Hoofdstuk 39. Sturm und Drang

Er werd gebeld en er klonk gestommel op de gang. Gerda riep mijn naam. Nou, daar zal je het hebben. ‘Ja! Kom maar naar boven,’ riep ik vanuit de deuropening. Twee mannen klosten de trap op om mijn kamer te vullen met hun aanwezigheid.

            ‘Brigadier Dooremalen,’ zei de ene, ‘en mijn collega rechercheur De Regt. Recherche Tilburg.’

            ‘Wat eh… wat is er aan de hand?’ vroeg ik.

            ‘We willen u een paar vragen stellen over de moord in het pand Besterdring 147,’ zei brigadier Dooremalen.

            ‘Ik heb erover gehoord,’ zei ik.

            ‘U bent bekend met het slachtoffer?’

            ‘Ik kan dat niet ontkennen, nee.’

            ‘Wat was uw relatie met het slachtoffer?’

            Ik voelde me sterk. Ik had een goed verhaal en ik was een volledig mens. Of deze twee heren dat ook waren, durfde ik ter discussie te stellen. ‘Ik had een goede relatie met het slachtoffer,’ zei ik. ‘Carlos en ik waren een soort van bevriend.’

            ‘Een soort van bevriend? Wat bedoelt u daarmee?’

            ‘Ik liep daar de deur niet plat en Carlos is nog nooit hier bij mij geweest. Echte vrienden zien elkaar vaak, dat was in ons geval niet zo. Ik mocht Carlos graag, dat wel. Ik zou hem onder mijn kennissen scharen, niet onder mijn vrienden. Wat mij betreft is er een verschil tussen kennissen en vrienden. Waarom komt u bij mij?’

            ‘Volgens getuigen kwam u vaak bij het slachtoffer. Het zou kunnen dat u meer weet over het misdrijf, misschien wel veel meer.’

            ‘Ben ik een verdachte?’

            ‘Nee. Wat niet is, kan nog komen. U bent daar vaak gezien en ook de verhuurder van het pand noemde u als iemand die betrokken was bij het pand. Kunt u daar wat meer over vertellen?’

            ‘Zeker kan ik dat. Carlos zocht een ruimte om een bedrijf op te zetten en ik heb hem daarbij geholpen.’

            ‘U zei net dat u daar de deur niet platliep,’ zei De Regt ineens. ‘Getuigen beweren dat u er dagelijks kwam.’ Hij boog zich wat naar voren, met ingehouden agressie.

            ‘Dat zou kunnen, ik heb dat niet bijgehouden.’

            ‘De laatste paar dagen heeft niemand u daar gezien. Kunt u dat verklaren?’

            ‘Het pleit voor mijn onschuld,’ antwoordde ik. ‘Is het niet zo dat de dader altijd teruggaat naar het plaats delict? Dat de pyromaan altijd komt kijken naar zijn fik? Ik heb met de moord niets te maken, dus waarom zou ik naar het huis van Carlos gaan als hij dood is?’ Ik voelde mij beresterk, ze konden mij niets maken. Toch voelde ik van spanning mijn hart bonzen in mijn keel. Ik wreef met mijn hand over mijn keel om te voelen of het kloppen van mijn hart niet zichtbaar was. Nee, ik voelde niets geks. Er was dus niets aan mijn keel te zien. Desondanks werd ik er niet geruster op. Het kloppen van mijn hart werd harder, het was nu niet meer een gevoel, ik hoorde mijn hart kloppen.

            ‘We hebben ook helemaal niet beweerd dat u ergens schuldig aan bent,’ zei Doormalen vergoelijkend. ‘Wij beweren nu helemaal niets. We hebben gewoon wat vragen.’

            Door het kloppen van mijn hart kon ik amper verstaan wat brigadier Dooremalen zei. ‘U zult er ongetwijfeld mijn vingerafdrukken aantreffen,’ zei ik, want het leek me dat het nu mijn beurt was om weer iets te zeggen. ‘Ook op het gereedschap dat er ligt. Ik had met Carlos afgesproken dat ik mee zou helpen met klussen. Daarom was ik naar de Gamma gegaan om gereedschap te kopen.’ Ik zag aan het gezicht van rechercheur De Regt dat hij iets vroeg, door het bonzen in mijn oren verstond ik hem echter niet. Ik besloot verder te vertellen. ‘Hij verhuurde de ruimte aan muzikanten. De akoestiek was echter niet zo goed, die betonnen vloer kaatst het geluid lelijk heen en weer. Vandaar dat we alles aan wilden pakken om er mooie repetitieruimtes van te maken. Nu hoeft het dus niet meer.’ Het bonzen in mijn hoofd werd wat minder, zodat ik De Regt een beetje kon verstaan.

            ‘… lijk… betonnen vloer… … … vloer… … vensterbank… eedschap… vloer…’

            ‘Het was er best kaal ja. Daar wilden we wat aan doen, meer dan een tafel en een paar stoelen waren er nog niet. Carlos kreeg klachten van de muzikanten, dat ze wat meer comfort wilden.’

            ‘… …onnen vloer… … vijf… tassen… … ilogram cocaïne.’

            Ik schudde mijn hoofd. ‘Vijf tassen met coke zegt u?’ Het bonzen nam weer toe. Ik vroeg mij ineens af of het wel mijn eigen hart was dat ik hoorde. In een nonnenklooster worden de nonnen allemaal tegelijk ongesteld. Zet mensen bij elkaar en ze vormen een ritme, zelfs hun lichaamsfuncties beginnen gelijk te lopen. Dat is bij alle kuddedieren het geval. Gnoes worden allemaal tegelijk vruchtbaar en daarna drachtig. Bij mensen werkt dat ook zo. Hoorde ik niet alleen mijn hart, maar ook de harten van Dooremalen en De Regt? Waarom hoorden zij dat dan niet? De Regt keek fel en hij priemde met zijn vinger mijn kant uit. Hij zei iets, op een boze manier. Dooremalen schudde zijn hoofd. Hij vond mij niet verdacht. Niet formeel. De Regt dacht daar anders over. Gedroeg ik mij raar?

            ‘Ik was die vrijdagmiddag in café Zomerlust,’ zei ik. ‘Daar dronk ik bier. Met vijf kilo coke heb ik niets te maken. Ik drink veel liever bier. Ik heb nog nooit coke gebruikt. In het café drink ik bier. Of wijn, als ze goede wijn hebben. De meeste cafés verkopen gore bocht als het om wijn gaat, het bier is er over het algemeen wel goed. Nederland is een bierland., dat merk je vooral in de cafés. Dat zal in Frankrijk wel anders zijn, denk ik.’ Waar deze spraakwaterval vandaan kwam, weet ik niet. Ik voelde de behoefte om veel te praten. Door het gebons in mijn oren kon ik die twee mannen niet verstaan, ik kon dus geen normaal antwoord geven op hun vragen. Indien ik zou blijven praten, hoefden ze geen vragen te stellen. ‘In Zomerlust heb ik trappist gedronken. Ik kom uit Hilversum en daar hebben de cafés niet van dat bijzonder bier. Hier in Tilburg wel. Ik moest eraan wennen, dat je hier niet ‘bier’ bestelt in een café, maar dat je erbij moet zeggen welk bier je wilt. Ik kan u zeggen dat dit snel wende hoor. Mijn favoriete bier is Duvel. Dat hebben ze helaas nergens van de tap.’

            Dooremalen stak zijn hand op en gebaarde dat ik moest zwijgen. ‘… verhaal… … bier,’ hoorde ik hem zeggen en hij lachte vriendelijk.

            De Regt keek minder vriendelijk. ‘…vragen… mee te ko … itiebureau… afdrukken.’             ‘Voorlopig… …’ zei Doormalen. ‘Gewoon vingeraf… … op het poli…’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.