Hoofdstuk 3. Earth and Fire

En nu ik aan mijn keukentafel zit om over de moord te schrijven, dertig jaar later, ervaar ik mij weer als een overwinnaar, ik ben een nog completer mens geworden. Want wat heb je eraan als je de enige bent die weet dat je een winnaar bent? Enerzijds veel, want je leeft vooral voor jezelf. Anderzijds niets, want als je menszijn een geheim is, dan draag je dat geheim met je mee. Ik ben na de moord op Carlos meer rechtop gaan lopen, hoewel ik niet denk dat iemand dat gezien heeft. Ik durfde mij te mengen in discussies, maar ik denk niet dat iemand dat gehoord heeft. Hoewel… ik moet waken voor valse bescheidenheid. Ik heb wel degelijk betekenis gegeven aan het leven van mensen. Nu ik dit schrijf voel ik mij nogmaals herboren. Herboren voor de buitenwereld, voor de anderen. Het is mijn coming-out als moordenaar. De mensen zullen anders naar mij kijken. Ze zullen naar me luisteren, want ik heb iets te vertellen. Weer zal ik een cirkel doorbreken. Mijn geheugen is op sommige momenten heel erg goed, er zijn details die ik mij nog bijzonder goed voor de geest kan halen. Er zijn gebeurtenissen die ik mij absoluut niet meer herinner, of die omsluierd zijn door een soort van geheugenmist. Ik zal proberen mijn ongelukkige jeugd uit de doeken te doen, daar waar ik het niet meer weet, zal ik de grote lijnen vertellen. Wat ik weet, zal ik opschrijven. Ik beloof open kaart te spelen. Ik zal eerlijk zijn, ook al weet ik dat het mij soms pijn zal doen. Schrijven over je ongelukkige jeugd is geen pretje. ‘An unhappy childhood is a writer’s goldmine’ heb ik wel eens ergens gelezen, maar ik betwijfel of dat voor mij geldt. Ik heb nooit iets verteld over mijn ongelukkige jeugd, over mijn verwaarlozing. Aan niemand. Ik durfde het niet, ik wilde het niet, ik schaamde me ervoor – alsof het allemaal mijn eigen schuld was. Het deed er ook niet toe, mijn leven was mijn leven zoals het geworden was. Ik had geen mensen om mij heen met wie ik over mijn ongelukkige jeugd wilde praten. Nu zal ik dat wel doen, ik zal niemand sparen. Mijn ouders gaven me geen liefde en mijn stiefouders ook niet, het heeft altijd gevoeld alsof ik daar de oorzaak van was. Ik was niets waard. Niemand gaf iets om mij, iedereen liet mij in de steek en dat kwam gewoon door mij. Ja, nu achteraf weet ik dat dit niet door mij kwam. Het slachtoffer van emotionele verwaarlozing is het slachtoffer en niet de dader. Ik moest er een moord voor plegen om uit de slachtofferrol te komen, maar dat was het waard. Meer dan waard. Nogmaals: ik zal eerlijk zijn. Mijn ongelukkige en eenzame jeugd is geen excuus voor de moord, wel de verklaring. Die verklaring is wat ik nu opschrijf.

            De precieze datum weet ik niet meer; het was ergens in 1978 dat ik ’s ochtends de slaapkamer van mijn ouders opkwam en mijn moeder in bed vond met een andere man dan mijn vader. Ik schrok enorm, ik verstijfde – en ik ben die stijfheid pas tien jaar later echt kwijtgeraakt, op de dag van mijn verlossing: 1 april 1988, Goede Vrijdag. Tien jaar heb ik versteend geleefd, niet in staat om emoties te ontvangen en te tonen. De overgordijnen waren al open, de grote bruine cirkels die omringd waren met kleine oranje cirkels waren hun patroon kwijt. Het motief van de cirkel komt immers het best tot zijn recht als de gordijnen dicht waren, en dan natuurlijk zo strak mogelijk. Met de gordijnen open waren de cirkels ineengewrongen tot rare ovalen en was het terugkerende dessin niet meer zichtbaar. Zo werd ook ik ineengewrongen die ochtend, zo was ook mijn mogelijkheid tot ontplooiing verdwenen. De paarse vitrage hing stijf voor het raam. Nog nooit had een kleur mij tot walging gebracht, maar sinds die dag kon ik geen paars meer zien zonder te kokhalzen. Het raam dat uitzicht zou moeten bieden was versperd door een paarse waas. Mijn leven was uitzichtloos geworden. Ik heb mij altijd afgevraagd of ik mij dat op dat moment realiseerde, ik denk het echter wel. Ik kan het mij niet anders herinneren dan een gevoel van geslotenheid. Dit moet wel betekenen dat ik vanaf dat moment wist dat mijn onbezorgde jeugd ten einde was gekomen. Ik was tien jaar en mijn leven was ingekaderd. Door de tocht waaide de slaapkamerdeur met een klap dicht.

            ‘O, je bent al wakker,’ zei mijn moeder, ‘dit is Sjak.’ Ze wees naar de man naast haar. Een man met donker haar en een grote snor. Hij lag in bed met een ontbloot bovenlijf, een bovenlijf dat volledig bestond uit krullend borsthaar.

            ‘Dag jongen,’ zei de man, ‘ik ben Sjak.’

            ‘Je zult je wel afvragen waar je vader is,’ vervolgde mijn moeder, ‘maar die is nu ergens anders. Die is bij tante Trudy.’

            Ik stond aan de grond genageld, en ik dacht niet dat ik ooit nog zou kunnen praten. Maar gek genoeg kwam er toch geluid uit mijn mond: ‘Wie is tante Trudy?’ Ik had nog nooit van tante Trudy gehoord. Was het een zus van mijn vader? Of juist een zus van mijn moeder? Tante Trudy? Een lang doodgewaande tante die teruggekeerd was uit Amerika, waar ze een fortuin had verdiend?

            ‘Eh… tante Trudy is eh…’ Het leek wel of mijn moeder ook niet wist wie tante Trudy was. ‘Tante Trudy is de vrouw bij wie je vader enige tijd zal logeren. Ze is heel aardig. En zolang zal Sjak hier blijven wonen.’             Sjak draaide zich op zijn zij en pakte een pakje sjek van het nachtkastje. Drum. Op zijn gemak draaide hij een sjekkie, hij knoeide kleine stukjes tabak op de bruin met groen gestreepte deken. Ik bleef staan, want ik was van steen. Mijn vader en moeder rookten niet. En nu lag er een of andere Sjak bij mijn moeder in bed te roken. De rook van de zware sjek drukte zwaar op mijn longen. Mijn moeder keek vol bewondering en liefde naar Sjak, alsof hij zojuist wereldkampioen in het een of ander was geworden. De cirkels van de gordijnen zouden vanaf nu stinken naar de sjek van Sjak. Een indringer had zijn geurspoor achtergelaten in mijn leven, ik bestond niet meer. Ik was opgelost in de rook. Ik was een schim geworden in de onderwereld.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.