Hoofdstuk 46. Wis en waarachtig

Het duurde twee weken voor mijn vader gevonden was. Hij was een waterlijk geworden. In eerste instantie werd er niet naar hem gezocht, hij was immers niet vermist. Pas na een paar dagen werd zijn afwezigheid serieus genomen. Ik kreeg vragen van de politie, zeer terughoudende vragen – alsof de vorige gesprekken tussen mij en de politie nog vers in het geheugen lagen. Het was een heel ander gesprek, de agente had helemaal geen idee wie ik was en dat ik ooit een verdachte was in een moordzaak. Een moordzaak op de plaats waar ik nu woonde. Ze stond in mijn galerie op de plaats waar onder het parket waarschijnlijk nog de oude roestbruine vlekken van het bloed van Carlos te zien zouden zijn. Het had me niets verbaasd als ik ineens weer een hart heel hard hoorde kloppen, net als de vorige keer. Er gebeurde echter niets. De vrouwelijke agent keek me begripvol aan. Ze had een paar algemene vragen. Wanneer ik mijn vader voor het laatst had gezien, bijvoorbeeld. En of we een goede band hadden. Ik speelde de ongeruste en bedroefde zoon wiens vader vermist was.

            ‘Ik kan me eigenlijk niet eens goed herinneren wanneer ik mijn vader voor het laatst gezien heb,’ zei ik, en ik deed mijn best om er zo verdrietig mogelijk bij te kijken. ‘Ik bezocht hem geregeld bij het boerderijtje waar hij woonde met Geert en Trudy. Daar had hij zijn atelier.’

            ‘Uw vader was kunstenaar?’ vroeg ze.

            ‘Ja, en een heel succesvolle,’ antwoordde ik. ‘Ik was zijn galerist.’

            ‘Galerist?’

            ‘Galeriehouder.’

            ‘O ja, ik snap het. U had ook een zakelijke relatie met uw vader?’

            ‘Dat maakte onze relatie extra intens,’ zei ik bedroefd. Ik keek naar de punten van mijn schoenen. ‘Hij was niet alleen mijn vader, hij was ook een soort zakenpartner. We zagen elkaar als familie en als zakenpartners. Onze gesprekken waren privé en ze konden ook ineens gaan over de kunstverkoop. Ik mis dus niet één persoon, ik mis twee personen: mijn vader én een groot kunstenaar.’

            ‘Ik begrijp het,’ zei ze. Ze keek me aan alsof ik ontroostbaar was. ‘Misschien komt hij nog terecht.’

            ‘Het is vriendelijk dat u dat zegt, maar we weten allemaal dat dit niet goed af zal lopen. Ik hoop natuurlijk dat hij gevonden wordt. Ik vrees echter het ergste. Tussen hoop en vrees gaan de dagen voorbij.’

Uiteindelijk was hij terecht, ze visten hem op bij Dongen, bijna twintig kilometer verderop. Had hij toch tien kilometer per week afgelegd. De officiële doodsoorzaak was verdrinking door dronkenschap. Met zijn dronken kop was hij te water gekomen en niet meer boven geraakt. Ja, dat klopte inderdaad. Dat ik hem een handje geholpen had, hoefde verder niemand te weten.

            Dit moest netjes afgehandeld worden, dus regelde ik een mooie crematie. Volgens mij wilde hij liever begraven worden, ik meen me te herinneren dat hij ooit zoiets gezegd had. Dus werd het een crematie. Dat vond ik nou weer leuk: water en vuur. Ik vroeg mij af of een waterlijk moeilijker te cremeren was dan een gewoon lijk. Ik durfde de vraag niet te stellen aan de uitvaartbegeleider. Hij had wel vragen voor mij: welke muziek er gedraaid moest worden. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: ‘Ik zou het willen doen’ van Doe Maar, ‘Meisje, ik ben een zeeman’ van The New Four en ‘Weekend’ van Earth and Fire. Ik zou zelf een toespraakje houden. (‘Mijn vader heeft zijn dromen gevolgd en is kunstenaar geworden.’) En we zouden Geert vragen voor een toespraak. (‘Hoewel er geen expressie en willen-zeggen zonder discours bestaat, is toch niet alles mogelijk zonder expressieve kern, toch zou men haast kunnen zeggen dat het discours in zijn geheel gevat is in een indicatief weefsel.’) Die laatste toespraak was om de aanwezigen te treiteren.

            Thuis overzag ik mijn situatie. Ik stond in de Tilburgse bovenwereld bekend als een harde werker met een goedlopende galerie; en ik was gul. In de Tilburgse onderwereld stond ik ook bekend als een harde werker. Eentje met goed spul, eentje die op tijd leverde. Bij de belastingdienst was ik ook bekend: als iemand met een goedlopend bedrijf. Ik maakte behoorlijke winsten en ik betaalde daar netjes belasting over. In Genève was ik ook een beetje bekend, niet heel erg en slechts in een beperkt aantal restaurants. Daar was ik een solistische man die het zich goed liet smaken en die tussen de gerechten door altijd een boek las.

De drugswereld was verhard, ik had er geen zin meer in. Ooit was ik er het centrum van, nu stond ik min of meer aan de periferie. Een centrum bestaat bij de gratie van de periferie. Centrum en periferie, ze kunnen niet met elkaar en ze kunnen niet zonder elkaar. Ik had beloofd mijn levensverhaal te vertellen, hoe ik een mens werd vanuit een slechte jeugd. Ach, uiteindelijk wilde ik gewoon veel geld verdienen en Carlos stond in de weg. Ik neem aan dat u dit zelf ook wel bedacht had. Ja, het was ook wraak op de dood van mijn stiefzus. Ja, Carlos was een Untermensch die het verdiende te sterven. Uiteindelijk ging het echter gewoon om geld. Om heel veel geld, dat wel. Het leven is zinloos, uiteindelijk bestaat het leven op wachten tot je doodgaat. Soms helpt iemand je ermee, meestal is het wachten tot de natuur je een of andere vreselijke ziekte opdringt. Het beste is het om dat wachten te veraangenamen met geld en om met dat geld dingen te kopen. Spijt heb ik niet, van niets. Waarom zou ik spijt hebben? Alles was uiteindelijk goed afgelopen voor mij. Ik besloot om de zaken af te ronden. Onlangs keek ik in de wc toen ik doortrok en ik dacht: daar gaat weer een stukje van mijn autobiografie. Het leek me daarom goed om mijn levensverhaal op te schrijven, gewoon aan mijn keukentafel. Er stonden miljoenen op mijn Zwitserse bankrekening, ik kon met gemak verhuizen naar Buenos Aires. Of naar Thailand.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.