Hoofdstuk 40. Toeters en bellen

Ze hielden me toch wat langer op het politiebureau dan ik had gehoopt. Er werden vingerafdrukken van me afgenomen – of hoe noem je dat? Gestempeld? Enfin, ik zat daar met blauwe vingers in een soort wachtkamer. Zo’n typische wachtkamer die dokters en tandartsen ook hebben, een non-descripte plant in een hoek en stoelen netjes naast elkaar tegen de muur. Ik kreeg zelfs een plastic bekertje koffie. Mijn hart bonsde nog steeds keihard in mijn oren. Wat een beproeving; ik móest deze beproeving doorstaan. Het was een ultieme test om Übermensch te worden. Ik mocht geen spijt krijgen, schuld en boete was niet im Frage (hoe zou het met Wim zijn?), mensenhaat en berouw… De deur ging open en brigadier Dooremalen wenkte mij. Wat hij zei? Al sla je me dood. Ik volgde hem door de catacomben van het Tilburgse hoofdbureau. Ergens onderin de kelder opende hij een deur naar een kleine ruimte met een tafel en twee stoelen. Een tl-buis brandde gezellig. Dooremalen ging zitten en gebaarde dat ik op de andere stoel plaats moest nemen. Ik begreep dat ik verhoord ging worden. De mond van Dooremalen bewoog. Het enige wat ik hoorde was het bonzen van mijn hart.

            ‘… geen verdachte… …. … spreken…. … gen stellen,’ zei Dooremalen. ‘Is dat… … …’

            Ik knikte.

            ‘Vingerafdruk… … … 147. Gereedschap… … tafel en vensterba… … Toch?’

            Ik knikte weer.

            ‘… …,’ Dooremalen glimlachte. ‘… … koffie?’

            ‘Ik, eh, ik zou nog wel een bekertje koffie lusten,’ zei ik. Ik schrok van mijn eigen stem, want ik had het idee dat ik heel hard sprak. Dooremalen stond op en liep het kamertje uit. Hoe lang ik daar gezeten heb, weet ik niet meer. Ik had natuurlijk mijn hartslagen kunnen tellen, want die waren luid en duidelijk te horen. Iedereen hoorde mijn hartslag en daarom liet Dooremalen mij alleen. Zodat ik gekgeworden van mijn stoel op zou springen en zou roepen: ‘Horen jullie dat dan niet? Mijn hart spreekt de waarheid, ik heb het gedaan!’ Nee. Dat zou niet gebeuren. Ik bleef zitten waar ik zat. Dooremalen kwam weer terug met koffie.

            ‘We willen… … plastic… vijf… … … …?’

            ‘Daar weet ik niets van,’ zei ik. ‘Staan daar mijn vingerafdrukken op?’

            ‘Nee, … … vijf kilogr… …’

            ‘Ik heb bij de Gamma gereedschap gekocht, om te klussen.’

            ‘Vijf… … cocaïne… … … vriendelijk.’ Het gezicht van Dooremalen straalde inderdaad een en al vriendelijkheid uit.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat is mij onbekend.’

‘Goed, dan… … …’ Dooremalen stond op en ging weg.

Enige tijd later kwam De Regt binnen. Hij ging niet zitten. Hij trok aan zijn riem zijn broek wat verder omhoog, ging voor me staan met zijn armen over elkaar. ‘Jij weet… … …!’ zei hij luid.

Ondanks zijn luide stem verstond ik er niets van. Ik schudde daarom maar van Nee.

De Regt boog naar mij toe. ‘Die coke… … jou… … en jij… …,’ riep hij.

‘Nee,’ zei ik, ‘ik weet van niks.’

‘… plastic tas… hele kilo coke… …’

‘Wat zegt u precies? Ik begrijp u niet.’

‘Eén kilo coca… … … alles van!’

Mijn hartslag was verdwenen! Dit was mijn dood. Ik ging dood. De Regt had mij doodgeschreeuwd. Ik had geen hartslag meer. Ik keek naar De Regt en zag hoe hij straalde. Het licht van de tl-buis was als een warme zon en wij waren samen op een Italiaans strand. Alles was licht en helder. De Regt straalde, ik straalde. Het plastic bekertje was een cocktail. Ik ervoer een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ik leefde. Ik leefde intens. Ik was niet dood, ik was verre van dood! Zo levend had ik mij nog nooit gevoeld. Alles kwam op dat moment bij elkaar, dit was wat de pauselijke zegen zou moeten zijn. ‘Een kilogram cocaïne zei u?’ vroeg ik.

De Regt verstijfde van schrik.

‘Ik neem aan dat dit verhoor wordt opgenomen? Dat er een cassettebandje meeloopt en dat alles wat hier gezegd wordt als bewijsmateriaal gebruikt kan worden?’

De Regt knikte.

‘Dat is interessant.’ Een triomfantelijk gevoel overviel me. Ik had alles weer terug, mijn scherpte, mijn spraak, mijn gehoor, mijn gevoel – al mijn zintuigen deden weer mee. ‘Dan wil ik het even hebben over getallen. Ik hou van rekenen. Niet van wiskunde hoor! Voor wiskunde ben ik niet slim genoeg. Rekenen kan ik als de beste. En ik zie aan u dat u ook goed kunt rekenen. Heeft u ook een favoriete som? Ik wel. Dat vinden sommige mensen misschien vreemd, dat je een favoriete som hebt. Je kunt wel een favoriete film hebben, een favoriet boek, of een favoriete plaat. Mijn favoriete plaat is ‘Blue Monday’ van New Order. New Order, dus niet New Four. Dat lijkt er een beetje op, de naam dan he? Niet de muziek die ze maken. U lijkt me meer iemand die van The New Four houdt. Dat mag, want smaken verschillen. Ik vind The New Four het afgrijselijkste wat er bestaat. Terug naar mijn favoriete som. Mijn favoriete sommetje is vijf min vier. Briljant in al zijn eenvoud. Snapt u hem: één-voud.’

De Regt was gaan zitten. Ik keek hem aan en fluisterde: ‘Uw collega Dooremalen had het over vijf kilo. U over één. Dan kunnen we ons afvragen waar die vier kilootjes gebleven zijn. Toch?’

Rechercheur De Regt knikte langzaam.

‘Dat kunnen we ons afvragen, maar eigenlijk weten we het al. Nietwaar? Jullie hadden mij al lang op het oog, en toch duurde het een paar dagen voor jullie aan mijn deur stonden. Die coke moest eerst weggewerkt worden. Gelukkig hebben we het hele verhoor op band staan. Gelukkig kunnen we uw uitspraken afzetten tegen die van uw collega Dooremalen. Zullen we zien wat er gebeurt. Ach, weet u wat het is? Ik ben onschuldig, dat zal ik u aantonen aan de hand van drie argumenten. Ten eerste heb ik helemaal geen motief om mijn goede vriend Carlos te vermoorden. Op de tweede plaats heb ik een alibi. En mijn derde argument is dat ik geen moordwapen heb. Misschien moet u dat hardop herhalen, zodat het op band staat.’ Ik leunde achterover, met de Tilburgse recherche in mijn zak.

‘De heer Jongenelen,’ zei De Regt, ‘kan niet beschouwd worden als verdachte in de moordzaak van vrijdag 1 april 1988 aan het pand Besterdring 147 te Tilburg. De heer Jongenelen heeft geen motief. Daarnaast heeft de heer Jongenelen een sluitend alibi. Ook is er bij de heer Jongenelen geen moordwapen aangetroffen.’ ‘Dank u wel,’ zei ik. ‘Ik heb met plezier en genoegen meegewerkt en ik wens u veel succes met de afronding van uw onderzoek. De politie is je beste vriend, zo blijkt maar weer.’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.