Hoofdstuk 31. Mensenhaat en berouw

Carlos en ik hadden afgesproken om niet een luxeleven te leiden. We wilden niet de aandacht trekken, dus voor ons geen Ferrari en Armani. Ik had niet eens een rijbewijs, hetgeen bijzonder onhandig was. Het geld dat we verdienden spaarden we. Er kwam een moment voor de grote klapper, zo zeiden we. Twee jonge mannen met heel veel geld, dat kon natuurlijk niet. Ik had een plan om het geld weg te sluizen en wit te wassen. Carlos was ervan onder de indruk. Stap 1 van het plan: rijbewijs halen. Zonder rijbewijs geen auto, zonder auto geen mogelijkheid om het geld het land uit te krijgen. Tijd voor rijles. En niet een uur per week, maar iedere dag. Dat ging prima. Ik blowde al een tijdje niet meer, ik nam nooit iets van de coke en ik wist mij in te houden met de drank. ’s Avonds zat ik op mijn kamer dure wijn te drinken. Carlos en ik deden niet aan uiterlijk vertoon, hoewel het geld in onze handen brandde. Ik had zakken vol geld onder mijn bed en ik zat op bed met een glas Pouilly-Fuissé in de hand, of een glas Pomerol. Geld voor een duur pak was verboden, enkele tientjes voor een fles wijn was geen probleem. Of tweehonderd gulden voor een fles Saint-Émilion. Dat rijbewijs kwam er, in een keer geslaagd. Ik kocht een tweedehands Golf, contant afgerekend.

Tijd voor stap 2 van het plan: het buitenland. Carlos had de opdracht om de handel door te laten gaan. Hij had de muziekscene inmiddels in handen en de MDKLNKRT. Ik vond het grappig, toen ik hoorde dat er tweespalt heerste in de MDKLNKRT. De ene gang werd bevolkt door blowers en de andere door snuivers. Stop met ruziemaken, jongens en meisjes, gewoon allemaal aan de coke. Carlos leverde aan de deur, ik leverde in Luxemburg. Carlos leverde coke, ik geld. In Luxemburg opende ik een zakelijke bankrekening onder de naam ‘Campanile’ bij de Banque et Caisse de Luxembourg en ik huurde een postbus op het postkantoor. Daarna reed ik door naar Bazel. Daar liep ik binnen bij de Müller & Holstein Bank om ook daar een bankrekening te openen. Ook in het Bazelse postkantoor nam ik een postbus. Stap 2 was klaar. Drie dagen later was ik weer in Tilburg.

Ik liep onze winkel binnen om Carlos het goede nieuws te vertellen, tot mijn verbazing trof ik drie muzikanten aan die Nederlandstalige muziek aan het spelen waren. The New Four, dacht ik grimlachend.

‘Wat is dit?’ riep ik uit. De muziek stopte.

‘Wij repeteren hier,’ zei de accordeonist.

‘Waar is Carlos?’ vroeg ik.

‘Boven.’

Ik stormde de trap op. ‘Carlos!’ riep ik.

Boven zat Carlos in een comfortabele fauteuil. Ik had de neiging om hem aan te vliegen, om zijn keel dicht te knijpen en om zijn kop tegen de muur kapot te beuken. Ik hield me in, ik deed niets. Ik ademde in door mijn neus, haalde mijn schouders op en vroeg rustig: ‘Carlos, wat is er aan de hand?’

‘Berend kwam langs om de huur op te halen. Gewoon zoals altijd. Hij keek echter rond en ik zag dat hij het vreemd vond.’

‘Wat vond hij vreemd?’

‘Ik betaal iedere maand de huur en er is geen activiteit. Hoe betaal ik de huur? Ik zag hem denken: “Waarvan betaalt Carlos de huur?” En dat snap ik wel.’

‘Inkomsten genereren is onderdeel van het plan, dat komt nog.’

‘Te laat, we betalen al lang huur en we hebben al lang geen inkomsten voor de buitenwereld. Berend neemt de huur in ontvangst, maar hij vertrouwt het niet. Toen dacht ik dat we ons pand konden gebruiken als repetitieruimte. Dat is een duidelijk verhaal. Mensen zien de musici in- en uitlopen, ze horen de repetities. Kortom: hier vindt bedrijvigheid plaats.’

‘Okee, voorlopig ga ik akkoord. Om een muzikale term te gebruiken. Op de langere termijn stopt dit en treedt mijn plan in werking.’

‘Afgesproken,’ zei Carlos. ‘Hoe ging het in Luxemburg en Zwitserland?’

‘Goed. We hebben er bankrekeningen en postbussen. Tijd voor de volgende stap.’ Ik hoorde het bandje beneden ‘Meisje, ik ben een zeeman’ spelen. Godverdomme, dat is een liedje van The New Four! Niet te geloven, je denkt aan iets en het volgende moment is het werkelijkheid geworden.

‘Ik heb wat voor je,’ zei Carlos. Hij opende een campingkoelkastje en haalde er een fles champagne uit. ‘Taittinger, dat drinkt James Bond ook altijd.’

‘Lekker,’ zei ik.

Carlos pakte twee bierglazen uit de kast.

‘Hahaha! Bierglazen! Wat ben je toch ook een boerenlul.’

‘Ik was vergeten champagneglazen te kopen. Een glas is een glas.’ Carlos liet de kurk knallen en schonk de glazen vol. ‘Proost.’

‘Proost Carlos, op je gezondheid.’ Ik kon zijn aanwezigheid niet meer aan, met walging keek ik toe hoe hij het glas achteroversloeg. Zijn dagen waren geteld. Zwijgend dronken we de rest van de fles leeg. Het bandje beneden speelde ‘Kiddy kiddy kiss me’ van Highway. Mijn weerzin en afkeer nam enorme vormen aan. Tijd voor actie, tijd voor stap 3. ‘Ik ga weer naar huis, om stap 3 uit te voeren.’ Eenmaal buiten genoot ik van de frisse lucht, daar ademde ik vrij. Bij het postkantoor op het Besterdplein kocht ik een stapeltje enveloppen en de krant. Thuis op mijn kamer opende ik een fles Amarone. Heerlijk. Ik trok een tas met geld onder mijn bed vandaan. Tienduizenden guldens… Ik scheurde een blad uit de krant, vouwde er een stapeltje briefjes in en stopte het in een envelop. Dat zag er goed uit, alsof het een dikke brief was. Ja, zo moest het dus. Ik zette de spullen op het bureau en ik ging aan de slag. Na een half uur had ik een flinke stapel gevulde enveloppen liggen. De ene helft adresseerde ik aan mijn postbus in Luxemburg, de andere helft aan mijn postbus in Bazel. Morgen zou ik een rondje postkantoortjes doen en in ieder postkantoor een envelop naar Luxemburg en een envelop naar Bazel op de bus doen. De kans dat de enveloppen geopend zouden worden, was klein. Mijn postbussen zouden zich vullen met enveloppen met inhoud. Ik hoefde er slechts naar toe te rijden om het geld naar de bank te brengen. Dat was stap 3, geld wegsluizen naar het buitenland. Tevreden ging ik op bed liggen. De dood van Carlos was weer een stapje dichterbij gekomen.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.