Hoofdstuk 29. Man en paard

‘Hoe is het met Moniek?’ vroeg ik.

            Carlos schoot omhoog, zijn stoel viel om achter hem. ‘Weet je het dan niet?’

            ‘Wat?’

            ‘Ze is dood.’

            ‘Niet!’

            ‘Ja. Gecondoleerd.’ Carlos stak zijn hand uit. Ik pakte zijn hand, trok hem naar me toe en gaf hem een kopstoot. Carlos vloog daardoor achteruit, struikelde over zijn stoel en viel op de grond. ‘Auwww,’ schreeuwde hij. ‘Mijn neus. Aaargh, mijn neus!’ Hij kronkelde over de vloer. Het meisje achter de bar kwam naar ons toegerend.

            ‘Weg!’ riep ik naar haar. ‘Terug naar je bar!’

            Carlos gebaarde dat ze terug moest, hij hijgde een paar keer. ‘Terug, terug. Het is al goed, ga maar terug.’

            Moniek was dus dood. Twee dagen eerder aan een overdosis overleden. ‘Je wist dat dus nog niet,’ zei Carlos, toen hij weer een beetje bijgekomen was. ‘Een overdosis. Niet hierboven. Ze is gevonden bij Station Amstel. Geen idee wat ze daar deed. Mijn neus, jongen, je hebt mijn neus gebroken.’

            ‘Dat is dan je verdiende loon.’

            ‘Ze moeten me wel hebben deze week.’ Hij wees naar zijn rechteroor, het viel me nu pas op dat dat oor in het verband zat.

            ‘Omdat je een inhalige klootzak bent. Of niet soms? Ik krijg nog geld van je, van die zak wiet. Ik denk niet dat je dat nu aan me geeft.’

            ‘Ik heb geen geld meer. Al het geld is opgegaan aan het bruin voor Moniek.’

            ‘Dan weet ik hoe ze aan die overdosis is gekomen.’

            ‘Ik heb goed voor haar gezorgd, ze was verslaafd. Ik zorgde voor haar. Dat ze haar stuf kreeg en zo.’

            ‘Wat is er met je oor?’

            ‘Het is oorlog hier in Amsterdam. Ik heb deze week bezoek gehad van De Dominee.’

            ‘De dominee. Juist. En wie of wat is die dominee?’

            ‘De Dominee is een grote jongen hier in de cokehandel. Een heel grote jongen. Hij is de koning van de coke. Auw, godverdomme, mijn neus. Mijn oor. Godverdegodver.’

            ‘En wat moest hij van je?’

            ‘Hij wil mij weghebben. Dat kwam hij me vertellen.’

            ‘Wie is dat dan? Waarom is hij een dominee?’

            ‘Dat is zijn bijnaam, hij is altijd in het zwart gekleed en hij preekt altijd. Tegen mij ook.’

            ‘Zo. Dat is me wat.’ Ik vond het een raar verhaal, een dominee die de koning van de coke is. Wat probeerde Carlos me op de mouw te spelden? Wat speelde hier werkelijk?

            ‘Een heel verhaal had hij, weet je. “Je moet ruimte maken, ruimte in Amsterdam voor een goede doorvaart van de handel,” dat zei hij. “Amsterdam is groot geworden van de handel, dat ga jij niet tegenhouden in je kleine uppie.” Toen pakte hij me bij mijn oor en tilde me op. Zo is mijn oor ingescheurd.’ Voorzichtig begon hij het verband los te peuteren. ‘Claudia!’ riep hij naar het meisje achter de bar. ‘Claudia, kom bier brengen. Met jenever. Een hele fles.’ Het verband zat met pleisters vastgeplakt die deels aan zijn haar zaten. ‘Claudia, kom hier en help me.’

            ‘Moet ik nu bier tappen of je komen helpen?’ riep Claudia terug.

            ‘Hier hier hier! Eerst helpen. Maak het verband los.’ Claudia begon aan het verband te frunniken.

            ‘Auw! Mijn haar.’

            ‘Stil zitten jij, anders doet het nog meer pijn.’ Uiteindelijk was het verband eraf. Ik zag een soort bloederige klont onder het oor.

            ‘Kijk,’ zei Claudia en ze wees naar het oor ‘het is netjes gehecht, op de Eerste Hulp van het OLVG.’

            ‘Misschien kun je terug om je neus in het gips te zetten,’ zei ik.

            ‘Ik wil eerst wat drinken. Claudia, zou je een paar biertjes kunnen tappen en zou je de fles jonge klare kunnen brengen?’

            ‘Wat vraag je dat lief,’ zei Claudia. Ze draaide zich naar mij en zei: ‘Dat doet hij anders nooit hoor.’ Claudia liep heupwiegend naar de bar, alsof ze dankzij haar vrouwelijkheid een grootse overwinning had behaald. Zo lang Carlos pijn had, kon zij hem de baas.

            ‘Die dominee, hè?’

            ‘Nee nee, het is niet díe dominee, het is Dé Dominee.’

            ‘Okee, De Dominee. Die De Dominee dus. Die is de koning van de coke hier. En wat maakt jou dan?’

            ‘Een kleine jongen, denk ik. Hij trok mijn oor er half af, ik niet het zijne.’ Claudia zette twee vaasjes en een fles jonge op tafel. ‘Dank je. Ik ben een kleine jongen. Ik huur hier deze tent en ik heb mijn vaste klanten. Ik importeer goede coke, jongen. Betere coke dan die van De Dominee, maar ja, daar gaat het niet om. Het gaat erom de markt in handen te krijgen. Natuurlijk mag ik van De Dominee hier blijven zitten om coke te verkopen. Zolang het zijn coke is. Zo werkt dat dus. Ik moet zijn troep afnemen om het door te verkopen aan mijn klanten. Die willen het dus niet meer, want het is niet de Carloskwaliteit die ze gewend waren.’ Carlos schroefde de dop van de jeneverfles en schonk – klok klok klok – een flinke scheut in zijn glas bier. ‘Jij ook?’

            ‘Doe maar.’ Klok klok klok.

            ‘Proost.’

            ‘Op je gezondheid, klootzak.’ Zwijgend dronken we het bier. Toen de glazen leeg waren, kregen we nieuwe van Claudia. Carlos vulde ze bij met jenever, zodat het schuim over de rand stroomde. ‘Kun jij niet de keizer van de coke worden?’

            ‘Nee, De Dominee heeft alles in handen en hij heeft gewapende jongens. Ik heb geluk gehad met mijn oor. Heel veel geluk, De Dominee was in een goede bui.’

            ‘Dat ga je dus niet redden zo.’

            ‘Ik vrees het niet nee.’

            ‘Dan heb ik iets voor je,’ zei ik. In mijn hoofd had zich een plan vastgezet. Ineens. Het was helder in mijn hoofd, ondanks het bier en de jenever. Het was een wreed plan, een plan waarmee ik rijk zou worden. In één teug dronk ik mijn glas leeg. ‘Claudia! Mogen wij nog een paar grote vazen bier?’

            ‘Wat heb je voor me?’ vroeg Carlos.

            ‘Eerst een biercocktail. Ik moet er nog een paar seconden over nadenken. Het moet zich nog wat verder vormen.’ Claudia zette twee glazen op tafel, Carlos schonk de jenever erin. Ik boog voorover en fluisterde: ‘Dit is het plan. Jij komt mee naar Tilburg. Als je niet geknecht wilt worden in Amsterdam, dan kun je de koning worden in Tilburg. Kom mee naar Tilburg en we gaan daar samen verder in de handel. Zeg tegen niemand iets. Je houdt je kop, anders scheur ik je oor er helemaal af. En je andere oor ook. Maar samen kunnen we Tilburg innemen.’

            Carlos leunde achterover. ‘Hier moet ik even over nadenken,’ zei hij.             ‘Neem de tijd. Je hebt alle tijd. Je hebt de tijd totdat De Dominee weer verschijnt. Hij maakt je af. Of je wordt zijn knecht. Dan maakt hij je uiteindelijk ook wel af. Je gaat eraan, Carlos. Proost, op je gezondheid.’ Ik pakte het glas bier en dronk het leeg. ‘Over drie dagen meld jij je op het station Tilburg. Op dit tijdstip. Neem je koffer met kleren mee, een slaapzak, een luchtbed, de handelswaar en heel veel geld. Zoveel geld als je los kunt peuteren, biets overal geld. We kunnen iedere gulden gebruiken.’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.