Hoofdstuk 11. Hamer en sikkel

Vroeger was bijna niets beter. Ja, vroeger gingen de mensen eerder dood, dat was beter. Verder hebben we het nu gewoon beter dan vroeger. Dubbel glas bijvoorbeeld, wat een uitvinding is dat! Of de blender. Hoe maakten ze smoothies in de achttiende eeuw? En de mobiele telefoon natuurlijk. Hoe kon men ooit zonder? Het ding is zo snel zo gewoon geworden, dat we ons eigenlijk niet meer voor kunnen stellen hoe de wereld zonder mobiele telefoon eruitzag – maar dat is een observatie die iedereen kan maken. Een cliché.

            Zoals gebruikelijk werden Moniek en ik door Sjak afgezet bij de MDKLNKRT. Hij stopte zijn Dyane voor de deur, wij kregen amper tijd om uit te stappen en hij reed meteen weer terug naar Hilversum. Nou ja, hij reed meteen weg, of hij in een ruk doorreed naar Hilversum wisten we niet. Misschien stopte hij wel halverwege bij een of ander bordeel. Sjak was tenslotte een man van de open relaties.

            Dus ook die zaterdag werden we gedropt voor de deur van de MDKLNKRT en nog voor we aan konden bellen, was hij alweer weer weg. We belden aan en niemand deed open. We belden nogmaals. En nogmaals. Daarna bonsden we op de deur en het raam. We hoorden geschuifel in de gang, een wazig gezicht opende de deur.

            ‘Ja?’

            ‘We komen voor Trudy en Cees,’ zei Moniek.

            ‘Trudy en Cees?’ vroeg het wazige hoofd, dat waarschijnlijk helemaal vol zat met macrobiotische hasj.

            ‘Ja, Trudy en Cees. We komen hier iedere twee weken.’

            ‘Ik woon hier pas een week. Kom binnen. Willen jullie ook een hijs?’

            Moniek en ik keken elkaar aan, wat was er nu weer aan de hand? Het vage hoofd bood ons zijn joint aan. We liepen naar binnen, naar de kamer van Trudy en Cees.

            ‘Heeee,’ riep het vage hoofd, ‘waar gaan jullie heen?’

            ‘Naar de kamer van Trudy en Cees,’ antwoordde Moniek.

            ‘Daar woon ik, meid.’

            ‘Nee! Dat kan niet,’ zei Moniek.

            ‘Jawel, sinds een week. Relaxt hoor.’

            Intussen was er een andere bewoner de hal ingekomen, het was Twan.

            ‘Hè? Wat doen jullie hier?’ vroeg Twan.

            ‘Gewoon, op bezoek bij Trudy en Cees.’

            ‘Die wonen hier niet meer,’ riep Twan verbaasd uit. ‘Die zijn vorige week verhuisd.’

            Moniek begon te huilen. Ik ook.

            ‘Hier, neem een hijs,’ zei het vage hoofd.

            Moniek nam het stikkie aan en nam een voorzichtige hijs. Ze hoestte daarna zowat de longen uit haar lijf.

            ‘Arme kinderen,’ zei Twan.

            ‘Waar is mijn moeder dan naar toe?’ hoestte Moniek en ze frutte aan haar truitje waardoor haar buik een beetje zichtbaar werd.

            ‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ antwoordde Twan. ‘De stad uit. Naar het platteland of zo.’

            Nu barstten Moniek en ik echt in huilen uit.

            ‘Ik wil naar mijn mama!’ schreeuwde Moniek alsof ze vijf was. Ik werd overvallen door een peilloos verdriet, want als Moniek het niet meer aankon, mijn grote zus, wat moest ik dan nog? Ik kon alleen maar huilen.

            Twan leidde ons naar de gemeenschappelijke ruimte. ‘Hier, ga in de zitkuil zitten,’ zei Twan, ‘dan probeer ik uit te zoeken hoe het zit.’

            ‘En neem nog een hijs,’ zei het vage hoofd.

            We gingen zitten en probeerden wat van het stikkie te roken. Het was vies en raar, maar het kalmeerde wel. De paarse en oranje ribfluwelen kussens in de zitkuil zaten lekker. Hoe lang we daar gezeten hebben, weet ik niet. Ik draaide wat blaadjes van de plant met die lange sprieten om mijn vinger. Boven me hing een rode glazen pot met een plant erin, de pot ingepakt in een gehaakt hesje, met een kwastje eronder. Even later kwam Twan met Lenie de zitkuil in.

            ‘Ach kinders toch,’ riep Lenie. ‘Zijn jullie alleen gelaten? Zijn jullie Hans en Grietje? Maar wij eten jullie niet op, hoor. Wees niet bang.’

            ‘Waar is mijn moeder?’ huilde Moniek.

            ‘Je moeder en jouw vader,’ Lenie knikte naar mij, ‘zijn verhuisd naar het Tilburgse kunstenaarskollektief TiKuKo in Gilze en Rijen.’

            Gilze en Rijen, wat moest ik me daar nu weer bij voorstellen? Later leerde ik dat het de gemeente Gilze en Rijen was, bestaande uit de dorpen Gilze en Rijen. Het station heet Gilze-Rijen. Als je daar voorbij moet, schiet het al op: twee stations voor de prijs van een. Maar dat wist ik allemaal niet toen ik tien was. Gilze en Rijen klonk voor mij mijlenver weg, alsof daar inderdaad de boze heks woonde. En dat was natuurlijk ook zo. Trudy was een boze heks, een onverzadigbare mannenverslindende heks. Ondertussen waren er meer MDKLNKRT-bewoners naar de zitkuil opgekomen, de meesten in hun ondergoed (zoals Joke), sommigen helemaal naakt (zoals Sjors). Zoveel herrie op de vroege morgen waren ze niet gewend. Er werd gemompeld en er werden joints doorgegeven. Uiteindelijk was er het moment dat iemand op het idee kwam om Moniek en mij naar het TiKuKo-terrein te brengen. Twan kreeg de sleutels van het VW-busje van het vage hoofd.

            ‘Waar is het precies?’ vroeg Twan.

            ‘Je rijdt naar de Bredaseweg,’ zei Sjors met zijn piemel in zijn hand, ‘en dan… Ken je d’n Mastendol?’

            ‘Nee.’

            ‘Okee, goed. Bij d’n Mastendol ga je rechtsaf.’

            ‘Ik ken d’n Mastendol niet.’

            ‘Dat hoeft godverdomme ook niet.’

            ‘Waarom vraag je me dan of ik het ken?’

            ‘Rijd nou maar gewoon naar de Bredaseweg en als je dan camping d’n Mastendol ziet, dan ga je rechtsaf. En daar is het dan ergens.’

            ‘Kun je niet beter over Dongen rijden?’ vroeg Lenie.

            ‘Dat is misschien ook wel een goed idee,’ zei Sjors. ‘Als je dan dat weggetje neemt bij die stoplichten, dan rijd je zo naar die boerderij van de TiKuKo.’

            ‘Op de Tomos kun je beter tussendoor,’ zei Joke. ‘Pak je eerst de Bredaseweg en dan ga je op een gegeven moment naar rechts, dat zandpad weet je wel?’

            ‘We gaan niet met de Tomos, we kunnen de Volkswagenbus lenen.’

            ‘O ja, dat is anders. Als je wel de Tomos had gehad, dan gaat het allemaal een stuk sneller, want binnendoor snij je zo alle bochten af.’

            Ondertussen was ik helemaal misselijk geworden van de hasj.             ‘Die jongen moet even naar buiten,’ hoorde ik iemand zeggen. Mijn hand werd gepakt en ik werd mee naar buiten genomen. Daar kotste ik en kotste ik, recht voor de deur.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.