Hoofdstuk 4. Een en al

Later bleek dat mijn moeder en Sjak elkaar hadden leren kennen op een sleutelfeestje. Het sleutelfeestje was een berucht fenomeen in de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het klonk als een goed idee, maar zoals de meeste goede ideeën was ook dit goede idee slechts goed als idee. Veel goede ideeën moet je niet uitvoeren. Het communisme is een goed idee: iedereen produceert naar vermogen en consumeert naar behoefte. De uitvoering van dit idee was minder goed en resulteerde in miljoenen doden. Het sleutelfeestje was net zoiets: een goed idee dat nooit uitgevoerd had mogen worden. Een sleutelfeestje gaat als volgt. Er worden slechts getrouwde stellen uitgenodigd, of stellen die weliswaar voor de wet niet getrouwd zijn, maar die toch heel erg een stel zijn. ‘Hokken’ heette dat toen. Dus op het sleutelfeestje zijn net zo veel mannen als vrouwen. Iedere man gooit zijn sleutel in een pot en aan het eind van het feestje, als iedereen genoeg sherry en bier gedronken heeft, pakt iedere vrouw een sleutel uit de pot. Ze gaat mee met de man wiens sleutel ze gepakt heeft. Het toeval wilde dat mijn vader en moeder netjes konden ruilen met Trudy en Sjak. Ze spraken af dat mijn vader met Trudy mee zou gaan en Sjak met mijn moeder. Zo kwam Sjak in mijn leven en mijn vader op een afstand.

            Sjak ging dus eigenlijk niet meer weg. Nou ja, het duurde een jaar voor de definitieve beslissing genomen werd hoe de mensen en spullen verdeeld dienden te worden, ondanks dat mijn moeder die ene ochtend had gezegd dat Sjak bleef wonen. Dat was een rommelig jaar. De ene keer woonde mijn vader bij ons in huis en de andere keer Sjak. Als mijn vader bij ons woonde, dan leek het wel of hij er niet woonde. Meestal was hij er met zijn hoofd niet bij en kon hij niet wachten tot hij weer naar Trudy kon. Als Sjak bij ons woonde, was het ook niet gezellig, want Sjak kwam niet naar ons in Hilversum voor mij. Zo veel was wel duidelijk. Hij was er voor mijn moeder. En dat terwijl mijn moeder vaak weg was, ze werkte veel en op lastige tijdstippen. Niemand was blij met deze situatie. Ik kreeg te horen dat Trudy van Sjak af wilde, en dat mijn vader liever bij Trudy was. Mijn moeder leek het allemaal niks uit te maken, zij was druk met haar werk. Aan de kinderen werd niets gevraagd. Na ruim een jaar heen en weer gesjouw tussen Hilversum en Tilburg was voor de volwassenen de maat vol. Sjak zou met zijn dochter Moniek in Hilversum komen wonen en mijn vader zou definitief naar Trudy in Tilburg gaan. Je zou denken dat een beslissing de dingen verheldert, dat onzekerheid erger is. Ja, dat is deels ook wel zo. Deels. Want voor het andere deel is het niet zo – achteraf bleek dat rommelige jaar een beter jaar dan de jaren van die zogenaamde zekerheid die erop volgden.

            Sjak, Trudy en hun dochter Moniek woonden in de MDKLNKRT in Tilburg. Dat was een woongemeenschap van allerlei hippe vogels. Trudy leefde er als een soort godin met allerlei mannen om haar heen. Sjak en Trudy hadden een open relatie, maar blijkbaar was deze zo open dat hij op een gegeven moment niet meer dicht kon. Hoe ze de spullen en Moniek verdeeld hadden, weet ik niet. Wel weet ik dat Moniek bij haar vader kwam wonen en dat hij ook de blauwgrijze Dyane kreeg. Ik kan me niet herinneren dat hij iets anders meenam naar ons huis, nou ja, Monieks fiets werd oververhuisd. Zijn eigen inboedel liet hij bij Trudy. Omgekeerd gold hetzelfde: mijn vader nam niets mee uit ons huis, behalve de auto. Een Datsun 100A was het. Daar kwam dus de Dyane voor terug… Niet dat een Datsun een gave auto was, maar een Dyane… Als het een lelijke eend was, dan had het gekund. Een Dyane is de net-niet lelijke eend. De Dyane is de 2CV voor losers. Hoe mijn ouders en Sjak en Trudy het allemaal gereld hadden, weet ik niet. Wel weet ik dat Sjak op een gegeven moment toeterend de straat in kwam rijden. Een meisje met donkere krullen, spijkerbroek, spijkerjack en een boos gezicht stapte uit. Ze moest min of meer ons huis binnengeschoven worden. Dat was dus Moniek. De logeerkamer werd haar kamer. Ik had er een chagrijnige zus bij. Zelf werd ik er ook niet vrolijker op, maar daar merkte ik weinig van, sinds mijn gevoel uitgeschakeld was op die ene morgen dat ik Sjak zag. Sjak was een soort zwart gat dat alle energie uit je wegzoog – overigens wist ik dat toen nog niet zo te formuleren.

Mijn moeder had die dag een buitengewoon goed humeur, want ze had weer een ansichtkaart van Robert Smith gekregen. Sinds een tijdje correspondeerde mijn moeder met de Britse zanger en als er een kaart was bezorgd, dan liep ze minstens twee weken met roze wolkjes om haar voeten. Vooral op de dag zelf was ze niet aanspreekbaar van geluk. Ze stopte op zo’n dag met nadenken, en ze kon alleen nog maar kirren of geëxalteerd schreeuwen. Dus toen Sjak met Moniek aankwam, rende mijn moeder hysterisch het huis uit en vloog Sjak om zijn nek.

            ‘Dus jij bent Moniek?’ schreeuwde ze. ‘Wat een mooie krullen heb je! Welkom in je nieuwe huis. We gaan het heel gezellig maken.’

            Moniek antwoordde niet. Ze keek stuurs voor zich uit, er kon geen lachje vanaf. Begrijpelijk. Ook zij zat niet te wachten op de scheiding van haar ouders en op een verhuizing van Tilburg naar Hilversum. Achter uit de Dyane werden een paar tassen getrokken, meer hadden ze niet bij zich. De tassen stonken naar de rook. Alles rondom Sjak stonk naar rook. Hoewel bijna iedereen rookte in de jaren zeventig, rookten mijn ouders niet. Ik was het dus niet gewend en ik moest er maar snel aan wennen. Het leven van Sjak draaide om Drum en flesjes bier – maar vooral Drum. Andere vormen van sjek hoefde hij niet, alleen als het echt niet anders kon, dan kon Brandaris er wel mee door. Hoeveel sjekkies Sjak per dag rookte, weet ik niet, naar mijn gevoel waren het er 500. De hele dag had hij zo’n sjekkie op zijn kin hangen, zoals Clint Eastwood een Toscaanse sigaar in de westerns van Sergio Leone.

            Moniek pakte twee tassen en liep naar binnen.

            ‘Je moet naar boven, je slaapkamer is aan de voorkant,’ riep mijn moeder haar achterna zonder Sjak los te laten.

            ‘Het is een lekkere meid,’ zei Sjak. ‘Het komt allemaal wel goed. Ze wordt snel volwassen, ze groeit goed. Een meid in de bloei.’ Sjak bewoog zijn snor en hij zoog aan zijn sjekkie. Woest blies hij de rook uit. ‘Godverdomme zeg, wat een meid.’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.