Hoofdstuk 33. Moeder en zoon

Op de uitvaart van mijn moeder was het druk, hoewel het volgens mij niet druk genoeg was. Zes weken geleden was er alvleesklierkanker gediagnosticeerd, begin januari. Ze had het aan niemand verteld, ineens was ze dood. Het was voor het eerst sinds een jaar of anderhalf dat ik Sjak zag. Hij knikte naar mij, ik knikte naar hem. Hij was een verslagen man. Zijn dochter dood, geen contact meer met de moeder van zijn dochter, zijn vrouw nu ook dood. Waarom hij nog leefde, was hem een raadsel. Die hele klassenstrijd was er niet van gekomen, het aantal mensen dat CPN stemde nam razendsnel af, net als het ledenbestand. Hij hoefde steeds minder adreswikkels te tikken voor de CPN Ledenkrant. Het leven van Sjak bestond nu alleen nog maar uit sjek en bier. Het was dus druk op de begrafenis. Er waren echter geen bekende Nederlanders: Nico Haak liet zich niet zien, Benny Neijman niet, Ramses Shaffy niet. Schrijvers waren er ook niet – die mensen had ik er allemaal graag bij gehad. Mijn moeder genoot van de contacten met de bekende mensen, het was heel jammer dat juist zij er niet waren. Wel veel mensen van de techniek, zo liet ik mij vertellen. Er waren decorbouwers, cameramannen, geluidsmannen, lichtmannen, kantinemedewerkers. Er werd muziek gedraaid. ‘The Cure,’ had ik gezegd, dat was ook meteen mijn enige bemoeienis met die hele uitvaart. ‘The Cure, want mijn moeder correspondeert met de zanger.’ Ik had niet voor durven stellen om ‘Killing an Arab’ te draaien, want dat zou al te vreemd zijn. Toch was het dat liedje waarmee de vriendschap tussen mijn moeder en Robert Smith begonnen was. Overigens was er een paar weken na de begrafenis een kaartje van Robert Smith in de bus gevallen met zijn condoleances, maar daar kwam ik pas achter na de dood van Sjak in 1990. De uitvaart was heel sober, niemand hield een toespraak. De uitvaartmevrouw sprak aan het begin een kort woordje, waarin ze iedereen welkom heette. Daarna klonk er muziek: Harry Belafonte, iets uit De Notenkraker en ‘A forest’ van The Cure. Iedereen liep langs de kist – een lange rij mensen. Ook heel veel mensen uit de buurt, veel vrouwen met wie ze graag sherry dronk. Er leek geen einde te komen aan die rij. Sommigen hadden een bloem bij zich, anderen niets. Het maakte me niks uit. Ik had geen emoties, ik voelde helemaal niets. Niet zo lang geleden zou ik zin hebben gehad in een vette joint, nu niet. Ik had nergens behoefte aan, nou ja, misschien aan een goed glas wijn.

            Na afloop van de dienst – die geen dienst was – verzamelde iedereen zich in de koffieruimte van het uitvaartcentrum. Het was er stampvol. Iedereen wilde mij een hand geven, ik wilde een glas wijn. Toen ik dat zachtjes zei, antwoordde er iemand dat hij daarvoor zou zorgen. Een paar tellen later stond ik met een glas goedkope zure bocht in de hand. De troost van de alcohol gold niet in het uitvaartcentrum. Een oudere vrouw die ik nog nooit gezien had, viel mij huilend om de nek. Een dikke meneer met een enorme mat in zijn nek gaf mij de stevigste hand die ooit iemand aan mij gegeven had. Een groepje kantinemedewerkers zei me dat ‘Ria zoveel over je verteld had. Ze was trots op je.’ Vreemd dat ik daar nooit iets van gemerkt had. Mijn glas wijn was leeg. Een vrouw van een jaar of 35 met een vrolijke jurk, en haar haar in twee blonde vlechten had een fles sherry van de bar gepakt en vulde mijn glas ermee. ‘Je moeder dronk graag sherry,’ zei ze. Dat zal wel, maar daarom hoefde ik het niet te drinken. ‘Je bent een mooie jongen,’ fluisterde ze me in mijn oor. ‘Als je behoefte hebt aan troost, dan kom je maar langs hoor.’ Ze wreef over mijn arm, waardoor er een golf sherry uit het glas klotste. Ik had geen idee wie die vrouw was, laat staan dat ik bij haar langs kon gaan voor troost. Ik had helemaal geen behoefte aan troost. Later, toen ik ging lezen, zou ik te weten komen dat Gerard Reve de term ‘vieze oude vrouw van boven de dertig’ gemunt had.

            Mijn vader was er niet. ‘Ik wil niets met Ria te maken hebben, ik ben thuis in TiKuKo en daar wil ik nooit meer weg. Alles leidt af van de kunst,’ had hij gezegd. Alsof die kutschilderijen van hem ooit kunst zouden zijn! Ik had mijn vader een paar honderd gulden gegeven, om materiaal aan te schaffen. Als ik zijn schilderijen tentoon wilde stellen, dan moesten er wel schilderijen zijn. Met die paar honderd gulden kon TiKuKo even vooruit. Daarmee konden ze bij Antoon de Jong verf en doeken kopen, en bij de Edah een paar kratten Pitt Bier. Ergens begreep ik mijn vader wel, een begrafenis is een soort mosterd na de maaltijd. Dood is dood, geen ritueel kan de dode terughalen, er zijn geen toverspreuken die de werkelijkheid kunnen veranderen, geen priester kan de onderwereld in om met de doden te praten. Er zijn geen goden en helden. Dood is dood, zo simpel is het uiteindelijk wel. Ik ging weg, ik wilde niet blijven tot het einde. Dan zat ik met Sjak opgescheept en daar had ik geen zin in. Sjak kon wat mij betreft doodvallen – iets wat hij inderdaad niet eens zo heel veel later zou doen.             Ik had nog meer te doen vandaag. Er lagen grote stapels enveloppen met honderdduizenden guldens in de bagageruimte van mijn Golfje. Geadresseerd aan de postbussen in Luxemburg en Bazel. Ik zou langs een paar steden gaan om de enveloppen op de bus te doen. Eerst Utrecht, dan Den Bosch en via Eindhoven weer terug naar Tilburg. De enveloppen moesten zo veel mogelijk verspreid aangeboden worden aan de PTT, zodat ze zo verspreid mogelijk naar het buitenland vervoerd zouden worden. Het briefgeheim woog zwaar en de politie moest extreem goede aanwijzingen hebben om enveloppen open te maken. Een van die aanwijzingen zou kunnen zijn dat er een hele stapel enveloppen met dezelfde adressen in dezelfde brievenbus zat. Dat zou raar zijn. Vandaar dat ik mijn best deed om de enveloppen zo veel mogelijk te verspreiden over allerlei brievenbussen. Het kon wel een week duren voor ik een paar ton verstuurd had. In de tussentijd had Carlos voor veel geld coke verkocht en dat geld moest dan ook weer verstuurd worden. ’s Avonds ging ik met Carlos mee langs de plaatsen waar we onze waar af konden zetten en overdag hielp Carlos mij om het geld in de enveloppen te doen, de adressen erop te schrijven, postzegels te plakken en hij hielp me om de enveloppen in de brievenbussen te gooien. We kochten grootverpakkingen poedersuiker bij de Makro en we kochten zo veel mogelijk verspreid zo veel mogelijk paracetamol om de binnengekomen coke te versnijden. We hadden een druk bestaan.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.