Hoofdstuk 13. Hart en ziel

Mijn vader was met de drank in de weer, hij had geen oog voor mij. Rondom Doe Maar zaten een stuk of twintig mensen te blowen en te drinken. Het ene na het andere flesje bier ging erdoorheen, Kroon Bier. En mijn vader maar lopen. En Doe Maar maar spelen, steeds weer ‘Ik zou het willen doen’. Ik werd er niet goed van. Bij het naar buiten lopen, kwam ik Trudy tegen.

            ‘Wat een prachtig liedje, he?’ vroeg ze.

            Ik knikte, want ik durfde niet te zeggen dat ik het helemaal niks vond. Buiten was het inmiddels kouder geworden. Waar sliep ik eigenlijk? Had ik hier een eigen kamer? Ik ging weer terug naar binnen. Trudy hing inmiddels bij de bassist om zijn nek, die duidelijk niks van haar moest hebben. Mijn vader haalde haar weg uit de band en gaf haar een flesje bier, iemand anders gaf haar een stikkie. Twee mannen stonden met Moniek te praten. Ze stonden heel dicht tegen haar aan. Ik pakte een flesje bier uit het krat op tafel. Een van de twee mannen die met Moniek stond te praten kwam naar me toe en opende het flesje voor me.

            ‘Je zou zeggen dat je er jong voor bent, maar jong geleerd is oud gedaan,’ zei hij. ‘Oefening baart kunst.’ Daarna ging hij weer terug naar Moniek.

            Ik dronk van het bier. Het was bitter en vies. Toch dronk ik door. Dat hoorde hier blijkbaar. Moniek dronk ook bier. Ik liep naar haar toe.

            ‘Moniek?’ vroeg ik, ‘waar slapen we?’

            Nog voor ze kon antwoorden, zei een van die twee mannen: ‘Bij mij in de caravan. Daar liggen allemaal matrassen op de vloer. Ga liggen waar je wilt. Waar je ligt, is je bed.’

            ‘Welke caravan is dat?’

            ‘Die ene met die matrassen erin.’

            Doe Maar speelde nogmaals ‘Ik zou het willen doen’ en Trudy had een blinddoek om. Ze draaide rondjes tussen drie mannen. Mijn vader bracht weer flesjes bier rond. Er kwam een vrouw binnen met een heel grote hoed op, een soort sombrero. Ze werd met gejuich ontvangen. Een van de twee mannen had zijn hand op de kont van Moniek gelegd. De vrouw met de sombrero kwam naar ons.

            ‘Aaaaa,’ riep ze, ‘jij bent Bas! Ik ben Patricia. Je lijkt sprekend op je vader.’ Ze pakte me bij mijn hoofd en ze begon mee te zingen met Doe Maar: ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen.’ Ze duwde mijn hoofd tussen haar borsten. ‘Zo, je drinkt al bier. Je bent een grote jongen, denk ik zo. Net als je vader. Dat is ook zo’n grote jongen. Wat een te gekke fuif is het hier in de boerderij. In mijn caravannetje was het zo stil. Cees! Cees!’ Ze zwaaide naar mijn vader. Mijn vader zwaaide terug met beide armen. Patricia was de koningin van het feest. Mijn vader kwam haar een flesje bier brengen. Ik ontsnapte uit haar borsten.

            ‘Geef die stoere zoon van je ook nog een flesje, Cees,’ riep Patricia. Moniek was weg, net als die twee mannen. ‘Te gek he? Dat Doe Maar bij Op volle toeren op kan treden. Dat moeten we vieren hoor. Proost.’ Ze sloeg haar flesje tegen het mijne aan. ‘Doe Maar heeft de toekomst. Het wordt een heel grote band. En wij zijn hier bij de geboorte ervan. Ik voorspel een grote toekomst. Alle meiden worden verliefd op Ernst.’

            ‘Ernst?’ vroeg ik. Ik snapte het niet. Verliefd worden op ernst. Dat was een abstract denken dat me te ver ging, misschien moest ik beter opletten op school. Of was het een typisch Tilburgse uitdrukking? Dat het je serieus is. Ik ben verliefd op ernst, ik ben er zeker van. Maar die meiden dan? De meiden zijn verliefd op ernst.

            ‘De zanger!’ riep Patricia. ‘Die mooie donkere jongen die zingt en piano speelt. Dat is Ernst.’

            Ik moet enorm verbaasd naar Patricia hebben gestaard, want ze keek me aan met grote ogen en ze riep uit: ‘Dat is zijn naam. Ernst. Ernst is een naam, zo heet hij.’

            Ernst, ik had nog nooit van die naam gehoord.

            ‘Zullen we meeklappen met het liedje?’ vroeg Patricia. ‘Bij Op volle toeren moet het publiek ook altijd meeklappen.’ Ze voegde de daad bij het woord en ze begon net na de tel mee te klappen. Ze bewoog haar voeten alsof het een dans was. Haar lange jurk draaide mee en niet veel later voerde ze een soort Kate Bush-dans uit – maar dan uit de maat. Ze leek wel helemaal in trance, zo met haar armen in de lucht, haar heupen draaiend en haar jurk wapperend. De sombrero viel van haar hoofd, maar dat merkte ze niet. Ik kreeg nog een flesje bier van mijn vader.

            Ik miste Moniek. Ik was erg aan haar gehecht geraakt en aangezien ze twee jaar ouder was dan ik, vond ik haar een soort rots in de branding. Moniek maakte je niks wijs. Moniek zou niet verliefd worden op Ernst, dat wist ik zeker. Ik hoopte dat ze veilig in een caravan was en dat ze niet door de donkere bossen zou zwerven. Moniek zou zich wel redden, Moniek redt zich altijd. Nou ik nog.

            Patricia lag op de grond te kronkelen. Haar Kate Bush-dans kon ook liggend uitgevoerd worden. Als je dan toch uit de maat danst, dan kun je dat net zo goed op de grond doen. Mijn vader had haar sombrero opgezet. Ook hij liep nu met zijn beide armen zwaaiend door de kamer, in iedere hand een flesje bier. ‘Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen. Ik zou het willen doen,’ lalde hij mee met de band. Ik had inmiddels schoon genoeg van het liedje. Speelden ze echt niets anders? Desnoods ‘Meisje, ik ben een zeeman’ van The New Four. Gewoon voor de verandering, kon mij het wat schelen. Het werd zwart voor mijn ogen. Het was kwart voor vier, zag ik op mijn horloge met lichtgevende wijzerplaat. Ik was uren van de wereld geweest en nu lag ik ergens. Het was donker, door het raam scheen een beetje licht van een lantaarn. Ik lag in een caravan… op een matras. Naast mij lagen andere mensen.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.