Hoofdstuk 2. Dagen en nachten

Rustig liep ik de kale kamer uit, ik keek in de deuropening nog even om. Betonnen vloer met lijk, drie houten stoelen, een tafel, her en der wat plastic tassen. De bebloede schroevendraaier had ik nog in mijn hand. Ik sloot de deur achter me, zachtjes maar zelfverzekerd. In werkelijkheid had alles slechts een paar seconden geduurd: ik sprong op van mijn stoel, pakte de schroevendraaier en stak Carlos in zijn hals en in zijn oog. Vijf seconden misschien? Drie seconden? Nu de kortste weg naar het kanaal. Rechtvaardig wandelde ik naar het kanaal, op de draaibrug hield ik even in om de schroevendraaier in het water te laten vallen. Aan de overzijde lag café Zomerlust. Ik bestelde een La Trappe Dubbel. Er zat geen bloed aan mijn handen, althans, niet zichtbaar. Misschien wat minuscule spettertjes, onzichtbaar voor het blote oog. Het bier smaakte goed, ik nam er grote slokken van.

            ‘Ik voel me top,’ zei ik tegen de barman.

            ‘Dat is mooi,’ zei hij.

            ‘Het is een prachtige dag,’ zei ik. ‘Regenachtig, maar prachtig.’

            ‘Dat rijmt, dus is het waar,’ antwoordde de barman. Ik vergat altijd zijn naam, dus noemde ik hem meneer Zomerlust, en als je het zo zegt, dan lijkt het nog een echte naam ook. Meneer Zomerlust was immer onberispelijk gekleed in een zwarte broek, spierwit overhemd, zwart strikje en een ouderwets horecaschort. Wie Zomerlust binnenstapte, stapte tachtig jaar terug in de tijd.

            ‘Zo is dat, meneer Zomerlust. Doet u mij nog maar zo’n La Trappe.’

            De pendule op de schoorsteen boven de gashaard sloeg half vier. Kut, dacht ik, vergeten! Hoe kan ik zo stom zijn om dat vergeten. Waarom had ik die plastic tassen niet meegenomen? Er lagen godverdomme vijf plastic tassen op de grond. Vijf stuks en ik neem er niet eentje mee. Stom! Ik was zo aan het genieten van de moord, het geluid van de schroevendraaier tegen het bot van Carlos’ hoofd klonk zo goed, dat ik alles vergat. Het moment van zijn dood was zo’n verlossing dat ik in de euforie dus alles om mij heen niet meer meemaakte. Er was geen verleden, geen toekomst, alleen het directe heden. Ik leefde in het moment, ik genoot van het neervallen van Carlos. Dat was mijn triomf. De rest deed er niet meer toe. Teruggaan was geen optie. Maar goed, ik had al zo veel gewonnen, dat ik dit beetje verlies wel kon lijden. Ik dronk het glas bier met grote teugen leeg en bestelde er nog een. Drie glazen trappist op Goede Vrijdag, ja, dat betekende alles voor me.

            Wat is een mens? Ik besloot dat ik een mens was, een echt mens van vlees en bloed. Ik was ooit geboren, maar ik moest herboren worden om een echt mens te zijn. Een mens zonder verleden. Althans, niet zonder verleden, maar zonder de last van het verleden. Wat ik die middag had gedaan, was mijn hergeboorte. Ik was de nieuwe mens geworden, de Übermensch. Ik hoefde nu voor niets of niemand meer bang te zijn, want ik had het belangrijkste offer volbracht dat een mens kon volbrengen: ik had een mens vermoord. En dat voelde goed. Wie een mens vermoordt, is heer en meester van leven en dood. Dit was mijn dag. Het was 1 april 1988, ik was een ander mens geworden, ik was helemaal mezelf geworden. Mijn slechte jeugd had ik vandaag van mij afgeworpen. Ik was boven mezelf uitgestegen. Nu ben ik mens, een self made man, want ik had alles helemaal zelf gedaan. Wie in zijn eigen stront blijft roeren, komt nooit boven de pleepot uit. Wie of wat een mens is, is mij vandaag duidelijk geworden. Een echt mens, een waar mens, neemt zijn eigen beslissingen. Een mens – eventueel met hoofdletter (een Mens), maar vind ik aanstellerig – laat zich niet leiden door een ander. Het was mijn keuze om Carlos om te leggen. Het was niet zijn keuze, Carlos was geen mens. Carlos was een mier, een kakkerlak. Een insect dat je plattrapt met de hak van je schoen. Of in dit geval: een mens die ik doodstak met een schroevendraaier. Een kruiskopschroevendraaier.            

            ‘De kruisdood,’ mompel ik onhoorbaar. Ik grinnik om mijn flauwe grap. Ik mag dat, want ik heb als mens gezegevierd over de kakkerlak Carlos. Wie eenmaal iemand gedood heeft, snapt het leven. Het leven bestaat uit keuzes maken en met de keuze voor het ene, sluit je het andere af. Met de keuze voor moord, ben ik geen lafaard. Als je de mensen kunt verdelen in helden en lafaards, dan ben ik een held. Een moordenaar kan geen lafaard zijn en dus is hij de held. De held van mijn verhaal is wakker geworden op 1 april 1988. Ik had mij voorgenomen te zwijgen tot de verjaringstermijn voorbij was, maar dat is niet gelukt. Sinds een aantal jaren verjaart moord niet meer, dus zou ik voor altijd mijn mond moeten houden. Ik kies ervoor om dat niet te doen. Ik kies ervoor om ervoor uit te komen dat ik een moordenaar ben. Ook dat hoort bij het mens-zijn. Wat heb je eraan als je de enige bent die weet dat je een mens bent? Iedereen mag het weten hoe en waarom ik afgerekend heb met de demonen in mijn leven. Ik heb altijd gezwegen over mijn ongelukkige jeugd, nu is het tijd om daar open over te zijn. Open over de verwaarlozing, open over de liefdeloosheid van mijn ouders, open over het psychologische geweld van mijn stiefvader. Ik heb nooit liefde gekend, hoe kon ik dus liefde geven? Jarenlang zat ik gevangen in de vicieuze cirkel van liefdeloosheid. Deze cirkel heb ik weten te doorbreken door Carlos te vermoorden. Toen wist ik voor mezelf dat ik een compleet mens was en dat ik recht had op mijn eigen emoties. Emoties die ik tien jaar weggestopt had, emoties die ik niet onder ogen durfde te komen. Vooral niet het gevoel dat ik ertoe deed. Ik moest niet bestaan, mijn jeugd bestond eruit dat ik niet bestond – andere mensen waren vele malen belangrijker dan ik was. Dat werd mij keer op keer op het hart gedrukt. Totdat ik besloot het heft in eigen hand te nemen en mijzelf wel op de eerste plaats te zetten. Dat Carlos daarvoor dood moest… het zij zo. Het was de afrekening met mijn ongelukkige jeugd.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.