Hoofdstuk 37. Rock ’n roll

Ik lag op bed te wachten tot ze me op zouden komen halen, mijn hele verhaal repeterend. Ik kwam bij Carlos om coke te kopen en hij had me gevraagd om te klussen. Hij had me geld gegeven om gereedschap te kopen, dat had ik gedaan. Dat konden ze navragen bij de Gamma. Nee, de bon had ik niet meer. Mijn vingerafdrukken zaten op al die gereedschappen, ja, dat klopt. Ja, ik kwam vaak bij Carlos. Waar ik vrijdagmiddag was? Bij café Zomerlust. Ga maar navragen bij meneer Zomerlust. Daar heb ik trappist gedronken. Dat was mijn verhaal. Hoe mijn relatie met Carlos was? Die was goed. We hadden geen onenigheid, hij leverde coke van goede kwaliteit. Verder hadden we geen relatie. Ik moest in slaap zijn gevallen terwijl ik keer op keer mijn verhaal in mijn hoofd aan het repeteren was. Het schemerde al, het was dus ochtend geworden. Zaterdag. Paaszaterdag. Opnieuw: wat ging er goed? Ik heb een alibi en ik heb geen motief. Wat ging er niet goed? Er staat hier een keukenmachine met waanzinnig veel resten coke in de kelderkast, er ligt een tas met geld op zolder. Dat geld kon vandaag niet weg. Ik had slechts een paar enveloppen, te weinig om alles per post te versturen. Het postkantoor was gesloten, enveloppen en postzegels bijkopen was niet mogelijk. Enveloppen kon ik bij de V&D of de Hema kopen, maar die postzegels waren het probleem. Zonder postzegels geen verzending. Er zat weinig anders op dan te wachten, te wachten en te wachten. Te wachten tot de recherche aan de deur stond.

In de middag hield ik het niet meer uit, ik moest weg. Het wachten duurde te lang. Waar kon ik heen? Naar Weemoed. Ik vroeg mij af of het verstandig was naar het café te gaan. Was dat verdacht? Of juist niet? Hoe dacht de recherche? Geen idee. Ik was rechercheur bij moordzaken, ik had een verdachte op het oog, die verdachte zat een dag na de moord bier te drinken in het café… Dat is niet per se raar. De verdachte kwam vaker in dat café en nu zat hij er ook. Dat is geen afwijkend patroon. Okee, ik ging naar Weemoed.

            Aan de tafel voor het raam zat Jasper Mikkers de krant te lezen. Dat was me ook een beroep zeg, dichter zijn. Een gedicht schrijf je in een uur. In een dichtbundel staan 25 gedichten, je publiceert iedere twee jaar een dichtbundel. Dat levert een werkdruk op van 12,5 uur per jaar. Wat doet een dichter de rest van de tijd? In een café de krant lezen.

            ‘Martijn, een Duvel voor mij. Wat drinkt Jasper?’

            ‘Dat moet je aan Jasper vragen.’

            ‘Ik vraag het aan jou.’

            ‘Hij drinkt thee.’

            ‘Oh. Doe er dan een thee bij.’

            ‘Thee is voor flikkers en zieke hoeren.’

            ‘Twee Duvel dan.’

            Martijn zette twee flessen Duvel en twee glazen op de bar. ‘Ik schrijf het op voor je.’

            Jasper keek verward op toen ik het bier op tafel zette, alsof ik hem gestoord had in intellectueel werk. Terwijl hij slechts de regiopagina’s aan het lezen was.

            ‘Er is iemand vermoord bij jou in de buurt,’ zei hij. ‘Las ik zojuist in krant.’

            Ik moest even slikken. ‘Daar heb ik niks van gemerkt.’

            ‘Jij woont toch in die buurt?’

            ‘Zeker, in de Madeliefstraat.’

            ‘Daar heb ik ook gewoond,’ zei Jasper. ‘Op nummer 4.’

            ‘Ga weg! Daar woon ik nu.’

            ‘Echt? Bij Gerda en Nol.’

            ‘Alleen bij Gerda. Nol ken ik niet.’

            ‘Dan denk ik dat Nol overleden is. Ik heb daar een kamer gehuurd, aan de achterzijde.’

            ‘Daar woon ik nu.’

            ‘Hoe doe je dat als je naar de wc moet?’

            ‘Gewoon, dan ga ik naar beneden en dan ga ik naar de wc. Zo ingewikkeld is dat niet.’

            ‘Nou…’ Jasper trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Je moet dan door de woonkamer en de keuken om bij de wc te komen.’

            ‘Dat klopt. Hoezo is dat ingewikkeld?’

            ‘Ik voelde me altijd bezwaard. Dan zaten Nol en Gerda aan tafel te puzzelen of zo en dan moest ik daar voorbij om naar de wc te gaan.’

            ‘Ik heb daar geen moeite mee,’ zei ik.

            ‘Ik wel. Ik had daar iets op gevonden. Ik had een paar lege melkflessen op mijn kamer staan, dus als ik moest pissen, dan piste ik eerst zo’n fles vol. Later, als ze naar bed waren, of boodschappen doen, ging ik met die fles naar beneden om hem te legen op het toilet. Of soms waren het twee flessen. Er was een keer iets misgegaan, met de vakantie. Ik was vergeten om de flessen te legen, in de zomervakantie. Toen ik na vijf weken terugkwam, trof ik een zeer boos echtpaar aan. Die twee flessen pis waren gaan stinken, in de hitte van de zomer. Ze hadden mijn kamer opengemaakt en daarna waren ze heel boos geworden. Ze hadden ontdekt waar die stank vandaan kwam.’

            ‘En toen?’

            Jasper nam een grote slok van zijn Duvel. ‘Toen niks eigenlijk. Nou, toen moest ik op zoek naar een andere kamer. Dat was niet zo’n probleem.’

            De rest van de middag en avond bleef ik in Weemoed hangen. Met het gebruikelijke volk tikten we de uurtjes weg. De grote man met de baard was er, het kleine mannetje ook. Op een gegeven moment pakte een kerel die ‘André’ genoemd werd een gitaar om tot sluitingstijd Nederlandstalige blues te spelen. Het was mooi geweest, tijd om af te rekenen en naar huis te gaan. ’s Nachts kwam ik thuis met een lumineus idee. Ik pakte de keukenmachine uit de kelderkast en maakte hem schoon. Ik schreef er een briefje bij:

Beste Gerda,

Je loopt soms tegen rare dingen aan in het leven. In café Weemoed hadden ze deze keukenmachine staan waar niemand wat mee deed. Ik zei dat ik hem wel wilde hebben. Toen had ik hem dus. Het was nog een heel gesjouw om hem hierheen te krijgen. Eigenlijk heb ik er niets aan. Ik geef hem aan jou.

Groeten,

Bas Dat probleem was opgelost. Gerda zou de volgende ochtend de keukenmachine aantreffen, hem nog een keer schoonmaken – zo was ze wel – en hem tussen de andere apparaten opbergen.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.