Hoofdstuk 42. Vuur en vlam

Zo! Alles stond gereed. De galerie was een totaal witte kamer geworden, de kamers erboven een comfortabel appartement. Alles rook naar nieuwigheid, alles rook fris. Ik snoof de lucht door mijn neus diep naar binnen. Heerlijk. Ook heerlijk was dat Carlos uitgeschakeld was, dat de politie uitgeschakeld was… Ik had het monopolie op de cocaïnehandel in Midden-Brabant en – via de broers Dennis en Bas – in West-Brabant. Er stond geld op de bank, er lag een nieuwe lading coke in de keuken, er hingen afschuwelijk lelijke schilderijen aan de muur. Zo dus. Ik was de koning hier, de baas van de Besterdring. Het moest natuurlijk groot, groter en grootst aangepakt worden, zo groot als de twisten tussen de Hoeken en Kabeljauwen. Zonder haat en nijd.

            In café Weemoed zag ik Jasper Mikkers. Hij had een fuchsia-roze jasje aan. ‘Jasper,’ zei ik, ‘ik heb je hulp nodig.’

            Jasper legde zijn krant opzij en vroeg: ‘Wat kan ik voor je betekenen?’

            ‘Ik heb een gedicht nodig. Althans, iemand die een gedicht komt voordragen.’

            ‘Dat is iets waar ik me mee bezig houdt.’

            ‘Precies, je bent er maar druk mee.’

            ‘Ja, dat geloof ik wel.’

            ‘Ik heb binnenkort in mijn galerie mijn eerste verkooptentoonstelling. Ik heb prachtig werk van het Tilburgs Kunstenaarskollektief. Ken je dat?’

            Jasper slikte even. ‘Ja, dat ken ik wel. Die zitten al heel lang in Gilze.’

            ‘In Gilze en Rijen. Zo groot zijn ze.’

            Jasper kon mijn grapje niet waarderen. ‘Die zijn al heel lang bezig, in verschillende samenstellingen. Dat collectief is een komen en gaan van kunstenaars.’

            ‘Tegenwoordig is de samenstelling zeer stabiel. Ik vind dat ze prachtig werk maken en daarom heb ik besloten om hun schilderijen te verkopen. Zou jij op de opening een gedicht voor willen dragen?’

            ‘Moet dat gedicht speciaal bij die kunstwerken horen? Of mag het ook een vrij gedicht zijn.’

            ‘Oei, daar had ik nog niet over nagedacht. Jasper, wat wil je drinken.’

            ‘Doe maar een koffie.’

            Ik bestelde aan de bar twee Duvel. ‘Sorry Jasper, de koffie was mislukt. Het zou mooi zijn als je je liet inspireren door een van die werken. Aan de andere kant wil ik je er helemaal vrij in laten. De kunstenaars zelf zijn immers ook vrij. Ik geef hen geen opdrachten of zo. Ik zal jou dus ook geen opdracht geven. Kijk maar wat je doet.’

            Ik zag aan het gezicht van Jasper dat hij niet van plan was om een bezoek te brengen aan mijn galerie. Als iemand niet meteen enthousiast reageert, dan vindt hij het meestal niks. Waarschijnlijk kon ik ervan uitgaan dat hij een gedicht uit een oude doos zou plukken om dat voor te dragen. Prima. Misschien zelfs beter zo. Dan hoefde ik hem niet mee te nemen naar mijn galerie, dat scheelde weer een hoop gedoe.

            ‘Ik kan een mooi gedicht voor je maken. Ik schrijf graag met beeldende kunst in het achterhoofd, zonder dat er een één-op-één-relatie bestaat. Dat is namelijk niet zo spannend. Een gedicht dat precies beschrijft wat er op het doek te zien is, is een overbodig gedicht. Laatst hoorde ik een paar gedichten over een tv-serie, Star Trek of Ivanhoe – ik weet het niet meer – en in die gedichten werd verteld waar de serie over ging. Dat is totaal niet interessant. Gedichten en schilderijen moeten elkaar aanvullen. Dan wordt het kunst.’

            ‘Dat ben ik helemaal met je eens. Het mag niet plat worden.’

            ‘Nee, het moet op verschillende manieren te interpreteren zijn. Ik heb wel een tarief voor dit soort opdrachten.’

            ‘Dat begrijp ik heel goed. Ik zou je niet durven vragen het voor niets te doen. Er is een budget, maak je daar geen zorgen over. Schrijf je wel een factuur? Want ik doe niets zwart.’

            ‘Ik sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dus schrijf ik facturen.’

            ‘Dan gaat het helemaal goed komen.’ De rest van de avond hebben we zitten drinken op mijn rekening. Niet alleen Jasper, ook de grote man met de baard, het kleine iele mannetje, enkele verdwaalde studenten, een paar oudere vrouwen die overal om moesten lachen, de toekomstige wethouder van cultuur en iedereen die verder het café binnenliep. Gelukkig bestond de mobiele telefoon nog niet, anders was het veel drukker geweest. Ik was de keizer van de Korte Heuvel. Tegen sluitingstijd vroeg ik een factuur.

            ‘Een wat?’ vroeg barman Martijn.

            ‘De rekening,’ zei ik.

            ‘Het bonnetje.’

            ‘Graag wel in een envelop.’

            ‘Hebben we niet. Ik heb wel een stempel.’ Martijn stempelde het bonnetje vol. Kon me niks schelen, het was aftrekbaar zolang ik het thuis in de map Debiteuren bewaarde. In die map had ik al de facturen van de aannemers en meubelleveranciers bewaard. Ik had het gevoel op kosten van de belastingbetaler te leven. Dat was een fijn gevoel. Het klopte natuurlijk niet, ik leefde op kosten van de cokeverslaafden en van de recreatieve cokegebruikers. Die waren natuurlijk net zo verslaafd – ze noemden het anders. Het was drie uur in de ochtend en ik wandelde door mijn galerie. Aan de muur hingen foeilelijke schilderijen die voor mij geen schilderijen waren. Ze waren mijn witwasmachine, dus ondanks hun duidelijke niet-witheid waren ze toch wit. Mijn hele galerie was wit. Witter dan wit. Ik stond voor een vierkant beige doek met zwarte stippen, ik schudde mijn hoofd. Beige… Beige? Beige! Wie schildert er nu beige? Nee, dit vindt niemand mooi, dacht ik, dit schilderij blijft onverkocht. Net als die dingen met die lelijke strepen, oh-oh-oh, wat een ding. Dit kon een kind van twee niet eens. Heerlijk. Het was een heerlijk gevoel om tussen al die lelijkheid te staan. Zo veel lelijkheid om me heen. Ha! Het plan liep op rolletjes.

            De volgende ochtend stond ik vroeg op. Mijn prachtige nieuwe keukenmachine moest aan het werk, er moest coke versneden worden. De coke die eerder die week was binnengekomen. Het was weer tijd om flink veel geld te verdienen. De hele dag was ik bezig met de handel: versnijden, pakketjes maken, pakketjes rondbrengen, geld innen, geld in enveloppen stoppen, enveloppen in zo veel mogelijk verschillende brievenbussen posten… Uitgeput kwam ik thuis. Daar stond een prachtige Barolo op me te wachten. Die had ik wel verdiend. Een uurtje later stond Dennis voor de deur, netjes volgens afspraak. Vreemd dat zijn broer Bas er niet bij was; zou er iets aan de hand zijn?

            ‘Dennis, ben je alleen?’ vroeg ik.

            ‘Mijn broer… had wat anders te doen… Wat anders…’

            ‘Wil je een glas wijn?’

            ‘Eentje dan, ik moet nog rijden. Heb je de waar?’

            ‘Uiteraard.’ Ik gaf hem het tasje van de Edah en schonk een glas in. ‘Proost.’

            ‘Proost.’ Dennis nam een slok en spong ineens op. Ik schrok er zo van, dat ik ook opsprong van mijn stoel. Klaar om de aanval af te slaan. Als Dennis nu zou aanvallen, dan zou ik hem mijn glas in zijn gezicht duwen. ‘Kut!’ riep Dennis. ‘Dat is lekkere wijn! Heb je een fles voor me?’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.