mee, want hij stelde nooit voor om een koekje te pakken. Vreemd genoeg rookte hij niet. Hij zag dat ik naar zijn handen keek. ‘Een sjekkie, daar heb ik dan wel zin in. Neem jij een koekje en dan rol ik een sjekkie.’

            ‘En Moniek?’

            ‘Moniek zit op haar kamer, ze is aan het leren voor een proefwerk.’ Samenzweerderig fluisterde hij: ‘Laat haar maar even met rust.’

Moniek zat op de Alberdingk Thijm mavo en was die middag blijkbaar vrij. Dat kon gebeuren op het voortgezet onderwijs, dat er een vak uitviel en dat je dan naar huis mocht. Onmogelijk op de lagere school, tot mijn verdriet. Overigens ging ik graag naar school, maar de gedachte aan een vrije middag op zijn tijd, vond ik zeer aantrekkelijk. Ik haalde altijd goede cijfers zonder dat ik daar hard voor hoefde te werken. Die middag was Moniek vrij en zat ze op haar kamer met haar vader. Misschien had hij haar overhoord voor een proefwerk biologie. Of Duitse woordjes. Sjak ging naar de slaapkamer van mijn moeder en hij sloot de deur achter zich. Stilletjes liep ik de trap af, ik was bang dat Sjak ineens boos zou worden omdat ik een koekje ging halen. In de koektrommel lag nog één Bastogne-koek. Het was de laatste. Als ik dat koekje op zou eten, zou het opvallen. Wanneer er een heel pak in de trommel zit, dan mis je een koekje niet. Maar dit was het laatste koekje… Ik voelde me betrapt alsof ik iets stiekems deed. Ik besloot het koekje niet te eten. Ik deed het deksel dicht en keek naar de trommel: een afbeelding van De Nachtwacht. Kon De Nachtwacht maar tot leven komen. Als deze mannen van het deksel zouden springen, dan had ik er in een klap een heleboel nieuwe vriendjes bij, als een soort beweeglijke Playmobilpoppetjes. Ze zouden voor de lol met hun pieken en speren in Sjak prikken. ‘Zeg op,’ zouden ze zeggen, ‘wat deed jij op de kamer van Moniek? Welke Duitse woordjes heb je haar geleerd?’ En Sjak zou jammeren. ‘Genade! Genade! Het waren geen Duitse woordjes, het was biologie!’ De poppetjes zouden Sjak vastbinden en uit het raam gooien. Moniek zou mij om de hals vallen en controleren of ik niet gewond was geraakt. De poppetjes zouden juichen en we leefden nog lang en gelukkig. Mijn moeder zou trouwen met Robert Smith. Of toch gewoon weer met mijn vader? Met Robert Smith, want dan konden we mee op tournee. Helemaal naar Amerika.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.