Hoofdstuk 45. Water en vuur

Drie openingen per jaar, soms vier – als ik er zin in had. Dat wil zeggen: als er extra omzet gedraaid was. Dennis en Bas zorgden voor een stabiele omzet uit West-Brabant. Met Oost-Brabant kon ik na verloop van tijd ook zo’n constructie maken met twee vrienden, die gek genoeg allebei Gert-Jan heetten. Zo’n uitbesteding heeft invloed op de omzet en winst, maar scheelt je ook heel veel werk. Na een paar jaar controleerde ik de volledige cocaïne-markt in Brabant. Ik had me gespecialiseerd in de coke, als ik vragen kreeg over andere dope, dan verwees ik naar andere jongens. De coke-handel stabiliseerde zich, de rek was er op een gegeven moment uit. Vond ik helemaal prima. Ik was tevreden met mijn hoge omzetten, mijn klanten waren tevreden over de kwaliteit. Concurrentie had ik niet echt. In de wereld van de coke was ik een grote jongen; ik had iemand omgelegd en ik had de politie in mijn zak. Dat waren de verhalen. Verhalen die in de loop der jaren wat minder indrukwekkend leken, alsof ze aan het verjaren waren. Dat ik Carlos gedood had, maakte steeds minder indruk. Hoe lang ik de politie van me af kon houden? Tja, hoe gaat zoiets? Uiteindelijk zullen Dooremalen en De Regt met pensioen zijn gegaan, en ik had niemand anders om eventueel te chanteren. Hoe lang ik door kon gaan als succesvolle galerist wist ik ook niet. Aan alles komt een eind. Daar was ik ook voor aan het sparen, daar was mijn Zwitserse bankrekening voor bedoeld. Het Luxemburgse bankgeheim werd opgeheven, ik moest voortaan alles via Zwitserland regelen. Ik had daarvoor een mooi penthouse in Genève gehuurd. Dank je wel Luxemburg, het waren mooie jaren. Genève is prettig en prachtig. Beter dan Bazel. Iets verder weg, maar ach, als je toch onderweg bent, dan kunnen die paar kilometers er nog wel bij.

            Om me heen groeiden andere markten, die van de wiet bijvoorbeeld. Het leek alsof half Tilburg een wietplantage op zolder had, als je de kranten moest geloven. Er werd me wel eens gevraagd om daar ook in te investeren. Ik had er geen zin in, het was te veel gedoe. Dat stroom aftappen alleen al! Nee hoor, niks voor mij. Of de XTC. Brabant was de wereldleider in XTC-productie, maar niet dankzij mij. Mij niet gezien, ik hield het bij de coke. Gewoon via mijn vaste contacten in Bolivia, de vaste smokkelroute, de vaste klanten (Dennis, Bas, Gert-Jan en Gert-Jan), de vaste route naar de bank, de vaste witwasprocedure. Nog even en ik kon er tussenuit. Nog even en ik had genoeg gespaard om te verdwijnen.

            ‘Die Franse hotelketen die altijd onze schilderijen koopt,’ zei mijn vader, ‘hoe zit dat?’

            ‘Dat zijn de Campanile-hotels,’ antwoordde ik. ‘Die zitten in heel Frankrijk en daarbuiten. Om de haverklap openen ze een nieuw hotel.’

            ‘Een beetje zoals Van der Valk.’

            ‘Ja, zo kun je dat wel zien.’

            ‘En die willen onze schilderijen?’

            ‘Al die hotels lijken op elkaar. Iedere kamer is hetzelfde. In ieder restaurant eet je hetzelfde eten. Vandaar dat ze de kunstwerken op de gangen en in de kamers ook hetzelfde willen.’

            ‘Ja, dat had je al eens verteld.’

            ‘Dus vertel ik het je nog een keer.’

            ‘Verder koopt er nooit iemand een schilderij?’

            ‘Waarom vraag je dat?’

            ‘Omdat ik dat wil weten.’

            ‘De particuliere markt in Nederland is lastig. Nederlanders geven geen geld uit aan kunst. In Frankrijk is dat anders. En heb je eenmaal een contact, dan is zo’n contact blijvend. Fransen zijn heel trouw. Als je erbij hoort, dan hoor je erbij. Campanile zal dus niet snel met iemand anders in zee gaan.’

            ‘Hoe zit het met de prijs?’

            ‘Hoezo?’

            ‘Ik kan ook rekenen. Onze schilderijen brengen tweeduizend gulden op. Wij doen fifty-fifty. Dertigduizend gulden per keer, drie keer per jaar. Negentigduizend euro winst voor jou.’

            ‘Dat klopt inderdaad.’

            ‘Dat is een flink bedrag, maar die Audi van jou is wel een poepie meer waard.’

            ‘Afbetaling.’

            ‘Afbetaling mijn reet. Jij vraagt veel hogere bedragen aan die Franse hotelketen. Heel veel hogere bedragen. Ik vind fifty-fifty prima, maar dan ook echt fifty-fifty. Echt de helft van wat jij krijgt.’

            ‘Ik kan je vertellen hoe het zit. Het zit ingewikkelder in elkaar dan je denkt, er speelt namelijk meer. Zullen we er wat bij drinken? Dat praat makkelijker.’ Ik opende de fles Jägermeister en schonk twee glazen vol. Ik moest meedrinken, ik had geen excuus. Na de Jägermeister gingen we aan het bier. Mijn hersenen kraakten, hoe kwam ik hier uit? We dronken bier en ik babbelde ondertussen over kunst en dat Jasper Mikkers van die goede gedichten erbij maakte en blablabla. ‘En daarnaast ben ik persoonlijk kunstadviseur in Zwitserland,’ zei ik ineens. Ja, sodeju. Dat was hem. Zo kwam ik aan mijn geld! ‘In Zwitserland komen de rijken der aarde bijeen en ze weten van gekkigheid niet wat ze met hun geld moeten doen. Ik ben daar dan ook en ik adviseer hen dan welke kunst ze moeten kopen. Ik krijg dan een percentage.’ Het leek erop dat mijn vader dit verhaal pikte. ‘Laten we naar buiten gaan,’ stelde ik voor. ‘Maken we een wandeling langs het kanaal met een picknick.’ Ik pakte een fles calvados en een fles grappa. Mijn vader was dol op grappa, hij vond het dus een goed idee. ‘Voor onderweg hebben we een paar blikken Bavaria 8.6.’

            Het was slechts een kort wandelingetje naar de rand van Tilburg. Mijn vader klokte het bier achterover en ik deed zogenaamd met hem mee. We gooiden beiden ons blikje in een vuilnisbak – dat van mij zat nog half vol. Tijd voor een volgend blik. Na dit korte wandelingetje door de stad kwamen we bij het zandpad langs het kanaal. Het was mooi weer, maar omdat het een doordeweekse dag was, was er verder niemand. We vonden een idyllisch plekje tussen de lisdodden. De alcohol was in de benen gaan zitten, we waren blij dat we konden zitten.

            Ik haalde de flessen uit het rugzakje. ‘Hier,’ zei ik, terwijl ik mijn vader de fles grappa aanbood. ‘Hier, tegen de dorst.’

            Mijn vader dronk zijn blik leeg en gooide het in het kanaal. Hij opende de fles grappa en dronk er een paar flinke teugen uit. ‘Goed tegen de verkoudheid,’ zei hij. ‘Proost!’

            Ik maakte de calvados open en deed alsof ik er ook een paar flinke slokken van nam. Ik klakte met mijn tong en liet naast mij de calvados in het gras weglopen. Zwijgend zaten we naast elkaar, mijn vader dronk als een bezetene de fles leeg. Hij vond het moeilijk om het gesprek gaande te houden. Waarschijnlijk was hij erop uitgestuurd door Geert en Trudy om meer geld te bedingen. Hij stond, waggelde wat op zijn benen en zei: ‘Dat geld he?’

            Ik stond ook op, zette mijn linkervoet achter zijn rechterbeen, pakte hem bij zijn hoofd en worstelde hem met zijn bovenlichaam het water in. Hij maaide met zijn armen en benen terwijl hij op zijn buik lag. Ik zat op zijn rug en hield zijn hoofd stevig onder water. Het maaien en zwaaien nam toe, ik zette mijn knie op zijn nek om met mijn volle gewicht zijn kop onder water te houden. Een krinkelend winkelend waterding. De bewegingen werden minder wild en langzamer. Toen was het stil.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.