Hoofdstuk 32. Misdaad en straf

Hoewel ik helemaal geen familiemens ben, vond ik het tijd om mijn vader eens te bezoeken. Hij was nog nooit bij mij op visite geweest, belangstelling van zijn kant was nul. Ik had TiKuKo echter nodig voor de uitvoering van mijn plan. Carlos moest eraan en ik moest rijk worden. Voor het eerste deel had ik mijn vader niet nodig, dat moest ik helemaal zelf doen. Voor het tweede deel had ik hem heel erg nodig. Ik parkeerde mijn auto voor het boerderijtje. De twee caravans stonden er nog steeds, ze zagen er vervallen uit. Achterstallig onderhoud doet een caravan niet goed. Ook het boerderijtje kon enige opknapbeurten gebruiken. De bewoners hielden zich liever bezig met het schilderen van schilderijen dan van kozijnen. Ik toeterde en stapte uit. Was er wel iemand thuis? Een man stond op, zag ik toen ik naar binnen keek, en liep naar de deur. Ik zwaaide naar de man. Het was Geert.

            ‘Geert,’ zei ik, ‘hoe gaat het met je.’

            Geert moest daar even over nadenken. Hij wreef over zijn leren broek, krabde op zijn hoofd, hij stak zijn wijsvinger op en zei: ‘Goed.’ Het was voor het eerst dat ik begreep wat Geert zei. Dat duurde niet lang, want Geert vervolgde met: ‘Van het gebaar, van de mimiek, van het niet-bewuste, van het onopzettelijke, van de indicatie in het algemeen, ja, de mogelijkheid ze soms te hernemen en in een discursief en opzettelijk commentaar te expliciteren, onderstreept alleen maar het belang van voorgaande onderscheidingen.’

            ‘Geert,’ ik poogde hem te onderbreken, ‘ik zwaaide gewoon naar je. Het was geen gebaar.’

Geert liet zich niet de mond snoeren: ‘Door deze interpretatie laat een latente expressie, een willen-zeggen dat zich nog op de op de achtergrond hield, zich “horen en verstaan”. De niet-expressieve tekens willen slechts zeggen voor zover men ze ertoe kan brengen uit te zeggen wat in hen murmelde en zich in een soort gestamel ophield.’

‘Is mijn vader er ook?’

Geert wees naar de linker caravan en vervolgde zijn betoog: ‘De gebaren willen slechts zeggen voor zover men ze beluisteren, ze interpreteren kan. De essentie van taal is haar telos en haar telos is het wils-bewustzijn in de vorm van het willen-zeggen. De indicatieve sfeer die buiten de aldus omschreven expressiviteit valt, bakent de mislukking van dit telos af. Zij vertegenwoordigt alles wat, hoewel het zich met de expressie ineenstrengelt, toch niet hernomen kan worden in een opzettelijk en van het willen-zeggen doordrongen discours.’

Halverwege was ik al weggelopen naar de caravan die Geert aangewezen had. Daar klopte ik op de deur.

‘Ja?’ Het was de stem van mijn vader.

‘Ik ben het.’

Er klonk wat geschuifel voor het deurtje van de caravan openging, een walm van mufheid kwam naar buiten. Mijn vader zag er verfomfaaid uit, zijn haar was door de war en hij had een trainingsjackje aan en een joggingbroek. ‘Hoe is het ermee?’ vroeg hij. Hij stapte naar buiten.

‘Goed,’ antwoordde ik. ‘Heel goed. En met jou?’

‘Ook goed. Of beter: niet goed. Trudy is zeer bedroefd over de dood van Moniek. Wij allemaal natuurlijk. Trudy woont nu op de zolder van het boerderijtje en ze schildert alleen nog maar zwarte stippen op beige vlakken. Dat is haar rouwverwerking.’

‘Goh, wat vervelend.’ Wat moet je zeggen op zo’n moment?

‘Financieel gaat het ook niet goed. De BKR is afgeschaft. We zitten nu in de bijstand en dat is helemaal geen vetpot. Niet dat we van die BKR rijk werden… Het is armoe troef op dit moment. We kunnen ons slechts het goedkoopste bier veroorloven. En jij? Hoe gaat het met jou?’

‘Met mij gaat het goed. Daar kom ik juist voor. Ik verhuur repetitieruimte aan bandjes.’

‘O!’ riep mijn vader uit, ‘dat kunnen we hier ook doen. Wij hebben ruimte zat. Het punt is dat als er een band wil spelen dat we daar dan niks voor vragen.’

‘Ik vraag daar wel wat voor. Het is echter tijd voor mij om door te pakken, om de ruimte die ik heb beter te gelde te maken. Daar heb ik jullie hulp voor nodig.’

‘Wacht even, want zodra ik het woord “hulp” hoor, schakel ik een tandje terug.’ Hij ging de caravan binnen en kwam terug met twee flesjes lauw bier. Pitt Bier.

‘Proost,’ zei hij. ‘Hulp dus.’

‘Repetitieruimte verhuren levert weinig op. Ik wil de ruimte ombouwen tot kunstgalerie. Dat ombouwen lukt natuurlijk wel. Het is daarna zaak om de galerie vol te hangen met schilderijen. Jullie maken schilderijen. Als ik nou eens jullie kunst ga verkopen?’

Mijn vader dronk een paar slokken bier. ‘Nee, dat wordt niks. Nee, ik denk niet dat het iets wordt. En dan?’

‘En dan?’ reageerde ik verbaasd. ‘En dan? Dan verkoop ik jullie schilderijen en dan hebben jullie geld om van te leven.’

‘De BKR!’ riep mijn vader.

‘De BKR,’ zei ik.

‘Dan word jij onze Beeldende Kunstregeling!’

‘Ja, daar komt het wel op neer.’

‘Ik vind het nu al een goed plan.’ Het wereldrecord van-gedachten-veranderen staat op naam van mijn vader. ‘Kunnen we aan de slag?’

‘Ho ho ho, niet zo snel. Ik ben hier om te peilen of jullie mee willen werken. Ik heb nu van jou gehoord dat je meedoet, maar hoe zit het met de anderen? Wat wil Trudy?’

‘Trudy wil voorlopig zwarte stippen op beige vlakken schilderen. Als we het voor elkaar krijgen dat ze dat kan blijven doen, dan is het goed. Trudy gaat akkoord. Wil je nog een bier?’

‘Waarom niet?’ Pitt Bier is smerig en lauwwarm Pitt Bier is goor. Ik zat er voor een hoger doel, ik moest nu niet de mensen tegen de haren in gaan strijken. Mijn vader ging zijn caravan weer in en kwam terug met twee bier.

‘Proost.’

‘En Geert?’

‘Dat kunnen we aan Geert vragen. Ik zal hem er eens bij roepen.’

‘Dat hoeft nu niet per se, hoor. Je kunt het hem ook vragen als ik weer weg ben.’

‘Geert!’ riep mijn vader. ‘Geert! Kom eens hierheen!’

Geert zat al die tijd in de deuropening van zijn caravan te genieten van het herfstzonnetje dat tussen de bomen naar beneden scheen. Hij stond op en kwam onze kant uit.

‘Bas begint een kunstgalerie. Zou jij zin hebben om daar te exposeren?’

Geert trok een blij gezicht en hij begon gebaren te maken alsof hij een schilderij maakte. Ineens stopte hij daarmee, wees naar mijn vader en zei: ‘De expressie als teken dat wil-zeggen is dus een tweevoudig uit zichzelf treden van de zin op zich en dit gebeurt in het bewustzijn zelf, in het met-zichzelf of bij-zichzelf. Later, na de ontdekking van de transcendentale reductie zullen we de tekens kunnen omschrijven als een noëtisch-noëmatische sfeer van het bewustzijn. Als wij, met het oog op meer klaarheid, bemerken hoe de “improductieve” laag van de expressie elke andere intentionaliteit zowel naar vorm als naar inhoud weerspiegelt, in een spiegel “reflecteert”.’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.