Hoofdstuk 16. Heer en meester

Een flink uit de kluiten gewassen jongen met een bruinleren jack kwam naast me te zitten in 3 havo. Hij had een soort vetkuif, niet zo eentje als Elvis, eerder een modernere variant. Slordiger of zo. Zijn ogen stonden sloom, een beetje zoals de ogen van Droopy. Wim heette hij. Hij was blijven zitten en het jaar daarvoor zat hij op het atheneum. Dat schiep een band, ik was ook een trapje lager terecht gekomen. Wim en ik zeiden weinig tegen elkaar, dat hoefde ook niet. Wim woonde bij zijn vader, zijn moeder woonde in Hellevoetsluis. Ik had nog nooit van Hellevoetsluis gehoord, Wim legde mij uit dat het een soort afvalbak was voor gescheiden ouders. ‘Echt waar, kerel, als je ouders gaan scheiden, dan komt een van hen in Hellevoetsluis te wonen.’ Hij lachte er een beetje bij, alsof hij het echt meende.

            ‘Mijn ouders zijn gescheiden.’

            ‘En? Hellevoetsluis?’

            ‘Nee, anders zou ik wel geweten hebben wat Hellevoetsluis was.’

‘Ja, dat is ook weer waar. Hilversum begint ook met een H. Verder begint alles met een A.’

‘Niet waar,’ zei ik.’

‘Natuurlijk wel. Alles begint met een A. Als dat niet zo is, met welke letter begint het woord alles dan wel?’ Het was moeilijk om hoogte te krijgen van Wims gedachtengangen. Hij maakte van die absurde sprongen en hij vond het leuk om een soort pseudo-Duits te spreken.

            ‘Weet je wat ik gaaf zou vinden?’ vroeg hij me eens in de pauze, terwijl hij een voorgerold sjekkie uit zijn sjekzak haalde.

‘Nee,’ antwoordde ik.

Wim stak zijn sjekkie aan en inhaleerde diep. ‘Om een band op te richten die de liedjes van The Doors in het Duits vertaalt. En dan noemen we ons Die Türe.’

Ik hoefde er niet om te lachen, Wim vond het een zeer vermakelijk idee. Sterker nog, hij barstte uit in een enorme lachbui die overging in een hoestbui. Hij stak zijn arm uit om mij het sjekkie te geven. Ik rookte niet, maar ik wilde Wim niet teleurstellen. Ik nam een kleine haal van het sjekkie.

‘Weet je wat het is?’ vroeg Wim tussen het lachen en hoesten door.

‘Weet ik wat wat is?’ vroeg ik.

‘Wat dat is,’ zei Wim en hij wees naar het sjekkie.

‘Een sjekkie.’

‘Een joint, makker.’

Ineens rook ik het. Het was geen sjek, het was zoeter. Dit rook lekker. Ik nam nog een kleine haal. Ik voelde niets. ‘Ik voel niets,’ zei ik. Ik hoefde niet te hoesten.

‘Dat is normaal,’ zei Wim. ‘De eerste paar keer voel je niets. Je moet doorzetten en dan voel je het. Het maakt het leven dragelijk. Al die saaie dagen op school, hoe kom je ze door?’

‘Weet ik niet.’

‘Het was niet echt een vraag. Es war niet echt eine Frage. Gewoon iedere dag een goede joint. Dat houdt me op de been.’

Ik gaf de joint terug aan Wim.

‘Nee, hou hem. Maak hem uit en bewaar hem voor vanavond thuis. Für vonabvond zu Hause.’

De zoemer ging en de pauze was dus voorbij. Ik kon niet wachten tot het avond was om op mijn kamer de joint verder te roken. Van de spanning werd ik al high, althans, dat dacht ik. En het was ook eigenlijk zo. Wat was ik toch braaf dat ik inderdaad wachtte tot het avond was voor ik het jointje verder oprookte. Het was op mijn kamer, ik deed alsof ik huiswerk ging maken en stak met een aansteker van Sjak mijn eerste joint aan. Mijn handen trilden ervan. Ik nam een hijsje en ik werd meteen rustig. Jee, dit is waar ik heel mijn leven op had gewacht. Of had het op mij gewacht? Koos ik de drugs? Of kozen de drugs mij? Ik wist niet eens wat erin zat, hasj of wiet? Ik wist het niet. Het rijmt, dus is het waar. Wat ik precies voelde, wist ik niet. Werden mijn armen zwaarder? Ja, een beetje wel. En toch ook weer niet. Ik was duizelig en toch ook weer niet. Ik was relaxt en toch ook… wakker. Ja, ik was wakker. Ik voelde me goed. Dit was hem. Dit was mijn toekomst. Waarom had ik het telefoonnummer van Wim niet? Dan had ik hem kunnen bellen.

De volgende dag was ik blij om Wim weer te zien. Hij leek het allemaal niet meer precies te weten wat er gisteren gebeurd was. ‘Ik had een jointje van je gekregen,’ zei ik.

‘Ah ja,’ antwoordde Wim afwezig.

‘Het was geweldig. Wat was het? Wat zat erin?’

‘Het zal wel wiet geweest zijn.’

‘Geen hasj.’

‘Nee, dat denk ik niet. Ik rook liever wiet. Ich rauche lieber wiet.’

‘Wat is het verschil?’

‘Dat is er eigenlijk niet, ik vind wiet puurder. Het is puur natuur. Daar hou ik wel van, makker.’

‘Okee, hoe kom ik aan wiet?’

‘Het is nog vroeg, je kunt niet aan wiet komen nu. Ik heb wel wat. Kom maar mee.’

We pakten onze fietsen en gingen naar het Boombergpark. Dat was de favoriete plek van Wim. We gingen op een bankje zitten en Wim rolde een grote joint propvol wiet.

‘Hier makker,’ zei hij. De joint ging daarna over en weer. Om de beurt namen we een hijs. Ik voelde me gelukkig. Ik voelde me een met… alles. Met Wim. Met iedereen. Hoe lang we daar gezeten hebben, weet ik niet. Het moet in de middag geweest zijn, dat Wim me aanstootte en zei dat we nieuwe wiet moesten hebben.

‘Waar halen we dat dan?’

‘Bij De Piramide,’ antwoordde Wim. ‘Café De Piramide. Dat is hier om de hoek.’ Wim keek op zijn horloge. ‘Het is open. Nu wel.’ De Piramide was een café, maar wel eentje waar de omzet niet zozeer uit de bierconsumptie bestond. Wim werd er hartelijk begroet door de man achter de bar. Hij smoesde wat met de barman en even later liet hij mij trots een plastic zakje zien. ‘Goede afghaan,’ zei hij. ‘Deze moeten we echt hebben.’ We gingen aan een tafeltje zitten en Wim rolde weer een mooie joint. Ik voelde mij ingewijd in een groot geheim. Ik behoorde vanaf nu tot een bijzonder volk, een uitverkoren volk. Wij hadden de waarheid ontdekt. De rest van de dag bleven we zitten in De Piramide, daarna gingen we op pad om broodjes frikandel te eten. Het witte broodje kletste hard tegen de bruine frikandel en die botste weer met de rode ketchup. Ik nam kleine hapjes en ik genoot. Voor het eerst van mijn leven genoot ik. Wim was mijn held.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.