Hoofdstuk 14. Hart en nieren

De volgende avond, toen hij ons terugbracht naar Hilversum, kon mijn vader niet meer ophouden over het grote feest van Doe Maar. ‘Iedereen was verliefd op Doe Maar gisteren,’ zei hij. ‘Iedereen. Wat een goed liedje is dat toch zeg. Helemaal te gek.’ Hierop begon hij te zingen: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’

            ‘Pa,’ zei ik vanaf de achterbank, ‘zou je wat stiller kun zijn? Ik ben nog steeds misselijk.’ Hij hoorde me niet, of hij deed alsof hij me niet hoorde. Moniek zat stilletjes op de bijrijdersstoel. Ze reageerde nergens op. Nu achteraf, 38 jaar later, weet ik wat er gebeurd moet zijn. Ongeveer dan. Ze is gedrogeerd geweest met hasj en alcohol, en die twee mannen hebben haar misbruikt in de stacaravan met de matrassen. Dat was de vrije liefde he? Als je niet meedeed was je een suffe kut. Het waren de uitwassen van de jaren zeventig, iedereen moest het met iedereen doen. Dat was ook waar het liedje van Doe Maar over ging: ‘Ik zou het willen doen.’ De dubbele bodem ontging niemand, mij ook niet – ondanks dat ik op twaalfjarige leeftijd zo groen als gras was. De seksuele standaard was laag en masculien. De man bepaalde en de vrouw had het te ondergaan. De vrouw moest sexy zijn en als een soort Penny de Jager-dans-en-show-ballet om de man heen fladderen. Wanneer de man genoeg opgegeild was, dan stak hij ’m d’r in. Dat waren de sleutelfeestjes, de communes en de hippe discotheken. Mijn ouders waren er vol ingedoken, net als de ouders van Moniek. Ook kinderen werden geacht mee te doen met de seksuele revolutie, pedofilie was goed, want je kon niet te jong zijn voor liefde. Ik had geluk dat ik in een nogal heteroseksuele omgeving terecht was gekomen, voor zover ik weet heeft er niemand met zijn poten aan mij gezeten. Moniek had minder geluk, als meisje van veertien was zij een gewilde prooi voor hitsige mannen. In een cultuur van seks, drank en drugs moest zij wel het slachtoffer worden. Het was 1980, aids bestond nog niet. Niet veel later bestond aids wel, maar het was een homoziekte. Niets aan de hand, de feesten in de seksboerderijen gingen gewoon door. Niemand gebruikte condooms, alle vrouwen slikten de pil. Alle vrouwen waren voorhanden, alle vrouwen waren gewillig. Als een vrouw ‘Nee’ zei, dan bedoelde ze ‘Ja’ – pas later bleek dat ‘Nee’ ook gewoon ‘Nee’ kan betekenen. In de lange jaren zeventig was dat niet het geval. De lange jaren zeventig begonnen eind jaren zestig en stopten begin jaren tachtig. Toen werd duidelijk dat aids niet alleen voor en door homo’s was, maar dat het aidsvirus ook in heteroseksueel sperma kon zitten. In een klap was het klaar met de vrije liefde. Mannen moesten condooms omdoen en vrouwen mochten ‘Nee’ zeggen, ik herinner mij zelfs een reclamecampagne over dat onderwerp. Niet dat alle problemen meteen de wereld uit waren, maar het compleet seksuele was ervan af. In de jaren tachtig waren er geen sleutelfeestjes meer. Ineens waren de mensen bang dat je aids kon krijgen van een tongzoen en een muggenbeet. Lichaamssappen waren eng, overal zat aids.

            Op vrijdag zaten we vol spanning voor de buis, mijn moeder, Moniek en ik. Sjak was bezig aan de eettafel met het politieke programma van de CPN in Noord-Holland. Hij zat zich behoorlijk druk te maken, hij ramde hard op de toetsen van de typemachine. Over twee jaar waren er verkiezingen van de Provinciale Staten en het zag er niet naar uit dat hij op een verkiesbare plaats terecht zou komen. Regeren is vooruitzien, was het motto van Sjak, althans, hij beweerde dat het zijn motto was. De belangrijkste leden van de CPN in Noord-Holland woonden in Amsterdam, daar kon hij als relatief nieuwe Noord-Hollander niet tegenop, over twee jaar zou hij nog steeds een relatief nieuwe Noord-Hollander zijn. Waarschijnlijk zou hij altijd wel een relatief nieuwe Noord-Hollander blijven.

            ‘Was ik maar in Brabant blijven wonen,’ hoorden we hem zeggen, terwijl de openingstune van Op volle toeren klonk. In die provincie woonden niet zo veel communisten, dus daar was hij natuurlijk wel op een verkiesbare plaats terechtgekomen. In Noord-Holland was hij kansloos.

            ‘Kom je er ook bij, schat?’ vroeg mijn moeder.

            ‘Nee, ik moet nog sleutelen aan de tekst van het vijfde partijpunt. Dat moet echt gestaalder opgezet worden.’

            ‘Wanneer Doe Maar in beeld komt, dan kom je wel even kijken he?’

            ‘Misschien wel ja.’

            Chiel Montagne kwam in beeld en hij kletste het programma aan elkaar. De ene na de andere galbak passeerde de revue: Jan Boezeroen, Corry Konings, Rita Corita… Wat een vreselijke muziek!

            ‘Sinds wanneer moeten wij dit te gek vinden?’ riep Sjak vanachter zijn typemachine. ‘Het is toch niet om aan te horen?’

            ‘Ja ja,’ zei mijn moeder, ‘straks komt er een nieuwe band die Doe Maar heet en de jongens zijn het afgelopen weekend…’

            ‘…bij de repetitie geweest,’ viel Sjak mijn moeder in de rede. ‘Ik weet het, ik weet het.’

Henk Wijngaard, Benny Neyman, Vader Abraham. Er leek geen einde aan te komen. Ria Valk, de Havenzangers, Nico Haak. Volgens Chiel Montagne was het allemaal geweldig en waren dit grootse sterren. En toen was daar eindelijk de aankondiging van Doe Maar!

            ‘Sjak!’ riep mijn moeder, ‘kom kijken.’

            Sjak kwam achter de bank staan en Doe Maar begon: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’

            Het was niet live, terwijl ze daar zo op geoefend hadden. Dat was naïef, want Op volle toeren was altijd playback. Waarom was er in de hoofden van Doe Maar opgekomen dat ze echt zouden spelen? De mond van Ernst bewoog best goed met de zang, maar zijn vingers leken iets heel anders te spelen op het toetsenbord. Een ongeoefend oog kon zien dat het niet klopte. Wat een afgang. En halverwege was het liedje ineens klaar. Ze hadden anderhalve minuut hun liedje mogen playbacken van de TROS. Sjak haalde zijn schouders op en ging weer naar zijn typemachine. Het leek erop dat Doe Maar op deze manier nooit de hitlijsten zou kunnen halen, zelfs niet die van de Nederlandstalige top-10. Doe Maar was niet de nieuwe New Four. Na Doe Maar kondigde Chiel Montagne een nieuw liedje aan: ‘Troela oh troela’ van Highway. Highway had alles in zich om wel de nieuwe New Four te worden.

            ‘Nou is het klaar!’ zei Sjak, terwijl hij naar de tv liep. ‘Ik kan me niet concentreren met deze herrie.’ Klik – de tv was uit.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.