Hoofdstuk 15. Heen en weer

Er stond een Volkswagen Kever voor de deur, met lopende motor. Er zat niemand in, en toch stond hij op het punt om weg te rijden. Blauwe walmen kwamen uit de uitlaat. Het was 1986 en niemand leek echt te malen om uitlaatgassen, of het kwam in ieder geval zo op mij over. Wel was er gedoe over zure regen en het gat in de ozonlaag. Dat was toch ook rondom die tijd? De wereld zou met man en muis vergaan, door een kernoorlog, of door milieuvervuiling. Ik kan mij niet herinneren dat er heibel werd gemaakt om uitlaatgassen, maar misschien ben ik helemaal abuis. Zo kwam ik er onlangs achter dat de walkman en de cd-speler beide uit 1982 stammen. Dat is raar, want het staat me bij dat de walkman er al eerder was en dat de cd-speler pas veel op de markt kwam. Het zou te maken kunnen hebben met het cassettebandje, want dat bestond natuurlijk al wel eerder – dus zit het in mijn hoofd dat de walkman ook van die tijd moest zijn. En aangezien cd’s en cd-spelers pas eind jaren tachtig een beetje betaalbaar werden, zit het jaar 1982 niet in mijn geheugen als het gaat om de cd-speler. Het geheugen doet wat het wil. Ik heb een heel goed geheugen, sommige details staan mij bij alsof ik ze zojuist heb meegemaakt. Soms laat mijn geheugen mij helemaal in de steek. Ik weet nog dat Moniek op de dag van de Kever een tuinbroek aan had, en rode sokken. Een roze lint had ze in haar haar. Geel T-shirt. Er stond een sporttas in de gang en Moniek kwam met twee Komozakken de trap af. Ze ging op de trap zitten en trok halfhoge laarsjes aan, waardoor haar sokken niet meer te zien waren.

            ‘Ik ga weg,’ zei ze.

            ‘O?’ vroeg ik. ‘Waar ga je naartoe?’

            ‘Naar Amsterdam, met Marcel.’

            ‘Wie is Marcel?’

            ‘Mijn vriend. Hij heeft een Kever. En ik kom niet meer terug.’

            Ik voelde mijn ogen prikken. Ik had wel willen huilen, ik deed het niet. Iedereen liet me in de steek. Mijn moeder was altijd aan het werk in de tv-studio’s, mijn vader woonde in Tilburg en nu liet mijn grote stiefzus me ook al in de steek. Ik was erg gesteld geraakt op Moniek. Misschien was ik wel een beetje verliefd op haar geworden, ik was hoe dan ook graag bij haar in de buurt. Ze beschermde me, ondanks dat ze me ook pestte.

            ‘Ga jij je maar aan je piemel trekken,’ had ze eens bits tegen me gezegd toen ik blijkbaar iets te lang naar haar keek. Ze stond voor de spiegel haar haar te vlechten. Althans, dat probeerde ze, want eigenlijk waren haar krullen er te kort voor. ‘Ik zou wel zo’n rattenstaartje willen hebben, zoals Annette er ook een heeft.’ Annette was haar punky-achtige vriendin. Niet echt punk natuurlijk, we woonden tenslotte in Hilversum. Annette had kort haar met zo’n lelijke sliert in haar nek. En ze droeg altijd kisten, echte legerkisten. ‘Nou, vooruit!’ riep Moniek boos, ‘aan je piemel trekken.’

            ‘Eh, hier?’

            ‘Nee natuurlijk, vies jong. Gewoon op je kamer. Hop hop. Naar je kamer jij en aan je piemel trekken. Dat doen alle jongens. Je hoeft niet zo op me te lopen geilen.’

            Beteuterd ging ik naar mijn kamer. Mijn hart bonsde in mijn keel. Wat moest ik nou weer doen? Ik besloot muziek op te zetten, maar ik wist niet wat. Dus liet ik mijn pick-up onaangeroerd. Ik hoorde dat Moniek van de trap af liep, van dat geluid kreeg ik een stijve. Okee, wat had dat nu weer te betekenen? Kreeg ik een stijve omdat mijn stiefzus van me wegging? Of kreeg ik een stijve omdat ik geluid hoorde dat door mijn stiefzus gemaakt was? Ik keek naar mijn broek, er was niets te zien. Ik ging ook naar beneden, want op mijn kamer blijven was ook weer zowat. Moniek liep meteen door naar de schuur en pakte haar fiets.

            ‘Moniek,’ riep ik.

            Ze keek om en zwaaide. Uit niets bleek dat ze boos was, of zo. Ze lachte naar me en ze zwaaide. Achter me hoorde ik Sjak rochelen en hoesten.

            ‘Het is me een meid, die zus van je,’ zei hij en hij trok aan zijn sjekkie. Daarna draaide hij zich om en ging naar de wc.

            ‘Wie is Marcel?’ vroeg ik nogmaals.

            ‘Mijn vriend, dat zei ik je net.’

            ‘Ik ken hem helemaal niet.’

            ‘Dat hoeft ook niet. En ik denk ook niet dat je hem leert kennen.’

            Vanuit de keuken kwam een slungelachtige jongen met zwart rechtopstaand haar, zwart leren jack en strakke spijkerbroek. Kisten – natuurlijk. Buttons op de revers van zijn leren jack. Buttons tegen dit en tegen dat. Die jongen moest Marcel zijn, hij zei niets. Ik ook niet, maar hij was ouder, dus hij moest het goede voorbeeld geven. Ergens wist ik dat je je netjes voor moest stellen als je iemand tegenkwam. Het lukte niet om dat ook daadwerkelijk te doen. Marcel rook naar leren jack, naar een vers leren jack. Het jack zag er niet oud uit, Marcel had zijn best gedaan om er een stoer jack van te maken, met die buttons. Een echt stoer jack was een oud leren jack. Echt ruige jongens hadden leren jacks met slijtageplekken erop.

            ‘Ik kom dus niet meer terug,’ zei Moniek.

            ‘Ja, ik had het gehoord,’ zei ik. Ik was overgeleverd aan Sjak, ik wilde ook naar leren jack ruiken. Als ik naar leren jack zou ruiken, dan zou Moniek bij mij blijven. Nu was ze bij Marcel. Marcel… wat een homonaam. Net als Maurice. Als je zo heet, dan ben je een homo. En homo’s hebben aids. Wat moest Marcel nou met Moniek?

            ‘Marcel woont in Amsterdam,’ zei Moniek. ‘Ik nu dus ook.’

            ‘Wat vindt Sjak daarvan?’

            ‘Die heeft daar niks van te vinden, want ik ga gewoon. Marcel is gitarist in een band.’

            ‘Welke band?’

            ‘The Continental Six.’

            ‘The Continental Six…’ herhaalde ik. Dat klonk als The New Four, hoewel ik dat niet durfde te zeggen. Er moest dus ook een band bestaan met ‘five’ erin, The Five Fingers of zo. Dat leek me wel een goede naam voor een band: The Five Fingers. Dan moest er nog wel een zanger bij, Billy Stinger… Billy Stinger and The Five Fingers.

            ‘We zijn een punkband,’ zei Marcel, ‘We hebben binnenkort een optreden in café De Koe.’

            ‘In Amsterdam,’ vulde Moniek aan. ‘Café De Koe in Amsterdam.’

            ‘We kunnen misschien ook wel optreden in Vrankrijk,’ zei Marcel, ‘het grootste krakersbolwerk van Amsterdam. Dat zou wel ruig zijn.’

            Moniek keek bewonderend naar Marcel, hij was haar held. Het was een wereld waar ik niets van wist. Amsterdam was ver weg, in ieder geval mentaal. Ik snoof de geur van het leren jack nogmaals op. Liever had ik de geur van Moniek opgesnoven, maar zij rook neutraal. Ruikt een oud leren jack ook nog steeds naar leren jack? Of gaat die reuk er op een gegeven moment uit?

            ‘Kom, we gaan,’ zei Marcel.

            ‘Ja,’ zei Moniek, ‘doei.’             ‘Doei.’

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.