Hoofdstuk 30. Marx en Lenin

Een bedrijfspand dus. Voor mijn plan had ik een bedrijfspand nodig. Ik wandelde door de buurt waar ik woonde en kwam als vanzelf op de Besterdring, een soort winkelstraat net buiten het centrum. Zo’n winkelstraat waar niemand meer winkelt, met een kasregisterwinkel, een naaimachinewinkel, een grotematenwinkel, een supermarkt – dat soort werk. Daar paste een cocaïnewinkel mooi tussen. Ik was al door de Enschotsestraat gelopen, maar dat was veel meer een woonstraat. De Besterdring leek me een veel geschiktere straat. Nummer 147. Aha! Nummer 147 was een klein leegstaand winkelpandje. Dat was mooi zeg. Ik keek naar binnen en zag een lege ruimte die vrij ver naar achteren doorliep, een pijpenla. Ik deed een paar stappen achteruit om de bovenverdieping te zien. Die zag er ook onbewoond uit. Dat moest ik hebben. Ik noteerde het telefoonnummer dat op het bord met Te huur stond.

            Thuis mocht ik de telefoon van Gerda gebruiken om de verhuurder te bellen. Ik kon die middag nog met hem afspreken in het pand. De deal was snel beklonken, ik ging het pand huren. We maakten een afspraak voor de volgende dag, dan zou hij het huurcontract meenemen en ik mijn zakenpartner en het geld voor de eerste huurtermijn.

            ‘Wat voor winkel gaat u runnen?’ vroeg de verhuurder die zich had voorgesteld als Berend.

            ‘Een galerie,’ antwoordde ik. ‘Een galerie met beeldende kunst.’

            ‘Dat is een mooie toevoeging aan deze straat,’ zei Berend. ‘De straat is een beetje aan het verloederen, helaas. Die verloedering moeten we tegengaan. Een galerie helpt daarbij. Het is een goed idee, zo’n galerie.’

            ‘We willen van Tilburg een echte kunststad maken,’ zei ik. ‘Er is veel muziek in Tilburg, maar er is wat ons betreft te weinig beeldende kunst.’

            ‘Zelf heb ik niet zo veel met kunst. Toch vind ik een winkelstraat met een galerie meteen meer cachet hebben dan zonder.’

            ‘Kunst kleurt het leven,’ zei ik, ik stond versteld van mijn praatjes. Ik had zelf ook helemaal niets met beeldende kunst. ‘We willen er een mooie winkel van maken, het zal dus wel even duren voor we echt kunnen starten. Het pand moet grondig verbouwd worden. Alles moet strak in de lak komen. Kan ik nog een beroep doen op de verhuurder?’

            ‘Niet voor zover het de binnenkant betreft. Het buitenwerk… daarover kunnen we wel eens praten.’

            ‘Ik denk bijvoorbeeld aan de kozijnen, die zien er niet uitnodigend uit. Ook de voordeur mag vernieuwd worden. Door de voordeur komen de klanten binnen en als die voordeur er haveloos uitziet, dan denk ik niet dat we daarmee klanten lokken.’

            ‘Ik kan niets toezeggen, behalve dat we er eens over kunnen praten als het contract getekend is.’ Met Berend was het goed zaken doen, hij vroeg een normale huurprijs en twee maanden later had hij ervoor gezorgd dat alle kozijnen netjes afgelakt waren en dat we een nieuwe voordeur hadden. Een mooie, stevige winkeldeur. Aan de binnenkant deed hij helemaal niets – wij ook niet. Wij hadden onze handen vol aan het opzetten van de cokehandel in Tilburg en omstreken.

            De volgende haalde ik Carlos van het station. Bepakt en bezakt stond hij op me te wachten op het afgesproken tijdstip, hij had twee treinen eerder genomen, zodat hij zeker wist dat hij op tijd was. Hij had een schoon verband op zijn oor en een soort hard plastic kokertje op zijn neus.

            ‘Heb je de handelswaar?’ vroeg ik.

            ‘Twee kilo puur,’ antwoordde hij. ‘Dat kunnen we versnijden tot minstens het dubbele.’

            ‘Geld?’

            ‘Tienduizend.’

            ‘Tienduizend?’

            ‘Ik heb hier en daar wat druk gezet. Vooruit laten betalen en zo. En nu?’

            ‘Nu lopen we naar je nieuwe woning.’

            ‘Ik ben benieuwd.’

            ‘Ik ook.’

            ‘Heb je al iets gehoord van de begrafenis van Moniek?’

            ‘Nee.’ Dat was een leugen. Er was gisteren een rouwkaart in de bus gevallen met de datum en het tijdstip van de begrafenis. Ik had besloten om er niet heen te gaan. Moniek kwam er niet door terug, bovendien had ik de tijd nodig om mijn plan uit te voeren. Ik moest nu dingen regelen om uiteindelijk wraak te kunnen nemen. De langetermijnplanning ging voor de korte.

            We troffen Berend in het pandje. Na nog een keer rondgeleid te zijn, tekende Carlos het huurcontract en rekende hij de eerste twee maanden huur contant af. Carlos was winkelier geworden.

            ‘We moeten aan het werk,’ zei ik. ‘We moeten klanten werven. Dat kun jij goed. Jij hebt het spul en jij komt snel te weten waar je afnemers zitten. Jij ruikt dat.’

            ‘Zij ruiken mij. Geef me een week en ik heb alle duistere kroegen van Tilburg gevonden. Ik heb nu nodig: een keukenmachine, een paar bussen poedersuiker en een heleboel strips paracetamol.’ De taken werden verdeeld, ik ging naar de V&D om een keukenmachine te kopen en naar de supermarkt voor tien bussen poedersuiker, Carlos ging langs diverse drogisten om paracetamol in te slaan. Toen we alles hadden gooiden we het in de keukenmachine om het te vermalen tot een mooie verkoopbare mix. Carlos blies zijn luchtbed op en installeerde zich op een van de kamers boven. Ik ging terug naar de Madeliefstraat. Alles liep goed, het slachtoffer was op de juiste plaats.

            De volgende dag gingen we naar de Leen Bakker om wat meubels aan te schaffen, gordijnen, handdoeken en dat soort dingen, zodat Carlos ook echt kon wonen. Dat was echter allemaal van minder belang. Belangrijker was dat we klanten kregen, luxe zou later wel komen. Carlos waande zich nu al een koning; dat was goed, dat gevoel moest hij inderdaad hebben. ’s Avonds ging hij de kroegen af en redelijk snel wist hij waar hij moest zijn. Aan het Rode Fietspad zat een kroeg waar men interesse had in de handelswaar, schuin tegenover Weemoed zat er eentje en een aan de Veldhovenring. Geen slechte score na drie dagen. Binnen twee weken had Carlos de helft van zijn coke verkocht.

            ‘We moeten nieuwe coke inslaan,’ zei ik. ‘We moeten blijven leveren, als we stilvallen, neemt een ander het over.’

            ‘Ik heb al gebeld met Colombia,’ zei Carlos. ‘Eergisteren. Er is nieuw spul onderweg.’

            ‘De volgende keer wil ik met je mee als je belt.’

            ‘En als ik verkoop. De sfeer is gemoedelijk. De ervaring leert dat cokesnuivers op den duur agressief kunnen worden. We moeten dit met twee man doen.’

            Binnen een paar maanden hadden we de hele cokemarkt van Tilburg in handen. We leverden topkwaliteit en we leverden met regelmaat. Ik leerde snel genoeg Spaans om zelf met ‘Colombia’ te bellen – steeds vanuit een andere telefooncel. De keukenmachine maakte overuren. Het geld kwam met bakken tegelijk naar binnen.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.