Hoofdstuk 38. Steen en been

Het liep nog mooier. Gerda was blij met de keukenmachine: ‘Sandra, de oudste dochter van mijn jongste zus kan hem wel gebruiken. Ik doe er niets mee.’

            ‘Het is weer eens iets anders dan rozen,’ zei ik.

            ‘Dat bedoel ik!’

            Ik vond het een heel goed plan. Diezelfde ochtend werd het apparaat weggebracht door Gerda, als een soort Paascadeau. Hoeveel cokesporen er ook op zaten, die sporen waren niet meer in het huis waar ik woonde. Door deze opluchting was mijn kater meteen verdwenen. Wel bleef ik nog zitten met het geld. Als vandaag de politie binnen zou vallen en een huiszoeking zou houden, dan was ik het bokje. Dan zou ik geknipt en geschoren worden. Door die gedachte kwam mijn kater weer terug. Het was zondag, er was geen zak te doen. Gerda had de tv aan laten staan en de paus sprak zijn Urbi et orbi. Die zegen had ik toch maar mooi meegekregen. Er kon mij dus niets overkomen, want met deze pauselijke goedkeuring – hoe per ongeluk ook – wist ik dat ik de dans zou ontspringen. Dat hield ik mij voor om de moed erin te houden. Het enige positieve was dat Nederland de doodstraf afgeschaft had. Daarvoor hoefde ik als dealer en moordenaar niet bang te zijn, wel voor jarenlange celstraf. Risico van het vak.

            In een telefooncel bij het station heb ik zo veel mogelijk klanten gebeld met de mededeling dat Carlos dood was en dat daardoor de levering vertraagd was. Details kon ik niet geven, ik merkte aan een belangrijke afnemer dat hij mijn telefoontje verdacht vond. Hij leek tussen mijn zinnen door te proeven dat ik Carlos omgelegd had.

‘Ik weet niets van deze zaak,’ zei ik toen hij me ermee confronteerde. ‘Carlos is dood, meer kan ik er niet over zeggen.’

‘Dat is eigenaardig geformuleerd. Je weet ook wel dat als iemand “Geen commentaar” zegt, dat hij er dan alles mee te maken heeft. Maar goed, je weet er niets van – ik weet genoeg. Wanneer kun je wel leveren?’

‘Dat weet ik niet precies, hopelijk vrij snel. Ik hou je op de hoogte.’

Toen om drie uur café Weemoed openging, stond ik al voor de deur. Ik had niets anders te doen. Het leek me verstandig om eerst koffie te drinken en daarna pas aan het bier te gaan, dus toen Martijn me vroeg wat ik wilde drinken, zei ik: ‘Bier.’ Ik kon het niet. Ik kon geen koffie bestellen. En ik kan het nog steeds niet, als ik in een café ben, dan krijg ik de woorden ‘koffie’, ‘thee’ of ‘spa rood’ niet over mijn lippen. Ik kan alleen maar de woorden ‘bier’ of ‘wijn’ uitspreken. Al dan niet met een zin eromheen, dus ‘Doet u mij maar een biertje’ gaat ook goed. Of: ‘Een droge witte wijn alstublieft.’ Vroeger wel, toen vond ik zelfs wel stoer om ‘Koffie’ te zeggen. Dat was in de tijd dat ik blowde, in die tijd vond ik het ruig om een beetje wazig een koffie te bestellen. Sinds ik van de wiet af was, was ik ook van de koffie af. Martijn zette een fles Duvel, met het bijpassende glas, voor me op de bar. Hij zou het gek gevonden hebben als ik iets anders besteld had.

De gesprekken in Weemoed gingen overal en nergens over, bijvoorbeeld over die malle tweede feestdagen die we in Nederland hebben.

‘Denk je dat ze in België Tweede Paasdag hebben?’ vroeg André de bluesgitarist. ‘Denk jij dat die Belgen geloven dat Jezus twee keer is opgestaan uit de dood?’

‘Ja,’ riep Martijn vanachter de bar.

‘Da’s niet!’

‘Da’s wel waar man.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Omdat ik dingen weet.’

‘En Luxemburg?’ vroeg ik. ‘Viert Luxemburg Tweede Paasdag?’

‘Hoe moet ik dat nou weten?’ riep André.

‘Dat weet iedere gitarist,’ zei Martijn.

‘Nou? Hebben ze in Luxemburg Tweede Paasdag?’ vroeg ik.

Uiteindelijk kwam het erop neer dat Tweede Paasdag waarschijnlijk niet bestond in Luxemburg. Er zat voor mij één ding op, dacht ik bij mezelf: naar Luxemburg. Ik rekende af en ging naar huis. Daar zette ik mijn wekker op zes uur, zodat ik rond een uur of elf bij mijn bank kon zijn.

Ik pakte de tas met geld van de zolder, stapte in mijn auto en reed weg. Zo te zien werd ik niet achtervolgd. Er was niemand op straat, Tilburg was in slaap. De snelweg sliep ook nog. Pas bij Maastricht werd het wat drukker met mensen die op bezoek gingen bij hun schoonfamilie. Het was prettig doorrijden zo en niet heel veel later parkeerde ik mijn auto op de grote parkeerplaats net buiten het centrum van Luxemburg. Onderweg geen politie of douane te zien. Leve de Benelux! Een paar minuten later liep ik de Banque et Caisse de Luxembourg binnen. Daar opende ik de tas aan de balie en liet de berg ongeorganiseerd geld zien. De baliemevrouw belde naar iemand en er kwam een man. Het kon dus nog altijd misgaan. Deze man was niet van de bank, maar van Interpol of zo.

‘Friedrich Schleiermacher,’ zei hij en hij stak zijn hand uit.

‘Bas Jongenelen,’ zei ik.

De man nodigde mij uit naar een kantoortje achter de balie. Ik kreeg er koffie en de man begon het geld in nette stapeltjes te leggen. Ieder stapeltje werd vervolgens geteld. Er kwam een formulier aan te pas, er werden handtekeningen gezet en daarna werd ik buitengelaten – met de allervriendelijkste groeten. Okee, dacht ik, even recapituleren. Ik heb een man vermoord. Ik heb een apparaat met cokesporen weggewerkt. Ik ben naar Luxemburg gereden. Ik heb heel veel geld gestort. Niemand heeft mij ondertussen aangehouden, niemand heeft zich laten zien. Er was helemaal niets gebeurd, zo leek het. Ik haalde heel diep adem en haalde mijn schouders op. Met een beetje geluk zou ik rond zes uur weer thuis zijn. Nu kon niets mij meer gebeuren. Op mij berustte Gods zegen. Ik rechtte mijn schouders. Om mij heen was geen coke, om mij heen was geen geld. Ik was een Übermensch. Hier stond een echt mens die afgerekend had met zijn verleden en die de toekomst voor zich had. Ik was the self-made man. Er kon mij nu helemaal niets meer gebeuren, ik was clean. Mijn hoofd duizelde ervan, zo helder was het. Ik was leeg en gevuld. Het afgelopen weekend was de periode tussen hoop en vrees, maar nu was dat weekend voorbij. Carlos stierf op Goede Vrijdag en hij was niet opgestaan met Pasen, ook niet op Tweede Paasdag. Carlos was dood en ik was vrij. Weer terug in Tilburg at ik babi pangang bij Kin-Wah en het smaakte me heerlijk.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.