Hoofdstuk 36. Raad en daad

Ik voelde me helder in mijn hoofd, een mens vermoorden, met voorbedachten rade, is een fenomenaal gevoel. De spanningsopbouw is heftig, want het begin is rustig – daarna mag er niets meer verkeerd gaan. Dus je hormonen nemen het over. Je leeft op je instinct. Ineens ben je geen mens meer, maar een roofdier. Een roofdier denkt ook niet na als hij zijn slag slaat. Geen twijfel, gewoon baf! Erboven op. Eten of gegeten worden, dat gevoel. Een dier denkt bij het voorplanten ook niet na, ook dat gaat instinctmatig. Een reu ruikt een loops teefje en baf! Erboven op. Ik stond op, liep naar de vensterbank, pakte de schroevendraaier en stak hem bij Carlos in zijn keel en in zijn oog. Klaar. Een geweldig en overweldigend gevoel van leven overkwam me. Dat gevoel overstemde alle andere gevoelens en alle andere gedachten. Ik had plannen gemaakt voor het vervolg, maar daar kwam niets van terecht. Ik was een Übermensch, ik was ‘Killing an Arab’, ik was geweldig, ik was fantastisch, ik was de alfaman. Wie denkt er op dat moment nog aan een paar plastic tassen? Niemand. Plastic tassen die expres zo neergelegd waren dat ze niet op zouden vallen. Het had dus gewerkt. Indien je iets wilt verstoppen, dan moet je dat in het openbaar neerleggen. Ik weet zeker dat als Carlos de tasjes coke had verstopt in de kruipruimte, ik eraan gedacht zou hebben. Nu lagen die tasjes gewoon recht voor mijn neus en ik zag ze niet meer. Het plan was om die tassen mee te nemen en om ze in Luxemburg in de postbus te verbergen. Dat plan was van de baan. Teruggaan naar de Besterdring zou geen zin hebben, dat zou verdacht zijn. Tenzij er nog niemand was.

Ik rekende af en liep naar de Besterdring. Daar wachtte mij een onaangename verrassing. Nou ja, verrassing? Ik had het dus verwacht. De politie stond in vol ornaat voor de deur. De weg was half afgezet. Zes auto’s met zwaailichten, een burgerauto en veel volk. In de deuropening zag ik de accordeonist staan. Hij had Carlos ontdekt. Godverdomme. Die kutaccordeonist, met zijn kutmuziek en zijn kuthoofd. Wat een smerige achterbakse klootzak. Zo iemand deugt niet. Ik beende weg, naar huis. Ik wilde er niet gezien worden, en al helemaal niet door die lul van een accordeonist en zijn galbakmuziek. De politie zou me toch al weten te vinden, op de plaats delict mocht ik nu niet komen. Godverdomme. Wat een lul. Wie zulke kutmuziek maakt, moet een kutkarakter hebben. Een verrader, dat ben je, een Judas. Laat mij mijn karwei afmaken, lul! Waarom kom je daar dan? Waarom had ik het godverdomme goed gevonden dat Carlos het pand had opengesteld als repetitieruimte? Dat was fout. Dat was me godverdomme toch een partij fout! Het plan was duidelijk. Ik zou Carlos doodsteken, de coke veiligstellen en het lichaam zo lang mogelijk laten liggen. Dan zouden de buren gaan klagen. De politie zou bij mij komen, want mijn vingerafdrukken zijn all over the place – maar ze zouden niets hebben. Ik zou me hooguit voordoen als klant van Carlos. Ja, Carlos zat in de cocaïne, ik niet. ‘Waarom bent u daar dan zo vaak gesignaleerd?’ ‘Ik zal het bekennen: ik ben een goede klant van Carlos. Ik haalde bij hem mijn dope.’ Dat was nu allemaal op de helling gezet door die kloterige kutbandjes. Repetitieruimte! Hoe kom je erop? En waarom ging ik er godverdomme mee akkoord? Ga naar TiKuKo met je kutmuziek. Ga daar tussen de bomen herrie maken. Ga daar de kloten van Chiel Montagne likken. Die kutzeemansmuziek, die kutcovers van Benny Neyman, die kutDoe Maar.

Alles zou nu sneller gaan. Carlos was eerder ontdekt, de lijn met mij zou eerder gelegd worden. Ik moest dus eerder dan gepland alles opruimen. De keukenmachine zette ik in de kelderkast onder de trap, tussen de overige dingen van Gerda, lekker ver naar achteren. Daar stond ook al een sapcentrifuge en een wafelbakker. Het geld… waar liet ik het geld? Het was Goede Vrijdag, dus alles was dicht. Ik kon maandag pas naar een bank gaan voor een kluis, of naar het postkantoor voor een postbus. Tijd om te breken met een belangrijk uitgangspunt: wie iets wil verbergen, verbergt het goed. Ik durfde het niet open en bloot op mijn bureau te leggen, want dat zou wel de regel zijn. Ik ging zondigen tegen die kloteregel. Ik ging naar de zolder en verborg de tas met geld – toch ook alweer enkele tienduizenden guldens. Onverklaarbaar in mijn bezit. Op de zolder van Gerda zou dat het gespaarde bedrag van haar kunnen zijn, ware het niet dat mijn vingerafdrukken erop zaten. Alles ging dus verkeerd. Zo zou het gaan: de politie zou op mijn deur bonzen. Ze zouden de keukenmachine vinden met minuscule resten coke. Ze zouden het geld vinden. Ik zou er geen goed verhaal bij hebben. Ik zou veroordeeld worden voor moord en voor handel in verdovende middelen. Jaren in de gevangenis. Met een beetje geluk zou de rechter het niet erg vinden dat het slechts een drugshandelaar was. Het ene mensenleven is minder waard dan het andere. Een afrekening in het criminele circuit, dat moest het worden. Carlos en ik hadden ruzie gekregen over geld of over een lading coke, ik had een schroevendraaier gepakt en hem doodgestoken. Was dat een goed verhaal? Deels. Het moordwapen was weg. Dat had ik in het kanaal gegooid. Wat was dan het goede verhaal? Ik moest denken, ik moest denken. Nadenken, nadenken. Er is een lijk. Er is vijf kilo coke. Waarom is die coke daar? Dat was voor mij een ontsnappingspunt. Stel dat ik cokehandelaar was, zou ik dan die coke niet meegenomen hebben? Natuurlijk wel. Dat was het plan tenslotte ook, maar dat hoefden de wouten niet te weten. Er is een lijk, er is vijf kilo coke. Er is geen moordwapen. Er is geen motief. Ik heb geen motief. Ik heb een alibi. Wanneer ik die keukenmachine echt weet weg te werken en als ik van dat geld af ben, dan leiden de sporen niet naar mij. Niet definitief. Eerst wel, daarna niet meer: geen motief. Ik ben een arme cokesnuiver, wonend aan de Madeliefstraat 4, op een kamertje aan de achterkant van het huis. Een grotere kamer kon ik mij niet veroorloven. Dat was mijn verhaal.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.