Hoofdstuk 10. Haat en nijd

Grote bruine strepen in de wc, want als Sjak ergens heer en meester was, dan was het op de wc. Ging hij er eenmaal zitten, dan kwam hij er ook niet meer vanaf. Bij wijze van spreken dan, want natuurlijk kwam hij ook wel eens van de wc. Hoewel dat altijd heel lang duurde. Gelukkig hadden we er twee, een beneden in de gang en een boven in de badkamer. Het maakte Sjak niet uit waar hij ging, maar meestal zat hij boven. Meestal zat hij er ’s middags. Dat moet ik hem nageven: als hij ’s ochtends zijn lange rit naar Darmstad zou maken, dan zou iedereen te laat op school komen. Dat was dus niet het geval. Ja, Sjak had ook zijn aardige kanten en dit was er eentje van. Een andere aardige kant was dat hij rookte op de wc. Sjak rookte de hele dag, dus ook daar. Het betekende dat ons hele huis stonk naar de rook, en het betekende dat het met de enorme dikke strontlucht wel meeviel. De bruine walm is teniet te doen door een lucifer af te steken – nou, dat zat bij Sjak dus wel goed. Hoewel ik me weleens afvroeg of het niet brandgevaarlijk was. Je hoorde wel eens berichten van koeienstallen die in de hens gevlogen zijn vanwege de methaangassen. Zou dat ook bij mensen kunnen? Ik stelde me zo voor dat Sjak de hele pot weer eens volgescheten had, tot aan de rand toe, en dat hij dan een lucifer aanstreek en dat er dan…. POEF! Een enorme explosie plaatsvond. Dat zal wel nooit gebeuren. Na een wc-bezoek van Sjak was het plateautje helemaal bruin. Gelukkig stond er altijd een plasje water op het plateautje, zodat het ergste bruin een beetje oploste en weggespoeld kon worden. Er bleef echter altijd genoeg achter. Wat er nog meer achterbleef: dingen op de wc-bril. Dingen waarvan je niet wist of het tabak was of schaamhaar. Of misschien zelfs wel snorhaar, maar als Sjak op de wc was geweest, dan lag er altijd wel iets op de bril. Wanneer je misselijk was en over moest geven, dan was dat nooit een probleem. Je ging naar de wc, bekeek de bril en de bruine sporen op het plateautje en alles kwam eruit. Zo, dat was dat. De pot vol kots en stront – ja, dat luchtte wel op. Gelukkig kwam dat niet zo vaak voor.

            Ooit, toen Sjak en Moniek nog maar pas bij ons in huis woonden, had ik er iets van gezegd. Ik weet niet meer wat. Er is zoveel wat ik niet meer weet, of ik weet er slechts een beetje van. Het geheugen is een raar ding, iedereen kent het fenomeen dat je hele gebeurtenissen kwijt bent – ook al doe je nog zo je best ze te herinneren. Wat ook bekend is, is dat herinneringen opkomen na een zintuigelijke ervaring. Een liedje op de radio laat je decennia terugvliegen in de tijd, of een geur brengt je terug naar je jeugd. Wat ook gebeuren kan, is dat de ene herinnering de andere oproept. Je begint met een bepaalde herinnering en voor je het weet zit je in een keten van herinneringen. Wat ik precies gezegd had, weet ik niet meer. Ik moet echter mijn ongenoegen geuit hebben, misschien toen ik uit school kwam? Ik zat nog op de lagere school, dat weet ik wel. Het zou best eens ten tijde van de Cito-toets geweest kunnen zijn. Ik was een goede leerling, en toch was ik zenuwachtig voor de Cito-toets. Ik wilde graag hoog scoren, om naar het gymnasium te kunnen. Dus legde ik mezelf een hoge druk op. Eenmaal thuis trof ik Sjak aan op de wc in de badkamer – met de deur open. Hij zat pontificaal op de plee, zoals een koning op zijn troon. Het woord ‘pontificaal’ had ik toen vast niet gebruikt. Hij zat te roken en een tijdschrift te lezen, een kleurentijdschrift, dus niet de CPN Ledenkrant. Ik stond er al een tijdje en ik moet iets gezegd hebben, want ik herinner me dat hij boos opkeek en zei dat ik mijn brutale mond moest houden.

            ‘Hou je brutale mond en gooi de deur dicht!’

            Ik bleef echter onbeweeglijk staan. Vond ik de deurklink te vies om aan te pakken? Dat kon het niet geweest zijn, maar ik stond als aan de grond genageld. Sjak zat daar in een bruinblauwe walm van rook en stront, machteloos en oppermachtig. In een eeuwigdurend kort moment, net zo lang als het duurde om met het potlood naar het antwoordpapier te gaan om een bolletje van een multiple-choice-vraag grijs te kleuren. Ja, het was de tijd van de Cito-toets, anders zou ik nooit op het idee gekomen zijn dat er met een potlood bolletjes grijs gekleurd moesten worden. Ik verlangde naar mijn moeder, maar die was er niet. Mijn moeder was zelfs twee dagen van huis, want ze was mee met Vara’s Popkaravaan. Naar Apeldoorn, daar trad The Cure op in het openluchttheater. Toen ze hoorde dat The Cure weer op kwam treden had ze hemel en aarde bewogen om er naar toe te kunnen, ze was naar het kantoor gegaan van de Vara om daar zoveel mogelijk mensen te spreken. Ze heeft er zelfs met presentator Willem van Beusekom gesproken. Welke argumenten ze in de strijd had geworpen, is mij niet bekend, misschien had ze hem complimenten over zijn snor gemaakt, of misschien had ze iets intiems in zijn oor gefluisterd, maar ze kreeg het voor elkaar. Ze kon mee om broodjes te smeren voor de hele crew en voor de band! Het wederzien tussen Robert Smith en mijn moeder was hartelijk. Speciaal voor Smith had ze voor worst gezorgd, en dat werd door hem zeer gewaardeerd. Ze had van hem een gesigneerd exemplaar van de lp Boys don’t cry gekregen. Mijn moeder kwam helemaal hoteldebotel thuis. Ze gedroeg zich als een gillend meisje, zoals een paar jaar later de meisjes bij een optreden van Doe Maar gilden. Nou ja, zo erg was het eigenlijk ook weer niet. Ze legde de lp meteen op de draaitafel, maar ze vond de muziek nog steeds niks. Wel was ze blij dat ‘Killing an Arab’ erop stond, aan de andere kant bestond zo’n beetje de helft van de lp uit liedjes die ook al op de vorige lp stonden. Ik vond het wel gave muziek eigenlijk.

            ‘Gooi de deur dicht, godverdomme.’

            Langzaam pakte ik de klink en deed de deur dicht. Ik bekeek mijn hand, er zat geen stront aan. En toch was alles vies. Alles was bruin, alles stonk.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.