Hoofdstuk 34. Overal en nergens

In je eentje in de auto heb ik altijd heel saai gevonden. Zelfs met muziek aan, vond ik jaren geleden saai en nu nog steeds. Ik was toch al niet zo’n reiziger, ik vind het leuk om ergens te zijn, niet om erheen te gaan. Verplaatsingen zijn niets voor mij. Helaas horen ze erbij, het is niet anders. Het landschap interesseert me niets, als chauffeur kun je toch niet goed om je heen kijken. De weg van Tilburg, via Eindhoven, Maastricht en Luik naar Luxemburg vond ik eentonig. Luxemburg zelf is me ook een partij eentonigheid en dufheid hoor! Dat mensen daar voor hun plezier naar toe gaan, is me een raadsel. Zelden of nooit zo’n saaie stad gezien. Gelukkig was ik er voor zaken. Ik had een kamer geboekt bij Gasthaus Landmann. Daar werd ik vriendelijk ontvangen, want Luxemburgers zijn een vriendelijk volkje. Een belangrijke reden waarom ze dus saai zijn. Ze zijn ook betrouwbaar, met hun bankgeheim als betrouwbare kers op de betrouwbare taart. Dat bankgeheim was mijn doel, het Luxemburgse en ook Zwitserse bankgeheim waren onderdeel van het plan. Het geld moest naar het buitenland en daarna moest het witgewassen worden. Bij dat witwassen waren we nog niet. Ik was bij stap 3b. Stap 3a was het geld in het buitenland zien te krijgen, stap 3b was het geld in het buitenland zien te houden, zien te consolideren. Vanuit Gasthaus Landmann liep ik naar het postkantoor om de postbus te legen. Ik was benieuwd – raar eigenlijk, want ik had zelf de enveloppen met geld op de bus gedaan. Ik opende de postbus en die zat bijna helemaal vol. Allemachtig, wat een berg post! Dat ging ik zo niet meekrijgen, tientallen losse enveloppen… Nee, dat ging niet. Ik sloot de postbus en besloot een mooie tas te kopen. Het centrum van Luxemburg is niet zo groot, het winkelaanbod ook niet. Gelukkig was er wel een warenhuis, een soort V&D. Kaufhaus Huppeldepup – geen idee meer hoe het heette. Bestaat tegenwoordig ook niet meer. Daar hadden ze een tassenafdeling waar ik een mooie leren tas kocht.

In het postkantoor hield ik de geopende tas voor de postbus en schoof alle enveloppen erin. In de bar van het Gasthaus kocht ik een fles wijn voor op mijn kamer. Dat bleek nogal wrang spul te zijn. Het imago van Luxemburgse wijn was voor mij nietbestaand, maar nu was het de Luxemburgers toch gelukt om dat imago te doen kelderen. Het geld maakte echter veel goed. De hotelkamer had een klein bureautje, met een groene nepleren onderlegger. Al die enveloppen die we hadden gevuld en dichtgeplakt moesten nu weer opengemaakt worden; de bankbiljetten op mooie stapeltjes gelegd. Daar was ik wel een tijd mee bezig. De zoete smaak van geld overklaste de wrange wijn. Van de enveloppen maakte ik wikkels om om de geldstapels te doen. Het geld ging in de nieuwe tas. Er was nog tijd om naar de bank te gaan. Daar keek men niet vreemd op toen ik het enorme bedrag in guldens kwam storten. Sterker nog: ik kreeg het gevoel een kleine jongen te zijn. Er was voor mij geen speciale behandeling, ik werd niet meegenomen naar een privékamer, ik kreeg geen koffie, ik kreeg geen sigaar aangeboden. Ik kreeg helemaal niets. Het geld werd in ontvangst genomen, geteld en mee naar achteren genomen. De mevrouw haalde een papier tevoorschijn dat ik moest tekenen en dat was dat. Het bankafschrift zou ze sturen naar mijn postbus. Dat was het dus. Er was niets romantisch aan. Ik voelde me geen acteur in een spionage- of maffiafilm. Ik voelde helemaal niets, nou ja, ik voelde me een beetje opgelucht. Wat er nu ook zou gebeuren, dit geld was veilig. Stel dat ik opgepakt zou worden voor handel in verdovende middelen, na afloop van de celstraf zou ik naar Luxemburg gaan om daar mijn geld op te halen. Morgen het tweede deel van stap 3b. Stap 3b2 dus.

De geschiedenis herhaalt zich, nooit helemaal precies, maar toch herhaalt ze zich. De weg van Luxemburg naar Bazel was wat minder saai dan van Tilburg naar Luxemburg, maar saai genoeg om saai te zijn. Bazel zelf was wat bruisender dan Luxemburg, maar ook niet heel veel. Bazel was het Luxemburg van Zwitserland. Dat weet ik niet hoor, want ik was verder nog nooit in Zwitserland geweest, ik bazel dus maar wat. Een mens moet wat doen om de saaiheid van het autorijden tegen te gaan. Inmiddels ben ik wel vaker in Zwitserland geweest, vooral in Genève – mijn eerste indruk is altijd overeind gebleven: Zwitserland is saai en Bazel is Zwitserland. In Bazel nam ik hotel Der Teufelhof, vanwege de naam. Het is niet mijn bedoeling om reisadviezen te geven, maar als u nog een keer in Bazel moet overnachten, neem dan Der Teufelhof. In Bazel ondernam ik dezelfde procedure als in Luxemburg, met uitzondering van de aanschaf van een tas. Ik vulde de tas met enveloppen uit de postbus, ik kocht een fles wijn in de bar (een mooie Nuits-Saint-Georges), op de hotelkamer maakte ik mooie stapeltjes geld en daarna liep ik rustig naar de bank. Ook in Bazel werd ik niet met allerlei égards behandeld. Gewoon keurig netjes, dat wel. Ik vroeg me af hoeveel je moest komen brengen om wel als een vorst binnengehaald te worden. Van mijn tonnen in guldens was men niet onder de indruk. In het hotel besloot ik het duurste menu te nemen. Daar leerde ik van dat je altijd iets bij je moet hebben om je mee te vermaken. Het menu van negen gangen was heerlijk en langdurig. Ik zat me tussen de gangen door stierlijk te vervelen. Normaal heb je dan de tijd om met elkaar te praten. The Financial Times was niet mijn favoriete leesvoer, maar die avond heb ik hem van A tot Z gelezen. Sindsdien heb ik altijd een boek bij me, ook voor ’s avonds op de hotelkamer. Ik ben de afgelopen dertig jaar vaak in hotelkamers in Luxemburg en Bazel geweest en ik had dus heel wat boeken verslonden. Boeken over moordenaars waren mijn favoriet, dat had ik al verteld, geloof ik. Als je leest, hoef je niet te reizen, hoorde ik iemand eens zeggen. Het omgekeerde is eerder waar: als je reist, dan moet je veel lezen.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.