Hoofdstuk 35. Schuld en boete

Ik was nog nooit in een doe-het-zelf-zaak geweest, alles heeft een eerste keer. Het was de Gamma. Ik keek mijn ogen uit, zo’n zaak is gaaf. Overal staan machines en apparaten, joekels van boormachines, opklapbare werkbanken, en planken, vloerdelen, schroeven… Een soort speelgoedwinkel voor mannen. Vrouwen mogen er natuurlijk ook hun schuurmachines kopen, maar om de een of andere reden stralen al die apparaten een en al testosteron uit. Daar zijn mannen bevattelijker voor dan vrouwen, vooral toen. Inmiddels is het een beetje anders, laatst liep ik een doe-het-zelf-zaak binnen en het grote aantal vrouwelijke medewerkers viel me op. Dat was dertig jaar geleden een ander verhaal. Dertig jaar geleden waren de Gamma, de Hubo en de Praxis mannenbolwerken, een soort darkrooms waarin je bij tl-licht elkaars bahco kon vasthouden en op de hand kon wegen. Een doe-het-zelf-zaak nodigt uit tot een spelletje ‘wie heeft de grootste’? Ook al was je op zoek naar een kleine inbussleutel, de kans dat je ook met een flinke beitel naar buiten liep, was levensgroot. Of met een oprolbaar meetlint van vijf meter. Nooit gedacht dat ik er bevattelijk voor zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik zo’n bouwmarkt heerlijk vind. Vooral de losse onderdelen, niet de netjes ingepakte en op volgorde gelegde schroevendraaiers en doppensets. Ik ben al georganiseerd genoeg van mezelf. Ja, een uitgebreide schroevendraaierset die van klein naar groot in een nachtzwart plastic koffertje ligt te glimmen heeft een zekere esthetiek. Wat mij betreft kun je zo’n set in een galerie hangen als klinisch kunstobject. Toch kom ik daar niet voor, want zo’n koffertje straalt een bepaalde vrouwelijkheid uit. De losse delen zijn vele malen stoerder. Een houthakker in de Rocky Mountains heeft een gereedschapskist vol losse dingen bij zich, niet een stapel plastic koffertjes waarin zijn beitels gepoetst en opgewreven liggen te rusten tot zij bewonderd kunnen worden.

Die donderdagochtend, 31 maart 1988, liep ik de Gamma binnen. Het was Witte Donderdag, de dag van het Laatste Avondmaal. De dag dat de wraak in de lucht hing, hoewel Carlos dat niet wist. Dat hele ‘in de lucht hangen’ is grote onzin. Er hangt niets in de lucht, ja, een wolk. Of een zweefvliegtuig. Meer ook niet. Sommige mensen denken dat er meer is tussen hemel en aarde, nou, meer dan een vliegtuig of een satelliet zit daar niet tussen hoor. Dat kan ik je vertellen. Er is niets, alleen dit moment. Het verleden is voorbij, de toekomst is er nog niet, slechts het heden telt. Klinkt misschien vreemd uit de mond die zijn wraak reeds lang van tevoren gepland heeft, maar zo zie ik het toch. Nee, Moniek kreeg ik niet terug met wraak. Moniek was verleden tijd. Ja, door de wraak te plannen leefde ik niet in het heden. Ik was te veel met de toekomst bezig. Ik had een uitgebreid plan om Carlos te doden en om rijk te worden. Daarmee leefde ik in strijd met mijn eigen regels – niets menselijks is mij vreemd. Geregeld leefde ik in het moment, in café Weemoed Duvel drinkend, op mijn kleine kamertje met tienduizenden guldens onder mijn bed en met een glas Sancerre in de hand… kleine momenten. Me verheugend op de toekomst, dat dan weer wel. Omdat ik voor het eerst in een doe-het-zelf-zaak was, wist ik niet waar ik moest zijn. Ik liep wat rond en verbaasde me over de hoeveelheid machines, apparaten en gereedschappen. Ik wilde van alles wat hebben, niet te veel, niet te weinig. Na een beetje rondgedwaald te hebben vond ik het schap met schroevendraaiers. Op ooghoogte hing een mooie grote kruiskopschroevendraaier. Zo eentje zocht ik. Die paste helemaal in Carlos’ kop. Ik pakte hem en woog hem op mijn hand. Lekker zwaar. Het handvat voelde ook goed. Deze werd het. Ik had geen mandje, dus liep ik met de schroevendraaier terug naar de ingang om een mandje te pakken. Wat voelde dat lekker. Ik was een ridder die zojuist van de wapensmid een nieuw zwaard gekregen had. Nu dus nog wat meer doe-het-zelf-spul. Algemene dingen, niks geks. Een hamer, een nijptang, een doosje spijkers, een pakketje schroeven, een paar kleinere schroevendraaiers, een klein zaagje. Bij de kassa lagen meetlinten van vijf meter, nam ik er ook een van mee. Alles in een plastic tasje, dat door het gewicht bijna doorscheurde. ‘O, dat houdt hij wel hoor,’ zei de jongen achter de kassa. ‘Daar kunt u wel mee thuiskomen.’

In de repetitieruimte was een band duistere new wave aan het spelen toen ik binnenkwam. Dat iedereen ongelukkig was en zo, ik kon niet goed verstaan wat er gezongen werd, behalve dan de woorden ‘schizophrenic’ en ‘misery’. Ik stak mijn hand op om te groeten en om te gebaren dat ze gewoon door moesten spelen. Het gereedschap legde ik uitgespreid in de vensterbank. De band stopte. De bassist liep naar de vensterbank en inspecteerde het gereedschap. ‘Goed hamertje,’ zei hij, ‘ligt lekker in de hand.’

‘We gaan binnenkort verbouwen,’ zei ik. Ik nam een stoel en ging zitten.

‘Jammer,’ zei de bassist. ‘Verliezen we dan deze repetitieruimte?’

‘Ja, het wordt een kunstgalerie.’

‘Jammer hoor.’

‘In plaats van te repeteren, kunnen jullie hier wel een keer komen spelen als we een tentoonstelling openen.’

‘Oh, een optreden!’ riep de zanger in zijn microfoon.

‘Een opening moet tenslotte een beetje feestelijk ingekleurd worden. Er staat een tentoonstelling met donkere schilderijen op de planning, daar past jullie werk mooi bij.’

Morgen zou Carlos weer een lading coke halen, vijf kilo. Nonchalance was de dekmantel, hoe nonchalanter je rondliep, hoe minder verdacht je was. Vandaar dat we de coke vervoerde in plastic tasjes van de supermarkt en dat we die tasjes een beetje lieten rondslingeren. Althans, zo zag het eruit. Wij zelf wisten dondersgoed waar we onze handel lieten.

De volgende dag stond ik vroeg op. Carlos was ook vroeg op weg om de nieuwe handel op te halen. Ik ging naar ons pand, pakte de keukenmachine en de rest van de zooi om de coke te versnijden en bracht dit allemaal naar mijn kamer. Dat was nu veiliggesteld. Weer terug naar de Besterdring. Zitten en wachten. Wachten. Hoe lang ik heb gewacht, weet ik niet meer. Op een gegeven moment kwam Carlos inderdaad binnen met vijf plastic supermarkttasjes. Ik zat aan de tafel. ‘Carlos!’ riep ik toen hij de voordeur opende.

‘Ah, je bent er al,’ zei hij.

‘Kom erbij.’ Carlos kwam de kamer binnen en zette de vijf tasjes verspreid op de grond. Zo zag het er niet uit als iets wat ertoe deed. Het zag eruit als willekeurige rommel. Mijn hart bonkte in mijn keel, mijn zenuwen gierden door mijn lichaam, de adrenaline spoot mijn oren uit. Ogenschijnlijk was ik rustig, innerlijk ontplofte ik bijna. Dit was het moment. Nu moest het gebeuren. Hier had ik naar uitgekeken. Dit was mijn plan. Nu ging hij eraan. Carlos ging zitten. Ik stond op en liep naar de vensterbank.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.