Hoofdstuk 28. Man en muis

Het gedicht eindigde met iets als ‘…en tien vaten bier!’ Er klonk een luid gejuich en applaus. Waar het gedicht over ging, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het niet lang duurde en best grappig was. Een gedicht over bier doet het altijd goed in een café, in ieder geval beter dan een gedicht over een man die op zijn bruiloft wordt doodgestoken door de bruid. Hoewel, als dit met het taartmes gebeurt, dan is het ook wel weer grappig genoeg om voor te dragen in een vrolijke omgeving. De bruid maakte het uit en sneed het taartmes door zijn huid. Het mes kwam in zijn hart en toen werd alles zwart. Ik kan maar beter geen gedichten schrijven. Het schrijven van deze mémoires vind ik al lastig zat en dan hoef ik slechts op te schrijven wat er daadwerkelijk is gebeurd. Ik hoef niet eens mijn fantasie te gebruiken om dingen te verzinnen. Ik lees graag en best veel ook, fictie en non-fictie. Boeken helpen mij om de wereld om mij heen te duiden, door boeken te lezen krijg ik grip op de wereld en leer ik hoe andere mensen denken en wat andere mensen voelen. Dat valt niet mee, zelf voel ik meestal niets. Daarom kan ik ook geen gedichten schrijven, of een roman. Ik kan mij wel dingen herinneren, daarmee moet ik het doen. Daarmee schrijf ik nu dit boek. Mijn herinneringen zijn waar, en wanneer ik iets niet zeker weet, of wanneer ik iets vergeten ben, dan ben ik daar eerlijk in. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden, of een uitgebreide agenda. Ik kan niet teruggrijpen op wat ik eerder geschreven heb. Behalve een boodschappenlijstje heb ik nog nooit iets geschreven, maar ik moet zeggen dat het mij nu niet moeilijk af gaat. Dat komt door de eerlijkheid. Ik heb beloofd om eerlijk alles op te schrijven, het hele verhaal, het volledige verhaal. De waarheid en niets dan de waarheid – zoals ze zeggen in Amerikaanse rechtbankfilms. Ik hoef niets te verzinnen, ik hoef slechts op te schrijven zoals het gebeurd is. Het is tijd voor de volgende episode. Ik was van plan om de moord op Carlos te verklaren aan de hand van mijn slechte jeugd. Het zit ingewikkelder in elkaar. Door de desinteresse en tegenwerking van mijn ouders en stiefvader was ik niet meer de beloftevolle gymnasiast, niet iedere ex-gymnasiast pleegt op zijn twintigste een moord.

            Ik bestelde nog een Duvel. Martijn zette een flesje naast mijn glas. ‘Het is de gewoonte dat je hetzelfde glas houdt,’ zei hij nadat hij mijn verbaasde blik zag. ‘Tenzij je echt graag wilt dat ik je glas omspoel. Dat doe ik dan… zo hoort het niet.’

            ‘Doe dan maar niet. Ik wil graag doen zoals het hoort.’ Ik schonk de Duvel in het glas, maar het leek alsof er slechts schuim uit het flesje kwam. Ik had een glas vol schuim.

            ‘Glas schuin houden en rustig schenken,’ zei Martijn. ‘Ik heb het je een keer voorgedaan, je hebt dus niet goed opgelet. De volgende keer moet je beter opletten. Laat dat een les voor je zijn. Heb geduld, het schuim trek heus wel weg. Dan kun je rustig het bier inschenken.’ Dat was inderdaad het geval. ‘Zie je? Ik heb altijd gelijk. Die dichter van zojuist, dat is Jasper Mikkers. Hij is de beste dichter van Tilburg.’

            ‘Is het moeilijk om de beste dichter van Tilburg te zijn?’

            ‘Nee, helemaal niet. Hij is ook min of meer de enige dichter in Tilburg.’

            ‘Dan ben je al snel de beste.’

            ‘Dan ben je al héél snel de beste! Er zijn behoorlijk wat muzikanten in Tilburg, Tilburg is een echte muziekstad. Om de beste muzikant van Tilburg te worden, moet je heel goed zijn. Dichters hebben we niet zo veel. Weet je, de dichtbundels van Jasper worden uitgegeven in Amsterdam en toch blijft hij in Tilburg wonen.’

            ‘Uit bescheidenheid?’ vroeg ik.

            ‘Uit pure ijdelheid,’ antwoordde Martijn. ‘Jasper is een ijdele man. Als hij naar Amsterdam verhuist, dan is hij daar een van de vele dichters. Amsterdam zit vol schrijvers en dichters, dus wat voeg je eraan toe door naar Amsterdam te verhuizen? Helemaal niets.’ Martijn stopte met praten om zijn werk te doen. Jasper Mikkers werd na zijn gedicht door diverse mensen op bier getrakteerd en ook de dunne wat oudere mevrouw aan het tafeltje onder de klok kreeg van verschillende mensen een glas wijn. Ze had nu vijf glazen witte wijn voor haar neus staan. De twee studentes – waarschijnlijk van de kunstacademie of zo, want ze zagen er kunstzinnig uit met hun opgestoken haren en paarse lippenstift – bestelden rode wijn. De grote man met de baard en het kleine mannetje namen ieder een glas van het bruine bier. De grote man liet zijn bestelling bijschrijven op het bonnetje, het kleine mannetje rekende meteen af.

            ‘Alle mensen in de Weemoed zijn ijdel. Uit ijdelheid krijgt Jasper bier voor zijn gedicht, want door Jasper te trakteren straalt iets van het briljante gedicht af op degene die trakteert. Ieder gedicht van Jasper Mikkers is een topgedicht, dat is het uitgangspunt. Daarom blijft hij in Tilburg wonen, zodat hij hier de koning der dichters is. In Amsterdam is hij niet meer dan een letterknecht. In Amsterdam krijgt hij geen vijf rondjes als hij in een café op het Spui een gedicht voorleest. Hier in Tilburg wel. Je kunt beter een koning zijn in Tilburg, dan een knecht in Amsterdam.’

            Ik heb die avond met iedereen in de Weemoed gesproken, maar ik weet niet meer met wie en waar het over ging. Ik werd zo zat als een Maleier, zonder heel veel gedronken te hebben. Ik meen dat ik zes Duvels af moest rekenen op het laatst. Zes Duvel. Dat is helemaal niet zo veel, dat kon de portemonnee van Wim met gemak aan. Ik had een nieuwe huiskamer gevonden en het was café Weemoed. De rest van de week bracht ik daar door, tot het weer tijd was om naar Amsterdam te gaan, naar Carlos. De wiet had ik ingeruild voor alcohol, en dat beviel me wel.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.