Hoofdstuk 41. Urbi et orbi

Het was tijd om de zaken netjes te regelen. Ik kon ervan uitgaan dat de moord op Carlos nooit opgelost zou worden en dat de politie mij ook niet zou dwarsbomen bij mijn andere activiteiten. Mijn vrienden Dooremalen en De Regt zouden ervoor zorgen dat ik nooit meer last zou hebben van welk politieonderzoek dan ook. Vanaf nu zou één telefoontje alles voor me oplossen. Ik hoopte dat de twee heren de prachtige coke voor heel veel geld verkocht hebben; hoe hoger hun omzet, hoe chantabeler ze waren. De aanvoer van de handelswaar had stilgelegen, net als de verkoop. In het circuit van cokegebruikers ging heel snel het bericht rond dat ik Carlos omgelegd had en dat er met mij dus niet te spotten viel. Met dat imago kon ik mijn business uitbreiden. De broers Dennis en Bas hadden al eerder van Carlos en mij wat grotere hoeveelheden afgenomen om zelf verder te verkopen. Ik nodigde hen daarom uit om te praten over een grotere deal, zodat zij de markt in West-Brabant konden beheersen. Ze konden van mij quantumkorting krijgen, als ze akkoord gingen met de voorwaarden. Mondje dicht uiteraard. Geen uitbreiding naar Midden-Brabant, want dat was en bleef mijn wijk. Ik wilde ook af van dat gesleep met contant geld. Daar schrokken ze van, want de banken vertrouwden de twee broers niet. ‘Take it or leave it,’ zei ik. ‘Zie het als een zwakke schakel die we wegnemen. Wanneer jullie contant geld aan mij betalen, dan moet ik daar ook weer iets mee. Dat heen en weer gesleep met geld, dat schiet niet op. Jullie storten de bedragen gewoon op mijn bankrekening in Luxemburg.’ Ik legde hen uit hoe ik dat deed. Ze konden zelf een postbus nemen in Luxemburg en een bankrekening, en het dan over laten boeken; of ze konden met het geld naar mijn bank om het daar te storten… dat interesseerde mij niet. Als het er maar op kwam! Uiteindelijk gingen ze akkoord, ze zagen er toch ook de voordelen van in. Na een jaar of wat was West-Brabant de helft van mijn omzet, en dat terwijl ik daar niets voor hoefde te doen.

            Het duurde niet lang voor het pand aan de Besterdring werd vrijgegeven. Ik maakte een afspraak met Berend om de huur over te nemen. Dat vond hij een hele opluchting. ‘Probeer eens een pand te verhuren waarin iemand vermoord is,’ zei hij, ‘dat vinden de mensen eng hoor.’

            ‘Ze denken zeker dat het er spookt?’ vroeg ik.

            ‘De mensen zijn zo bijgelovig als wat,’ zei hij.

            ‘Ik niet. Ik betaal gewoon de huur.’

            Er was nog een roestbruine vlek op de betonnen vloer, de politie maakt dus niet schoon. Nou ja, het lijk was opgeruimd. Verder was alles er nog. Het gereedschap lag netjes op tafel. De kamers boven, waar Carlos had gewoond, waren ook nog in de staat zoals de politie ze had aangetroffen. Behalve dan de sporen van de huiszoeking: een kastdeurtje hing er half uit, een houten paneel waar leidingen achter lagen was los en de vloerbedekking was op diverse plaatsen losgetrokken. Het viel allemaal wel mee. Wat mij betreft moest alles eruit. Ik regelde een aannemer om alle zooi te verwijderen, en om er beneden een galerie van te maken met parket op de vloer en keistrak gestucte muren. Ik liet een keukenbedrijf een keuken zetten, ik liet de badkamer op orde maken, ik kocht nieuwe vloerbedekking, gordijnen, meubels en wat al dies meer zij. En of het snel kon! ‘Ja meneer, dan moeten we u hogere kosten berekenen.’ Alsof mij dat wat uitmaakte! D’r in met die spullen! Afwerken die hap! En snel een beetje.

            Een maand lang was het een komen en gaan van bouwvakkers, meubelleveranciers en klusjesmannen, toen kon ik verhuizen. Gerda vond het jammer dat ik wegging. Ze had nooit last van mij gehad, en ik betaalde altijd netjes op tijd de huur. Een half jaar later was ze overleden, ze lag al een week dood op de grond in de keuken toen ze gevonden werd door haar jongste zus. Tijd voor de volgende stap in mijn programma. Stap 4. Het buitenlandse geld moest gewit worden, net zo wit als de muren van mijn galerie. Ik ondernam daarvoor een tochtje naar TiKuKo. Geert was blij me te zien, mijn vader reageerde afstandelijk en Trudy zat binnen. Trudy heb ik nooit meer te zien gekregen. ‘Hoe zit het met de kunstobjecten? Hebben jullie genoeg schilderijen voor een expo?’ vroeg ik.

            ‘Nemen wij de zaak onder de loep, zei Geert. ‘Het oogmerk van het bedeuten is het buiten van een ideaal ob-ject. Dit buiten wordt dan uit-gedrukt, treedt uit zichzelf in een anderbuiten, dat nog steeds “in” het bewustzijn is: als dusdanig en in zijn essentie heeft het expressieve discours, zoals blijken zal, het niet nodig daadwerkelijk in de wereld te worden uitgesproken.’ Geert nam een slok van zijn bier. Nog voor ik iets zeggen kon, vervolgde hij zijn verhaal: ‘De ex-pressie is exteriorisatie. Een betekenis die zich eerst in een binnen bevindt, prent zij in een buiten in. Het is de absolute originaliteit van dit buiten en dit binnen: het buiten is niet de natuur, niet de wereld, evenmin een reële exterioriteit ten opzichte van het bewustzijn.’

            We liepen naar het boerderijtje. Mijn vader opende de deur en triomfantelijk spreidde hij zijn armen uit. ‘Kunst!’ riep hij. De hele benedenverdieping was vol met schilderijen.

            ‘Jemig!’ zei ik, ‘Dat zijn er een hoop.’

            ‘Nu zijn we blut.’ Mijn vader liet zijn legen handen zien.

            ‘Ik heb een voorschot gekregen van een koper die zeer geïnteresseerd is in jullie werk.’ Ik pakte mijn portemonnee en gaf mijn vader drieduizend gulden.

            ‘Wie is die koper?’ vroeg mijn vader verbaasd.

            ‘Dat mag ik nu niet zeggen,’ antwoordde ik. ‘Pas als de tentoonstelling er is, kan ik meer openheid van zaken geven. In zijn algemeenheid kan ik wel vertellen dat de zaken goed zullen lopen.’

            ‘Voorlopig moet deze definitie zo algemeen blijven,’ zei Geert. ‘Deze overgang kan er een zijn uit overtuiging of uit vermoeden en hij knoopt steeds een actuele aan een niet-actuele kennis. Wanneer men de motivering binnen een zo ruim kader plaatst, kan deze kennis elk object of stand van zaken omvatten en behoeft zij niet noodzakelijk te slaan op empirische, anders gezegd, individuele realiteiten.’

            ‘Ik zal een busje huren om de schilderijen op te halen,’ zei ik. Later die dag kwam ik terug met een busje. We laadden de schilderijen in en Geert en ik brachten ze naar de galerie. Daar hing Geert ze op in een mooie expositie. Ik werd helemaal gestoord van dat gepraat van Geert, maar schilderijen ophangen kon hij wel. Het was maar goed dat het van die lelijke schilderijen waren, anders zouden ze nog verkocht worden ook – en dat kon ik niet gebruiken.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.