Hoofdstuk 43. Vraag en aanbod

De opening was een groot succes. Mijn vader en Geert waren er anderhalf uur voor de deuren opengingen, zoals we afgesproken hadden. Ik had veel drank gekocht. Zodra ze binnen waren pakte ik de fles Jägermeister en drie glazen: twee grote en een kleintje. ‘Voor jullie zijn de grote glazen, voor mij het kleintje. Jullie werk zit erop, ik moet vandaag flink aan de slag. Die schilderijen moeten er allemaal uit.’

            ‘Ik dacht dat er al een grote koper was?’ zei mijn vader.

            ‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Dat neemt niet weg dat ik nu de galerist ben die representatief zijn klanten moet ontvangen. Jullie zijn de kunstenaars die dit puike werk afgeleverd hebben, twee verschillende processen dus.’ Ik probeerde een beetje te praten als een kunsthandelaar.

            ‘In hetzelfde betekenisproces,’ zei Geert, ‘in dezelfde keten van tekens kunnen twee functies ineengestrengeld en verwikkeld raken. Nolens volens zou elke expressie dus in een indicatief proces vervat zijn, in zijn kern zelf behoort het gesproken woord zonder meer thuis in het algemene systeem van het betekenisproces dat op zijn beurt samenvalt met het systeem van de indicatie.’

            ‘Proost!’ riep mijn vader, zijn glas heffend. Hij dronk het glas in één teug leeg en alsof het een teken was, dronk Geert zijn glas ook in één teug leeg.

            ‘Het is de eenheid van een zekere “motivering”: zij beweegt iets dergelijks als een “denkend wezen” om door het denken over te gaan van iets naar iets anders,’ zei Geert

            Ik pakte de fles en schonk de glazen vol. Net zo snel waren ze weer leeg. Dat ging goed, de kunstenaars moesten vooral een onaangename indruk maken. Niemand moest ook maar de neiging krijgen een schilderij aan te schaffen. Ik had de prijzen hoog gehouden, naar mijn idee althans. Tweeduizend gulden per stuk, dat zou niemand ervoor overhebben. Als er dan ook nog eens twee dronken kunstenaars rond zouden lopen, dan wist ik zeker dat ik helemaal niets zou verkopen. Na een half uur was de fles Jägermeister leeg. ‘Er is bier voor de dorst, heren kunstenaars, achterin de galerie is de koelkast.’ Ik liep met hen mee, dan kon ik de glazen klaarzetten voor de gasten. De koelkast was goed gevuld met diverse soorten Belgisch bier, wijn en fris.

            Op het tijdstip van de opening kwamen de eerste gasten binnen. Jägermeister drinkt lekker weg, maar na een uur slaat hij toe. Doe er een paar biertjes bij en je bent al behoorlijk kachel. Dat was de toestand van Geert en mijn vader. Jasper Mikkers kwam binnen, een wapperend groen pochet in zijn paarse jasje, de gele stropdas nonchalant geknoopt. Ik stelde hem voor aan mijn vader en Geert. Mijn vader knikte nurks, Geert sloeg een arm om Jasper en zei: ‘Om te beginnen is er een begripsverwarring, het woord “teken” dekt – in het alledaagse taalgebruik altijd, in het filosofische soms – twee heterogene begrippen: het begrip “expressie”, dat men vaak ten onrechte als synoniem van teken in het algemeen aanziet, en het begrip “indicatie”. Nu zijn er tekens die niets uitdrukken omdat zij geen Bedeutung of Sinn vervoeren.’

            Jasper vond het een gênante vertoning en hij wist niet hoe hij los moest komen van die malle Geert. Na een half uur was de ruimte goed gevuld met gasten. Voor de vorm zou ik hen ‘potentiële kopers’ moeten noemen, maar dat was nou net niet de bedoeling. Er werd intussen goed gebruik gemaakt van de bar. Men prees mijn wijnkeus. ‘Normaal krijg je op een vernissage zure bocht,’ zei de toekomstige wethouder van cultuur, ‘hier krijg je goede wijn. En je hebt allerlei lekkere biertjes, dat is ook prettig. Het is de beste opening die ik ooit heb meegemaakt. Vooral de wijn die je schenkt, die wijn is echt heel goed.’

            ‘Ja, zei ik, ‘daar kom je voor terug hè?’

            ‘Op de volgende opening ben ik er weer.’

            Dat was precies de bedoeling. Ik wilde een volle bak met mensen die niets zouden kopen. Het was tijd dat Jasper zijn gedicht voordroeg, dat deed hij dus ook. Het was een prachtig gedicht over wat kunst met je doet. Na afloop kreeg hij een groot applaus. Zijn gedicht stond in schril contrast met die kutkunst om ons heen. Mijn vader begon te lallen, de drank was bijna op. Dat was het sein om naar huis te gaan. Of naar café Weemoed. In een oogwenk was de galerie leeg, op ons drieën na. Ik belde een taxi om Geert en mijn vader naar TiKuKo te brengen – vooraf af te rekenen. Geen probleem. Volgens mij had ik een goede indruk gemaakt. Met mijn bomvolle galerie was ik in één klap een succesvolle galeriehouder, tout Tilburg zou over me spreken.

            De volgende ochtend ruimde ik alles op en was het tijd voor de administratie. Ik maakte een factuur voor dertig schilderijen. Ik had dertig schilderijen verkocht voor twintigduizend euro per stuk aan hotelketen Campanile. Totale verkoop: zes ton. Ik moest er opeens keihard om lachen, ik kon niet blijven zitten. Een factuur van zeshonderdduizend gulden! Dat is toch om je bescheuren! Daarna maakte ik de afrekening voor de kunstenaars. Volgens afspraak kregen zij vijftig procent van de verkoop. Bij ieder schilderij hing een bordje met ƒ 2.000,–. Dertig schilderijen voor tweeduizend gulden is gelijk aan zestigduizend gulden, daar de helft van is dertigduizend gulden. TiKoKu kreeg van mij dertigduizend gulden. Zo veel geld hadden ze nog nooit gezien. Ik belde mijn bank in Luxemburg, de Banque et Caisse de Luxembourg, om zeshonderdduizend gulden over te boeken naar mijn bankrekening in Nederland. Later die week viel het bankafschrift in de bus, waarop duidelijk te lezen was dat ‘Campanile’ uit Luxemburg zeshonderdduizend gulden had overgemaakt. Mijn galerie had in een klap een omzet van zes ton gedraaid. Wit. Wis en waarachtig wit. Ik had de kosten netjes bijgehouden. De verbouwing, de maandelijkse huur, de rekening in café Weemoed, de inkoop van bier, wijn en fris, de taxi, de gage van Jasper, de afrekening met TiKuKo en tal van andere bonnen, rekeningen en facturen. Het grote aftrekken kon beginnen. Het was een heugelijke middag, ik genoot met volle teugen. Bij Henri Bloem wilde ik een bordeaux kopen uit mijn geboortejaar, maar de verkoper raadde me dat ten strengste af.

            ‘1968,’ zo zei hij, ‘was een enorm slecht jaar. De zomer was koud en veel druiven zijn niet tot rijping gekomen. 1982 was ook zo’n jaar. Ondrinkbare wijn hebben die jaren opgeleverd. Je kunt beter een fles port kopen. Ik heb een heel mooie uit 1968.’

            Later die week kocht ik een nieuwe Volkswagen Golf, maar niet nadat ik met mijn oude alle schilderijen naar de stort had gebracht. Ik had het linnen van frames gescheurd en in vuilniszakken gepropt. De frames verbrandde ik in de vuurkorf in de achtertuin. Misschien kan ik wel iets moois maken van die achtertuin, dacht ik, een extra expositieruimte voor een zomertentoonstelling.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.