Hoofdstuk 28. Man en muis

Het gedicht eindigde met iets als ‘…en tien vaten bier!’ Er klonk een luid gejuich en applaus. Waar het gedicht over ging, weet ik niet meer. Wel weet ik dat het niet lang duurde en best grappig was. Een gedicht over bier doet het altijd goed in een café, in ieder geval beter dan een gedicht over een man die op zijn bruiloft wordt doodgestoken door de bruid. Hoewel, als dit met het taartmes gebeurt, dan is het ook wel weer grappig genoeg om voor te dragen in een vrolijke omgeving. De bruid maakte het uit en sneed het taartmes door zijn huid. Het mes kwam in zijn hart en toen werd alles zwart. Ik kan maar beter geen gedichten schrijven. Het schrijven van deze mémoires vind ik al lastig zat en dan hoef ik slechts op te schrijven wat er daadwerkelijk is gebeurd. Ik hoef niet eens mijn fantasie te gebruiken om dingen te verzinnen. Ik lees graag en best veel ook, fictie en non-fictie. Boeken helpen mij om de wereld om mij heen te duiden, door boeken te lezen krijg ik grip op de wereld en leer ik hoe andere mensen denken en wat andere mensen voelen. Dat valt niet mee, zelf voel ik meestal niets. Daarom kan ik ook geen gedichten schrijven, of een roman. Ik kan mij wel dingen herinneren, daarmee moet ik het doen. Daarmee schrijf ik nu dit boek. Mijn herinneringen zijn waar, en wanneer ik iets niet zeker weet, of wanneer ik iets vergeten ben, dan ben ik daar eerlijk in. Ik heb nooit een dagboek bijgehouden, of een uitgebreide agenda. Ik kan niet teruggrijpen op wat ik eerder geschreven heb. Behalve een boodschappenlijstje heb ik nog nooit iets geschreven, maar ik moet zeggen dat het mij nu niet moeilijk af gaat. Dat komt door de eerlijkheid. Ik heb beloofd om eerlijk alles op te schrijven, het hele verhaal, het volledige verhaal. De waarheid en niets dan de waarheid – zoals ze zeggen in Amerikaanse rechtbankfilms. Ik hoef niets te verzinnen, ik hoef slechts op te schrijven zoals het gebeurd is. Het is tijd voor de volgende episode. Ik was van plan om de moord op Carlos te verklaren aan de hand van mijn slechte jeugd. Het zit ingewikkelder in elkaar. Door de desinteresse en tegenwerking van mijn ouders en stiefvader was ik niet meer de beloftevolle gymnasiast, niet iedere ex-gymnasiast pleegt op zijn twintigste een moord.

            Ik bestelde nog een Duvel. Martijn zette een flesje naast mijn glas. ‘Het is de gewoonte dat je hetzelfde glas houdt,’ zei hij nadat hij mijn verbaasde blik zag. ‘Tenzij je echt graag wilt dat ik je glas omspoel. Dat doe ik dan… zo hoort het niet.’

            ‘Doe dan maar niet. Ik wil graag doen zoals het hoort.’ Ik schonk de Duvel in het glas, maar het leek alsof er slechts schuim uit het flesje kwam. Ik had een glas vol schuim.

            ‘Glas schuin houden en rustig schenken,’ zei Martijn. ‘Ik heb het je een keer voorgedaan, je hebt dus niet goed opgelet. De volgende keer moet je beter opletten. Laat dat een les voor je zijn. Heb geduld, het schuim trek heus wel weg. Dan kun je rustig het bier inschenken.’ Dat was inderdaad het geval. ‘Zie je? Ik heb altijd gelijk. Die dichter van zojuist, dat is Jasper Mikkers. Hij is de beste dichter van Tilburg.’

            ‘Is het moeilijk om de beste dichter van Tilburg te zijn?’

            ‘Nee, helemaal niet. Hij is ook min of meer de enige dichter in Tilburg.’

            ‘Dan ben je al snel de beste.’

            ‘Dan ben je al héél snel de beste! Er zijn behoorlijk wat muzikanten in Tilburg, Tilburg is een echte muziekstad. Om de beste muzikant van Tilburg te worden, moet je heel goed zijn. Dichters hebben we niet zo veel. Weet je, de dichtbundels van Jasper worden uitgegeven in Amsterdam en toch blijft hij in Tilburg wonen.’

            ‘Uit bescheidenheid?’ vroeg ik.

            ‘Uit pure ijdelheid,’ antwoordde Martijn. ‘Jasper is een ijdele man. Als hij naar Amsterdam verhuist, dan is hij daar een van de vele dichters. Amsterdam zit vol schrijvers en dichters, dus wat voeg je eraan toe door naar Amsterdam te verhuizen? Helemaal niets.’ Martijn stopte met praten om zijn werk te doen. Jasper Mikkers werd na zijn gedicht door diverse mensen op bier getrakteerd en ook de dunne wat oudere mevrouw aan het tafeltje onder de klok kreeg van verschillende mensen een glas wijn. Ze had nu vijf glazen witte wijn voor haar neus staan. De twee studentes – waarschijnlijk van de kunstacademie of zo, want ze zagen er kunstzinnig uit met hun opgestoken haren en paarse lippenstift – bestelden rode wijn. De grote man met de baard en het kleine mannetje namen ieder een glas van het bruine bier. De grote man liet zijn bestelling bijschrijven op het bonnetje, het kleine mannetje rekende meteen af.

            ‘Alle mensen in de Weemoed zijn ijdel. Uit ijdelheid krijgt Jasper bier voor zijn gedicht, want door Jasper te trakteren straalt iets van het briljante gedicht af op degene die trakteert. Ieder gedicht van Jasper Mikkers is een topgedicht, dat is het uitgangspunt. Daarom blijft hij in Tilburg wonen, zodat hij hier de koning der dichters is. In Amsterdam is hij niet meer dan een letterknecht. In Amsterdam krijgt hij geen vijf rondjes als hij in een café op het Spui een gedicht voorleest. Hier in Tilburg wel. Je kunt beter een koning zijn in Tilburg, dan een knecht in Amsterdam.’

            Ik heb die avond met iedereen in de Weemoed gesproken, maar ik weet niet meer met wie en waar het over ging. Ik werd zo zat als een Maleier, zonder heel veel gedronken te hebben. Ik meen dat ik zes Duvels af moest rekenen op het laatst. Zes Duvel. Dat is helemaal niet zo veel, dat kon de portemonnee van Wim met gemak aan. Ik had een nieuwe huiskamer gevonden en het was café Weemoed. De rest van de week bracht ik daar door, tot het weer tijd was om naar Amsterdam te gaan, naar Carlos. De wiet had ik ingeruild voor alcohol, en dat beviel me wel.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 28. Man en muis

Hoofdstuk 27. Links en rechts

Geen wiet meer voor mij. Gelukkig zijn softdrugs niet verslavend – zo zegt de officiële richtlijn. Anders zouden het wel harddrugs zijn geweest. Ja ja, het viel echter helemaal niet mee die week. Overigens ben ik nooit verslaafd geraakt aan de nicotine, ik heb jarenlang dagelijks geblowd, maar trek in een sigaret heb ik nooit gehad. Dit gaf mij moed om de wiet af te zweren. Op mijn bed in mijn kamertje, Madeliefstraat 4 te Tilburg, zakte die moed me echter direct in de schoenen. Wat moest ik? Ik had hier helemaal niets. Hoe kwam ik deze week nou weer door? Had ik nog geld? Jawel, dat ging wel. Ik heb zuinig geleefd en de portemonnee van Wim was nog niet leeg. Ik bietste wat brood van Gerda en langzaam kauwend bracht ik de middag door. Er zat niets anders op dan te wachten en naar de radio te luisteren. Aan het begin van de avond werd het me allemaal te veel, ik moest eruit.

            ‘Gerda,’ zei ik, ‘ik wil er eens uit. Waar moet ik naartoe?’

            ‘Voor jonge knullen als jij is er één plaats waar je moet zijn, en dat is de Korte Heuvel.’

            ‘De Korte Heuvel, wat is daar te doen?’

            ‘Daar zitten de kroegen waar de jongelui zich verzamelen. Ik ben er al een tijd niet meer geweest, zoals je ziet. Want ik ben niet meer zo jong.’ Gerda stak een sigaret op, een Belinda. ‘Als je de straat uit gaat, linksaf de Enschotsestraat in, doorlopen, onder het spoor door, naar de Heuvel en dan op de Heuvel links. Dat is de Korte Heuvel.’

            Inderdaad was de Korte Heuvel een straatje met kroegen en restaurants, Gerda was een prima VVV. Ik liep wat cafés voorbij en bleef staan bij een klein cafeetje. Weemoed. Die naam trok mij wel aan en die naam bleek ook aantrekkelijk te zijn voor andere mensen, want er zaten meer mensen aan tafeltjes en aan de bar. Aan de bar bestelde ik een bier.

            ‘Wat voor bier?’ vroeg de barman.

            ‘Wat voor bier heb je zoal?’ was mijn wedervraag en ik werd een beetje bang dat ik in een soort komische sketch van André van Duin terecht was gekomen.

            ‘Van alles.’

            ‘Daar schiet ik niets mee op. Wat past er bij mij?’

            De barman keek mij bestuderend aan, zijn blik ging over mij heen als de streep licht in een kopieerapparaat. ‘Duvel,’ zei hij toen. ‘Jij bent wel iemand die Duvel drinkt.’

            ‘Doe mij dan een Duvel.’

            ‘Jij hebt nog nooit eerder Duvel gedronken, denk ik.’

            ‘Nee, ik zou niet weten wat het is. Ik ben nieuw hier.’

            ‘Waar kom je vandaan?’

            ‘Uit Hilversum, maar ik heb me voorgenomen een echte Tilburger te worden.’

            ‘Dan ben je hier in de Weemoed aan het juiste adres. Ik heet Martijn en ik doe je één keer voor hoe je Duvel schenkt.’ Hij pakte een grote kelk en een flesje bier. De kelk scheef, het bier er langzaam in, de schuimkraag steeg, en toen, ja, toen was het klaar. Zo moeilijk zag het er niet uit. ‘Zo doe je dat. Hoe heet je? Dan maak ik een bonnetje voor je.’

            ‘Bas.’

            In tegenstelling tot wat de naam deed vermoeden, werkte de Duvel rustgevend. Het was geen hels bier waar je opgefokt van werd, waarvan je in vuur en vlam kwam te staan. Een lome rust kwam er over me heen en alles werd stiller… Maar dat kwam niet door het bier, het werd echt stiller. ‘Sssst, sssst,’ maanden de gasten elkaar aan om tot stilte te komen. Martijn riep van achter de bar dat er een nieuw gedicht was geschreven en dat het tijd was om ernaar te luisteren. Dit had ik nog nooit meegemaakt. In een Hilversums café zou dit meteen tot een grote vechtpartij leiden. Wat denken ze wel? Dat je stil moet zijn om naar een gedicht te luisteren? Dat bepaal ik zelf wel. Hier was dat blijkbaar anders. Mijn glas was leeg, maar ik begreep dat dit niet het juiste moment was om een nieuwe te bestellen. Hopelijk was het niet een heel lang gedicht waar we naar moesten luisteren, hopelijk hadden we niet te maken met de Tilburgse Homerus die opsomde hoeveel schepen er vanuit welke steden ten oorlog trokken. Afwachten weer. Als ik een echte Tilburger wilde worden, dan moest ik doen wat de Tilburgers doen. Ik had al een beetje kennis gemaakt met het plaatselijke dialect, want Gerda sprak niet echt ABN. Ze deed haar best om zich verstaanbaar te maken tegenover mij, maar aan de telefoon had ik haar onvervalst plat Tilburgs horen praten. Ik denk dat ze haar zus aan de lijn had, of zo. Maar het kon ook zijn dat ze ruzie aan het maken was met de groenteboer, omdat er drie spruiten te weinig in de zak die ze had gekocht. Geen idee waar ze het over had, totaal onverstaanbaar was het. De Tilburgers in café Weemoed spraken echter een redelijk verstaanbaar Nederlands, barman Martijn kon ik sowieso begrijpen. Met de andere gasten had ik nog niet gesproken, maar de flarden van de gesprekken die ik opgevangen had stemden mij hoopvol. Een belangrijk onderdeel van de Tilburgse taal is het volume, je moest vooral hard praten. Die grote forse kerel met zijn woeste baard was daar wel het schoolvoorbeeld van. Hoewel het met zo’n postuur voor hem nagenoeg onmogelijk was om zachtjes te praten. Ook het kleine iele mannetje naast hem sprak hard. Beide hadden een glas donker bier in de hand, ook een glas op een voet, maar dan weer anders dan mijn glas. Op mijn glas stond in gotische letters Duvel, wat er op hun glas gedrukt stond, kon ik niet lezen. Ik zou er echter snel achter komen dat het La Trappe was. Echte Tilburgers drinken dat bier, La Trappe werd gebrouwen in een klooster dat dichtbij Tilburg lag. Koopt Tilburgse waar, dan helpen wij elkaar. Dat wist ik toen nog allemaal niet, inmiddels (vele jaren later) zou ik je er alles over kunnen vertellen – maar ik heb wel wat beters te doen.

            ‘Komt er nog wat van?’ riep iemand die bij het raam stond. Er klonk gelach. ‘Voorlezen, godverdomme!’ riep de man.

            ‘Als je je niet gedragen kunt, dan ga je weg,’ riep Martijn van achter de bar. ‘Je staat toch al naast de deur.’

            Een man met krullen in het midden van het kleine cafeetje hief zijn arm, pakte een papier uit de binnenzak van zijn lichtgroene jasje en begon voor te lezen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 27. Links en rechts

Hoofdstuk 26. Leven en dood

Beneden hadden Carlos en ik een goed gesprek aan zijn tafeltje. Hij wenkte naar de bar en stak twee vingers op. Even later kwam het barmeisje twee koppen koffie brengen. ‘Jullie Nederlanders moeten ooit eens leren om koffie te drinken,’ zei Carlos. Hij vertelde dat hij oorspronkelijk uit Colombia kwam, maar dat hij op driejarige leeftijd geadopteerd was door zijn Nederlandse vader en moeder. ‘Dat blauwe oog, dat had ze verdiend,’ ging Carlos verder, terwijl hij naar de trap wees. ‘Ik heb haar gered uit de shit. Maar ze moet wel naar me luisteren. Dus als er hier iemand komt die zijn geld kwijt wil, dan moet zij meewerken. Mensen geven hun geld niet zomaar af, daar moet een dienst tegenover staan. Zonder dienst, geen geld. Zo werkt in de dienstverlenende sector.’ Het was helder waar de prioriteiten van Carlos lagen: bij het geld, het geld en het geld. Hij gaf geen zier om Moniek, althans, niet om haar persoonlijk. Hij gaf om haar omdat ze een geldmachine was, een bron van inkomsten.

            Moniek was een van de laatsten die aan de heroïne was gegaan. Heroïne was al een tijdje geen populaire drug meer, het was een drug voor losers geworden. Hoe Moniek eraan was geraakt, was Carlos onbekend – dat had ze hem nooit verteld. Het zou kunnen zijn dat die Marcel er iets mee te maken had, vanwege David Bowie en Lou Reed was heroïne een populair middel in de muziek-scene. Marcel was weg en Moniek zat aan de heroïne. Door Carlos overigens ‘bruin’ genoemd. Hij had Moniek opgevangen en hij zorgde ervoor dat ze iedere dag haar bruin kon krijgen. ‘Als ze meewerkt. Als ze weer eens eigenwijs is, dan is er niets voor haar. We moeten allemaal werken voor ons geld.’ Zelf zat Carlos meer in het wit. ‘Daarom geef ik Moniek ook geregeld een snuif wit. Om haar op te peppen, bruin is een downer, als er service verleend moet worden, dan is het tijd voor een upper.’ Coke was immers helemaal het spul van het hier en nu. ‘Ik heb goede contacten in het wit, ik importeer rechtstreeks uit Colombia. De zaken gaan steeds beter, er is meer en meer behoefte aan wit. In het begin moest men er even aan wennen, maar inmiddels… It’s white Christmas all over the place. Wat zit ik jou eigenlijk allemaal aan je neus te hangen?’

            Mensen vertellen altijd alles tegen me. Ik hoef maar ergens binnen te komen en ze beginnen tegen me te praten. Blijkbaar straal ik uit dat ik te vertrouwen ben. Ik liet Carlos de zak met wiet zien. ‘Kun je hier iets mee?’

            Hij nam de zak aan, woog hem op zijn hand en kneep er eens in. ‘Is het wat?’

            ‘Het is uitmuntende afghaan,’ zei ik. ‘Topkwaliteit. Knetterstoned word je ervan.’

            ‘Wiet is niet helemaal mijn handel, maar ik kan het allicht proberen.’

            ‘Wit is jouw handel, maar je weet ook bruin te scoren. Ik neem aan dat je hier ook wel iets mee kunt.’

            ‘Ik kan je nu nog niks geven, want ik weet niet wat deze stuf op zal brengen.’

            ‘Geef me in ieder geval mijn vijftig gulden terug.’

            ‘Eens gegeven blijft gegeven.’

            ‘Geef me die vijftig gulden terug.’

            ‘Dat is mijn geld niet. Niet meer. Het is voor Moniek. Wees blij dat je het zo aan haar geeft, dat ze de dienst niet hoefde te verlenen. Hé, dat mag ook… Je mag alsnog naar boven om te doen wat je niet laten kunt. Je mag het er ook zo bij laten. Ik zal zorgen dat ze weer een portie bruin krijgt. Ik zorg voor haar, ze komt niets tekort hier.’

            ‘En nu?’

            ‘Nu niks. Of wil je een envelopje wit?’

            ‘Nee.’ Ik wilde niet van het ene verdovende middel naar het andere. Hoewel ik coke gaaf vond, vooral het geld dat je ermee kon maken. Miami Vice liet zien dat je met de cokehandel in een Ferrari kon rijden en pakken van Armani kon dragen. Dat wilde ik ook wel. Ik wist dondersgoed dat je het dan niet in je eigen neus moest stoppen. Het was zaak andere neuzen te vullen. Een caféeigenaar moest ook niet aan zijn eigen tap gaan hangen. De cafés waarvan de eigenaar vooral een goede klant van zichzelf was, liepen meestal uit op een faillissement. Van de dope moest ik afblijven. De zak wiet was ik nu kwijt, met een beetje geluk zou hij nog wat opbrengen ook. Met een beetje pech werd ik bedonderd door Carlos en kreeg ik niks. Eén ding was zeker: ik kon er niet meer van roken, ik was die wiet kwijt.

‘We zien elkaar volgende week. Okee?’

‘Okee, Carlos,’ zei ik. ‘We zien elkaar volgende week. Zelfde plaats, zelfde tijd.’

‘Zelfde plaats, zelfde tijd.’ Carlos stond op en gaf me een hand. Carlos had er een vijand bij. In de trein naar Tilburg voelde ik een rust over me heenkomen. Het radiootje liet ik in mijn zak, het landschap in de schemering had mijn interesse. Ik ging vanuit het licht naar de duisternis, vanuit de Nederlandse city that never sleeps naar het grauwe en grijze Tilburg. Daar woonde ik pas kort, maar ik het voelde als thuis. Een diep bord witte bonen in tomatensaus, eigenhandig door Gerda opgewarmd in een aluminium steelpannetje, dat was Tilburg. Zo was het kleine arbeidershuisje aan de Madeliefstraat 4, met naast de voordeur een gebakken Maria-afbeelding: O.L. Vrouw van altijddurende bijstand, bescherm ons gezin. Op korte tijd was ik gehecht geraakt aan mijn nieuwe woonplaats, hoewel ik er geen vrienden had. Maar het belang van vrienden is altijd al overschat geweest. Uiteindelijk sta je op jezelf en sta je voor jezelf. Je moet het altijd zelf zien te rooien, een ander doet het niet voor je. In het beste geval zijn mensen aardig voor je. Iedereen is aardig, iedereen is aardig op zijn eigen manier. Gerda is aardig met haar bord witte bonen in tomatensaus, Carlos is aardig met zijn dienstverlenende sector en zijn zorg voor Moniek. Hartstikke aardig allemaal. Geert was natuurlijk ook aardig, waarom ook niet? Robert Smith van The Cure was een aardige vent. En Sjak, Sjak was ook aardig. Of zo. Nee, voor Sjak kon ik geen positieve gevoelens opbrengen. Sjak was niet eens aardig. Carlos had tenminste nog een kop koffie cadeau gedaan. Dat was aardig van die klootzak. We reden station Tilburg binnen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 26. Leven en dood

Hoofdstuk 25. Lang en gelukkig

Om mijn zenuwen in bedwang te houden had ik een radiootje meegenomen in de trein, met een koptelefoon – ’s ochtends gekocht bij de Kijkshop. Ik luisterde naar de Steen en Been Show en dat was eigenlijk nog wel leuk ook. Ik hoopte dat ik een helder hoofd zou hebben, maar dat viel toch tegen. Ik was zenuwachtig en ik werd nog nerveuzer door het idee dat ik wel een grote zak wiet bij me had, maar dat ik besloten had om geen joint te draaien. Als ik stoned was, was ik niet zenuwachtig. Op zich een goede reden om juist iets lekkers te draaien – maar ik wilde helder blijven. Ik wilde geen Geert worden, ik moest Moniek zien te vinden. Het landschap trok aan me voorbij en het deed me niets. Ik was afgestompt, ik was moe, ik was uitgeput, ik was op. Door het getreiter van Sjak, door de afwezigheid van mijn vader, door het werk van mijn moeder. Mijn moeder die geobsedeerd was door de bekende Nederlanders die een broodje kaas in haar kantine kochten. ‘Haar’ kantine, want ze was daar gewoon een werkneemster. Wie weet wat die bekende Nederlanders allemaal nog meer met haar mochten doen, laatst was Ramses Shaffy er nog. Nou, dan weet je het wel. Ze was geobsedeerd door Robert Smith, die haar ieder jaar nog een paar kaarten stuurde. Het leven in de tv-studio, dat was pas leven. Thuis had ze niets, thuis zat Sjak met zijn eeuwige wikkels waar de adressen van de CPN Ledenkrant op getikt moesten worden. Thuis zat Sjak rokend en drinkend de klassenstrijd te voeren. Ik snapte wel dat mijn moeder probeerde te ontsnappen aan de verkeerde keuzes die ze gemaakt had in haar leven. Maar ik was er ook, ik was ook zo’n verkeerde keuze. Een middagje Normaal in je kantine, dat is niet normaal, dat is bijzonder, dat is leuk, dat is spannend. Zelfs Benny Neyman is spannend, al zou hij natuurlijk nooit een hand onder je rokje steken, laat staan dat hij je stiekem van achteren zou nemen terwijl je in de erwtensoep staat te roeren. En ja, als de onlangs overleden Willem Ruis er was, dan was het pas echt feest. Willem Ruis had altijd een hele entourage van assistenten, danseressen, stylisten, boodschappenjongens, technici en wat al dies meer zij. De meesten van hen waren zo homo als wat, maar de hetero’s die rondom Willem Ruis hingen sprongen bovenop alles wat tieten had. Dan werd er flink in de soep geroerd.

            Ik moest een beetje in slaap gedommeld zijn, want ineens waren we in Amsterdam. Netjes op tijd. Ik stapte flink door naar Vrankrijk, een beetje gehaast. Dat was nergens voor nodig, want ik was netjes op tijd. Het waren de zenuwen, door de zenuwen kon ik niet rustig lopen. Tegenover Vrankrijk ging ik op de stoep zitten. De minuten gingen traag voorbij en nee, ik ging geen joint draaien. Ik zou het niet doen. Afspraak is afspraak. Afblijven dus. Uiteindelijk werd het tijd, ik liep naar de voordeur en klopte. Het luikje ging open en de bivakmuts verscheen.

            ‘Je hebt geluk,’ zei hij. ‘Ze leeft nog. Ze is er niet best aan toe.’

            ‘Heb je haar gezien?’ vroeg ik.

            ‘Dat gaat je niks aan. Ik vertel je wat ik weet, ik vertel je niet hoe ik het weet. Okee?’

            ‘Okee.’ Er zat niets anders op dan dit akkoord te accepteren.

            ‘Ga naar de Zeedijk, naar Dancing Bonaparte en vraag naar Carlos.’

            ‘Zeedijk, Bonaparte, Carlos.’

            ‘Juist.’

            ‘Wie is Carlos?’ vroeg ik, maar de bivakmuts had het luikje alweer dichtgeslagen. Zeedijk, Bonaparte, Carlos.

            Op de Zeedijk liep niemand normaal, iedereen leek er wel paranoïde. Iedereen had iets te koop of was op zoek naar iets te koop. Ik ook. Ik liep er waarschijnlijk ook niet normaal. Een man met een Michael Jackson-kapsel schoot mij aan: ‘Goed spul, weet je.’

            ‘Nee dank je. Ik ben zo niet.’

            ‘Even goede vrienden maat!’

            Elke’s Pub, The Twizt, Acapulco, Otis Club, Caravelle, Bar ’t Catshuis, The Old Dutch, Buffalo, Dancing Bonaparte. Daar moest ik zijn. Het zag er gesloten uit, maar toen ik tegen de voordeur duwde, ging hij open. Ik stapte de halfduistere dancing binnen. Aan de bar zaten wat mannen te roken, een meisje stond achter de bar.

            ‘Ik ben op zoek naar Carlos,’ zei ik.

            ‘Loop door naar achteren, daar zit hij aan een tafeltje,’ zei het meisje.

            ‘Hij zit zijn geld te tellen,’ zei een van de mannen. De mannen lachten.

            ‘Dank je.’ Ik liep verder naar achteren en inderdaad zat er een man aan een tafeltje geld te tellen. ‘Bent u Carlos?’

            ‘Wie ben jij?’

            ‘Ik ben Bas, de broer van Moniek.’

            ‘Moniek heeft geen broer.’

            ‘De stiefbroer van Moniek.’

            ‘En wat moet je van Moniek?’

            ‘Haar spreken. Dat is alles.’

            ‘Moet je nog geld van haar?’

            ‘Nee. Ik wil haar spreken.’

            ‘Haar spreken? Ze pijpt je voor 50 gulden. Vooraf afrekenen, hier bij mij.’

            ‘Ik wil met haar praten, ze is mijn stiefzus.’

            ‘Al was ze je moeder. Vooraf afrekenen.’

            Er zat weinig anders op. Ik had nog geld uit de portemonnee van Wim. Hoe zou het met hem zijn? Hij leefde vast nog. Ik betaalde Carlos 50 gulden.

            ‘Hier de trap op, eerste deur rechts.’

            De trap bevond zich achter een gordijn. In het trapgat was het donker, half op de tast ging ik naar boven waar een beetje daglicht door kleine raampje scheen. Ik klopte op de deur rechts en ging naar binnen. Daar zat Moniek op een matras. Ze was half ontkleed en ze had een blauw oog. Op de houten vloer zaten lijmresten van de vloerbedekking die er ooit gelegen had en er lagen drie dweilen.

            ‘Bas?’ vroeg ze.

            ‘Ja, ik ben het.’

            ‘Kom je me halen?’

            ‘Dat weet ik niet.’ Ineens wist ik niet meer wat ik kwam doen. Waarom wilde ik Moniek spreken? Wat deed ik hier? Wat was mijn plan? Ik had geen plan. Ik had niets, behalve een zak wiet. ‘Hoe kom je aan dat blauwe oog?’

            ‘Tja, Carlos…’

            ‘Carlos. En Marcel?’

            ‘Marcel… nee. Wie?’

            ‘Met wie je naar Amsterdam bent gegaan. Die in een band speelde.’

            ‘Nee, dat werd niks. Toen kwam Carlos. Hij heeft me gered.’

            Er werd geklopt en Carlos kwam binnen.

            ‘Carlos,’ zei Moniek, ‘dit is mijn broer.’

            ‘Nu hoor je het eens van een ander,’ zei ik.

            ‘Gaat alles goed hier?’ vroeg Carlos aan Moniek. ‘Als hij gemeen tegen je is, dan moet je het zeggen he? Dan trap ik hem in elkaar.’

            ‘Het is mijn broer. Hij is niet gemeen. Hij doet geen vlieg kwaad. En nu moet ik even gaan liggen.’ Moniek ging liggen en trok een deken over zich heen. Carlos wenkte me. We lieten Moniek alleen.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 25. Lang en gelukkig

Hoofdstuk 24. Kwantiteit en kwaliteit

Die week heb ik mijn kop compleet suf geblowd. Ik heb die hele zak wiet van 150 gram in dampen op laten gaan. Nee, dat is niet waar. Ik overdrijf. Hoeveel ik er wel van opgemaakt heb? Geen idee, maar dat die zak niks waard is zonder de juiste contacten, was me wel duidelijk geworden. Wilde ik geld verdienen met de verkoop van wiet, dan had ik eerst klanten nodig. Eerst de klandizie, dan pas de wiet. Eerst het vertrouwen van Frank winnen, dan pas zakendoen. Zo maar op de bonnefooi ergens binnenlopen had geen zin. Bovendien moest ik de hele week wachten voor ik informatie over Moniek kon krijgen. Ik had geen fut om in die week iets anders te doen dan te wachten. Wachten, wachten, wachten, met 150 gram wiet op het bureau. Bij mij zorgde de wiet altijd voor prachtige gezichten en vergezichten, maar ook voor vertwijfeling. Want als ik twee dochters zou krijgen, zou ik hen dan Dolores en Laetitia noemen? Of Stella en Luna? Daar heb ik dagen over liggen piekeren, of misschien was het slechts een kwartier. Het gevoel voor tijd was ik behoorlijk kwijt. Wat ook steeds terugkwam, als in een koortsdroom, was mijn nieuwe adres. Alsof het steeds omgeroepen werd op een station: ‘Madeliefstraat 4… Madeliefstraat 4… Madeliefstraat 4…’ Beangstigend. De oplossing voor het vraagstuk of je beter doof of blind kunt zijn, heb ik die week opgelost. Je kunt namelijk beter doof zijn. Als je ’s nachts wordt geplaagd door een mug, dan wordt een dove daar niet wakker van. Hij slaapt lekker door en wordt dus niet geplaagd door die mug. Een blinde kan niks zien, hoewel hij alles hoort. Veel blinden hebben zelfs uitstekende oren! Een blinde hoort die mug wel en hij zal wakker worden door dat kutgezoem van dat klotebeest. Echter: hij kan niet op jacht naar die mug, want hij ziet niets. Je kunt een mug niet vangen als je hem niet ziet. Blindheid kost je dus ook nog eens je nachtrust. Ik viel weer in een diepe slaap.

            Er werd op de deur gebonsd en Geert kwam binnen. Het duurde even voor ik door had dat hij het was, ik kwam van ver. Dolores, Laetititia, Stella, Luna, doven, blinden, Madeliefstraat 4… het kostte tijd om die mist op te laten trekken. Langzaam maar zeker werd Geert duidelijker en duidelijker. Tot hij begon te praten: ‘Er zijn tekens: letters en afbeeldingen. We moeten wezenlijke onderscheidingen maken die alle verdere analyses onder controle houden.’ Lachend hief hij zijn handen omhoog. Zijn scheve tanden maakten zijn grimas aandoenlijk. Hij stond daar als een Franse mimespeler die appels aan het plukken was.

            ‘Geert,’ zei ik, ‘wat kom je doen?’

‘De samenhang hangt volkomen af van een onderscheiding die van meet af aan wordt voorgelegd, het woord “teken” vertoont een “dubbele betekenis”.’ Zijn opgeheven handen waren de aanhalingstekens geworden. Geert sprak dubbel: hij sprak en tijdens het spreken sprak hij ‘bij wijze van spreken’. Dan zeg je het niet echt, niet letterlijk, dan spreek je figuurlijk. Het letterlijke is figuurlijk geworden. Jezus! Ik begon te denken als Geert! Ik begon ook te denken in tekens en betekenis. De wereld om mij heen zag ik door een mist van betekenisloosheid, door een walm van wiet. Ik moest hiermee stoppen of ik zou doordraaien en eindigen zoals Geert.

Geert zelf ging onverstoorbaar verder, hij had mijn gedachten niet kunnen lezen. Hij had mijn gezichtsuitdrukkingen niet op de juiste waarde weten te schatten – vooropgesteld dat ik gezichtsuitdrukkingen had. De kans was groot dat mijn gezicht een en al verbazing en verdwazing was, dat ik een vaag wiethoofd had gekregen. ‘Het teken “teken” kan een “expressie” of “indicatie” betekenen.’ Wat Geert zei, verstond ik. En ik begreep het ook! Hij zei: ‘Stop hiermee.’ Nou ja, eigenlijk zei hij: ‘Vooraleer deze zuivere onderscheiding tussen beide betekenissen van het woord “teken” te introduceren, of eerder, alvorens haar te erkennen en op te nemen in wat een eenvoudige beschrijving wil heten, voeren we een soort fenomenologische reductie in de dop uit.’ Er liep een ondertiteling mee die ik kon lezen: Bas, stop hiermee. Zo krijg je Moniek niet terug. Zo eindig je in een caravan. Zo… zo… zo… De ondertiteling haperde. ‘Elk geconstitueerd weten stellen we buiten spel en dringen we ongeacht de metafysische, psychologische of natuurwetenschappelijke oorsprong van de veronderstellingen aan op noodzakelijke onbevooroordeeldheid.’

‘Geert!’ riep ik. Ik ritste mijn slaapzak open, want al die tijd was ik in mijn slaapzak blijven liggen, en ik stond op. ‘Geert!’ riep ik nogmaals.

Geert zweeg.

‘Wat kom je doen? Geert! Wat kom je doen?’

Hij wreef over zijn been. Het geluid van zijn leren broek klonk zacht. Er hing ineens een doodse stilte, alsof we in een foto stonden. We waren niet echt, we waren tekens geworden in een expressie. Geert en ik waren onverstaanbaar. We zouden voor altijd langs elkaar heen praten, in een onverstaanbare taal die besmettelijk was. De wietwolken droegen deze taal over als een slechte lucht. De ramen moesten open. De ramen van mijn hoofd. De zak wiet lag op het bureau, maar de ramen moesten open. Een nieuw adres en een nieuw begin. Mijn eigen klassenstrijd zou ik moeten voeren, ik tegen mezelf. Die wiet moest weg.

Geert ging op zijn knieën zitten en boog met zijn hoofd naar de grond. Wat was dat nu weer voor teken? Was ik zijn nieuwe god die hij aanbidden moest? Ik keek naar mijn handen, of er al stigmata te zien waren. Dat was niet het geval. Geert stak zijn arm onder mijn bed en haalde er een boek vandaan, een geel boek. Van blijdschap sprong hij op en knuffelde het boek. Daarna wreef hij het stof eraf.

‘Derrida,’ zei hij en liet mij het boek zien. ‘La voix et le phénomène. Eerste druk.’ Hij draaide zich om en ging weg, bijna huppelend ging hij de trap af en de voordeur uit.  Ik ging ook naar beneden en klopte op de deur van de woonkamer.

‘Ja?’ zei Gerda.

Ik opende de deur en ging de woonkamer binnen. ‘Mevrouw Gerda,’ zei ik, ‘welke dag is het?’

‘Het is maandag. Is alles goed met je?’

‘Ik was ziek, denk ik.’

‘Och jongen toch. Ik dacht al zoiets.’

‘Het was een moeilijke tijd. Veel meegemaakt en zo. Ik moest helemaal tot rust komen.’

‘Je liep soms als een halve dooie door het huis, naar de wc en zo. Je hebt bijna niets gegeten. Er ligt bijna niks op je plankje in de koelkast. Je bent veels te mager.’

‘Ik heb honger,’ zei ik. ‘Dan zal ik eens wat voor je maken. Ga maar aan tafel zitten.’ Gerda verdween in de keuken en kwam niet veel later terug met brood en een diep bord vol witte bonen in tomatensaus. Het is al maandag, dacht ik. Ik moet morgen dus weer naar Amsterdam.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 24. Kwantiteit en kwaliteit

Hoofdstuk 23. Kommer en kwel

De trein naar Amsterdam zat vol met forensen en het rook er naar gewassen haren en deodorant. De ochtendstond heeft goud in de mond, dacht ik. Nooit gedacht dat ik dat nog eens zou denken. Ik was niet echt een ochtendmens, voor vandaag had ik extra vroeg de wekker gezet. Ik had een paar gram wiet in een zakje bij me en het losse geld uit de portemonnee van Wim. De portemonnee zelf had ik in een vuilnisbak gegooid, het geld was handig, de overige dingen had ik erin laten zitten. Wat had ik aan een bankpas? Wat had ik aan een kassabon van de C1000? Niets had ik daaraan. Geld, daar had ik wat aan. Ik moest geld zien te maken. Die 150 gram wiet moest mijn bedrijfskapitaal zijn, of hoe noem je zoiets? Een treinkaartje had ik niet gekocht. Eerst naar Den Bosch, dan de intercity naar Amsterdam. De kans op controle was klein. En wat dan nog? Ik kende de weg een beetje in Amsterdam, Hilversum lag er niet ver vandaan. Hoewel het er ver genoeg vanaf lag om er de deuren niet plat te lopen. De weg naar het Leidseplein kende ik en dat was voor dit moment genoeg.

            In The Bulldog aan het Leidseplein was het nog geen spits, gelukkig was hij al wel open. De heerlijk zoete geur van hasj en wiet was al op het terras te ruiken. Als ze daar toch eens een after shave van konden maken… heerlijk. Het water liep me in de mond en ik kreeg heel erg veel trek in een goede joint. Maar nee, ik had me voorgenomen om nuchter te blijven. Er zat een groepje mannen te blowen aan een tafeltje en twee scholieren stonden aan de bar. Dat was het wel zo’n beetje… Achter een plant zat een meisje te lezen, kopje koffie op haar tafeltje, stikkie half in de asbak. Ik vroeg naar de bedrijfsleider. Die was er niet. De vervanger van de bedrijfsleider dan?

            ‘Eh, ja. Frank misschien?’

            Ik haalde mijn schouders op. ‘Als Frank de vervanger van de bedrijfsleider is, dan wil ik graag Frank spreken.’

            ‘Frank!’ riep de jongen naar de ruimte achter de bar. Een man met een kanariegroen pak kwam tevoorschijn, hij haalde een . ‘Frank, deze… eh… deze meneer wil je spreken.’

            De man stak zijn hand uit. ‘Frank.’

            ‘Bas.’

            ‘Wat kunnen we voor je betekenen?’

            ‘Ik heb een aardige partij wiet.’

            ‘Dat is leuk voor je. Wij verkopen wiet. Dus als je het zelf hebt, wat kom je dan hier doen?’

            ‘Ik dacht dat jullie het misschien van me zouden kunnen kopen.’

            ‘Nee, daar beginnen we niet aan.’

            ‘O, maar eh… hoe… eh…’

            ‘We kopen niet van jongens die aan komen waaien. Je zegt dat je een aardige partij wiet hebt. Dat is leuk voor je. Je bent dus geen klant van ons en daarom wil ik je vragen The Bulldog te verlaten.’

            ‘Doet u mij dan maar een koffie.’

            ‘Ik verzoek je The Bulldog te verlaten.’

            ‘In een coffeeshop kan ik toch wel koffie drinken?’

            ‘Ik verzoek je The Bulldog te verlaten.’

            De sfeer werd er niet prettiger op. Frank was niet een gespierde man, hij was eerder pezig. Met hem wilde ik geen ruzie krijgen. Ik besloot te vertrekken. ‘Prettig met je kennis gemaakt te hebben, Frank,’ zei ik.

            ‘Ik verzoek je The Bulldog te verlaten.’

            ‘Ja ja. Ik ga al.’

            Dat deel van het plan was mislukt. Ik had gehoopt dat ik goede zaken zou doen en weer terug zou moeten naar Tilburg om de rest van de wiet op te halen. Dat ging dus niet door en ik had tijd genoeg om in Amsterdam mijn reserveplan uit te voeren. Ik ging dus op zoek naar Moniek. Geen idee waar ze zat. Waarschijnlijk wisten de vrienden van Vrankrijk meer. Op naar de Spuistraat dus, waar het koninklijk paleis van de krakers gelegen was. Het was een klein wandelingetje en niet veel later stond ik voor de bijzonder dichte deur van het monumentale pand. Ik bonsde op de deur. Een luikje ging open en er verscheen een hoofd met een bivakmuts op.

‘Wat?’ vroeg de bivakmuts.

‘Ik zoek mijn zus Moniek.’

‘En dus?’

‘Ze is in Amsterdam en jullie krakers kennen de stad van binnen en van buiten. Als er iemand weet waar ze is, dan zijn jullie het wel.’

‘Bedankt voor het vertrouwen, maar wat koop ik daarvoor?’

‘Niets. Luister. Moniek is zo’n twee jaar geleden van Hilversum naar Amsterdam gegaan. Met ene Marcel. Marcel is gitarist bij een band die The Continental Six heet. Ze hebben opgetreden in De Koe en misschien ook wel hier in Vrankrijk.’

‘Ah,’ antwoordde de bivakmuts. ‘Goed verhaal. Ik laat je niet binnen, want ik weet niet wie je bent en wat je komt doen. Misschien heb je een kutsmoes om hier binnen te komen om weet ik veel wat te doen.’

‘Ik kan je slechts vertellen wat ik te vertellen heb. Meer niet. Ik zoek mijn zus Moniek, bruine krullen.’

‘Iedere Moniek heeft bruine krullen,’ onderbrak de bivakmuts me. ‘Twee op de drie wijven heet bovendien Moniek.’

‘Maar niet iedere Moniek is met een Marcel die in The Continental Six speelt.’

‘Dat is waar. Daar heb je helemaal gelijk in. Het is echter geen argument om je binnen te laten.’

‘Wat nu?’ De moed was mij in de schoenen gezakt. Het eerste en belangrijkste doel van mijn reis was al mislukt, nu zou ook plan B mislukken.

‘Nu niks. Niks.’ Blijkbaar stond ik er nogal beteuterd bij, want ineens veranderde de norse stem van toon. ‘Nu niks, maar ik kan wel iets anders voor je doen. Kom volgende week terug. Op dit tijdstip.’

‘En dan?’

‘Dan weet ik of meer, of nog steeds niks.’

‘Hoezo?’ Ik begreep niet welke kant de bivakmuts op wilde.

‘Ik ga voor je zoeken. Ik geef je weinig kans, want The Continental Six zijn nou niet echt doorgebroken in onze scene. Althans, ik ken ze niet.’

‘Dat zegt niets, Amsterdam is groot.’

‘Zeker. Daarom ga ik het voor je navragen. Ik zoek het uit.’

‘Met wie heb ik eigenlijk gesproken?’ ‘Dat gaat je niks aan, volgende week ben ik hier ook. Precies op dit moment.’ Hij sloot het luikje met een klap.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 23. Kommer en kwel

Hoofdstuk 22. Komen en gaan

‘Je kunt hier niet blijven,’ zei mijn vader. ‘Niet te lang in ieder geval. Een paar dagen. Dat kan wel. Tot we iets anders voor je geregeld hebben.’

            ‘En wat is dat ‘iets anders’ dan?’ vroeg ik.

            ‘Iets in Tilburg, denk ik. Dat lijkt me wel het beste voor je. Hier heb je niets. Hier zijn bomen.’ Mijn vader zat op een kratje bier voor zijn caravan. ‘Wij zijn een kunstenaarskollektief, dus wij kunnen niets voor je betekenen hier. Voor ons ligt hier de inspiratie, maar voor een jonge kerel als jij is hier niets. Jij moet met andere jongelui gezellig de stad in naar een dancing of zo.’

            ‘Waar moet ik dan wonen?’

            ‘Och, er lopen hier genoeg mensen rond met goede contacten in Tilburg. Geert bijvoorbeeld, die man met zijn leren broek. Geert weet overal tussen te komen, hij heeft overal contacten. Wacht even.’ Mijn vader liep naar de caravan aan de andere kant van de boerderij. ‘Geert!’ riep hij en hij klopte op de deur. De man met de leren broek deed open. Ik kon niet horen wat ze tegen elkaar zeiden, maar Geert sprak wel de woorden ‘indicatie’ en ‘expressie’ hardop uit. Hij lachte en riep: ‘Het is eerder een “functioneel” dan een “substantieel” onderscheid.’ Bij de woorden ‘functioneel’ en ‘substantieel’ maakte hij het ‘tussenaanhalingstekensgebaar’. Mijn vader liep lachend terug naar mij.

            ‘Het is geregeld,’ zei hij.

            ‘Wat is er geregeld?’

            ‘Dat je een kamer krijgt in Tilburg.’

            ‘O? Gaat dat zo snel?’

            ‘Bij Geert wel. Geert is een snelle jongen. Hij weet dingen. Hij woont nog niet zo lang hier en hij weet dat zijn kamer nog niet bezet is. De maand is immers nog niet voorbij. Geert heeft die kamer tot het eind van de maand.’ Mijn vader ging weer op zijn krat zitten en trok er een pilsje uit. ‘Jij ook een?’

            Het leek er niet op dat ik een keuze had. ‘Okee,’ zei ik. Het leek er ook niet op dat ik een keuze had voor die kamer. Dit werd voor mij besloten, ik moest me er maar in voegen. Had ik een andere kamer gewild? Waarschijnlijk wel, maar op dat moment had ik geen wil. Ik besloot het over me heen te laten komen en Geert de zaken af te laten handelen. Ook al vond ik Geert een vreemde Pipo, met zijn leren broek. Hij praatte raar. Daar kwam hij aangewandeld, aangemarcheerd was het eerder. Kordaat zette hij zijn ene voet voor zijn andere, als een militaire pas. Hij kwam voor ons staan, wankelde wat, hief de wijsvinger van zijn rechterhand op en zei… niets. Mijn vader en ik keken hem vol verwachting aan. Er kwam niets. Geert keek omhoog, alsof hij in de kruinen van de bomen iets kon lezen, stak zijn rechterhand in zijn broekzak en hief de vinger van zijn linkerhand op. ‘Er zijn tekens: letters en afbeeldingen,’ zei hij. ‘We moeten wezenlijke onderscheidingen maken die alle verdere analyses onder controle houden. De samenhang hangt volkomen af van een onderscheiding die van meet af aan wordt voorgelegd.’ Mijn vader knikte bemoedigend. Ik was wel wat kletspraat gewend van Sjak – want die wist ook niet waar hij het over had – maar Geert? Geert sloeg werkelijk alles. Zelfs als mijn hersens weer eens sufgeblowd waren na een avondje in De Piramide, sprak ik helderder en mijn wietvrienden ook. Geert haalde zijn andere hand uit zijn broekzak en hield nu beide handen met gespreide vingers ten hoogte van zijn oren. ‘Het woord “teken” vertoont een “dubbele betekenis”. Het teken “teken” kan een “expressie” of “indicatie” betekenen.’

Mijn vader opende een flesje bier en gaf het aan Geert. Een dankjewel kon er niet vanaf: ‘Vooraleer deze zuivere onderscheiding tussen beide betekenissen van het woord “teken” te introduceren, of eerder, alvorens haar te erkennen en op te nemen in wat een eenvoudige beschrijving wil heten, voeren we een soort fenomenologische reductie in de dop uit: elk geconstitueerd weten stellen we buiten spel en dringen we…’ Geert nam een paar flinke slokken van zijn bier, ‘ongeacht de metafysische, psychologische of natuurwetenschappelijke oorsprong van de veronderstellingen aan op noodzakelijke onbevooroordeeldheid.’ Geert draaide zich om en liep weer weg.

‘Hij heeft filosofie gestudeerd,’ zei mijn vader en hij bewoog zijn mondhoeken naar beneden terwijl hij vol eerbied knikte. We keken Geert na. Hij marcheerde niet meer zo zelfverzekerd. Hij struikelde bijna over een boomwortel, draaide zich om naar ons en riep: ‘Het uitgangspunt in het factum van de taal is geen veronderstelling, mits men de contingentie van het voorbeeld niet uit het oog verliest.’

Ik begreep waarom hij die kamer niet meer had. Het was uiteraard niet zijn eigen beslissing geweest, de huisbaas had die mafketel op straat gegooid en nu kon hij zich naar hartenlust misdragen in het bos. Sterker nog, hij werd er gewaardeerd, want hij had filosofie gestudeerd.

‘Geert geeft verdieping aan onze kunst,’ zei mijn vader. ‘Onbewust en onderbewust schilder ik mijn doeken, Geert geeft er betekenis aan. Het zijn niet zomaar strepen die ik maak, het zijn tekens. Het gaat over het hier en nu. Dat is wat ik doe. Trudy ook, die torso’s van haar hebben betekenis. Maar die betekenis verschuift. De waarheid bestaat niet, iedereen heeft recht op zijn eigen waarheid. Iedereen die een kunst ondergaat, ondergaat het op zijn eigen manier. Daar heeft een ander niets over te zeggen. Als we ervan uitgaan dat een kunstwerk een teken is, een teken dat de kunstenaar geeft aan de wereld. De toeschouwer ziet het teken en leest het op zijn eigen manier.’

‘Neem nog een biertje, pa,’ zei ik.

‘Ja, goed idee.’

‘Hoe zit dat met die kamer?’

‘Dat zit goed. In het centrum van Tilburg, vlakbij het station. In een arbeidersbuurt.’

Dat vond ik dan weer jammer, ik had het niet op arbeiders. Mijn eventuele liefde voor arbeiders had Sjak er de afgelopen jaren zorgvuldig met zijn communistische luizenkam uit weten te kammen. Maar goed, ik moest ergens wonen.

‘Er staat een bed, een bureau en een stoel. Beddengoed krijg je wel van ons mee. Dat soort dingen hebben wij wel.’

De volgende ochtend werd ik naar mijn nieuwe adres gereden. Ik had een kamer in een klein arbeidershuisje. Kamertje. Met een bed, een bureau en een stoel – meer paste er ook niet in. Het beddengoed dat ik mee had gekregen was een oude slaapzak.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 22. Komen en gaan

Hoofdstuk 21. Hoop en vrees

De keukenweegschaal zei 150. ‘Wauw,’ mompelde ik, ‘150 gram wiet.’ In de portemonnee zaten vijf briefjes van honderd en nog wat klein geld. Wim had zich vooruit laten betalen, dacht ik. Dat is handig, eerst het geld ontvangen en dan pas de waar leveren. Of zou Wim het geld ergens anders van hebben? Zou hij het over hebben van zijn vorige levering? Als je het een beetje handig aanpakt, dan kun je de wiet natuurlijk doorverkopen. Er was in die tijd slechts één plek in Hilversum waar je kon scoren: De Piramide. Stel dat je er daar uitgeflikkerd was, waar moest je dan heen? Blowers zijn niet zo van die druktemakers, maar misschien heeft er toch eentje een barkruk naar Klaas gegooid. Dan kom je De Piramide niet meer in. Gelukkig is er Wim die jouw wiet haalt. Je betaalt Wim vooruit en hij haalt het voor je. Zou het zo gegaan zijn? Waarom niet? Of iets soortgelijks. Ik had niet het idee dat ik er ver vanaf zat. Dat moest ik nu ook maar doen: wiet verkopen. Ik had 150 gram. Daar kon ik zo’n 500 jointjes van draaien. Wat een hoeveelheid. Er was iets urgenters, ik moest weg uit Hilversum. Met een beetje geluk had Wim zijn nek niet gebroken – met een beetje geluk voor hem. En een beetje geluk voor mij, want als hij zijn nek gebroken had, dan kreeg ik de politie achter me aan. Ik zou verdachte nummer 1 zijn: die gozer die uit De Piramide kwam. Duidelijk verhaal, hopelijk ging het goed met Wim. Het betekende ook dat ik weg moest, want Wim zou me thuis op komen zoeken. Hij zou zich niet zomaar zo’n 150 gram af laten pakken en vijfhonderd gulden.

            Ik pakte een sporttas en een of twee Komozakken om mijn spullen in te stoppen. Onderbroeken moest ik hebben. Vooral onderbroeken, want met een vieze onderbroek ben je nergens welkom. Stel je voor dat je met een vieze onderbroek een verkeersongeluk kreeg en je op de Eerste Hulp terecht zou komen! Nee, mij kregen ze niet. Ik heb niet veel geleerd van mijn moeder, maar wel dat je onderbroek altijd schoon moest zijn. Ik had een hele stapel, het leek wel of mijn moeder altijd onderbroeken meenam als ze bij Vroom & Dreesmann was geweest. En verder pakte ik sokken, truien, broeken… pyjama. Tandenborstel. Daar moest ik het wel mee redden. Het paste allemaal in de sporttas, die Komozakken had ik niet nodig.

            Sjak hing te slapen in zijn stoel, allerlei papieren en lege bierflesjes om hem heen op de grond. Hij snurkte luidruchtig met zijn open mond. Ik had zin om hem met een stoel op zijn bek te rammen, hoewel ik daar niks mee op zou schieten.

            ‘Sjak!’ riep ik.

            Hij schoot wakker. ‘Wat?’

            ‘Ik heb je nodig.’

            ‘Wat?’

            ‘Ik heb je nodig.’ Hoe kreeg ik hem zo ver dat hij me in veiligheid bracht? ‘Ik word achternagezeten door kapitalisten.’

            ‘Wat?’

            ‘Door kapitalisten, Sjak. Ik heb het aan de stok gekregen met echte kapitalisten. In het Boombergpark.’

            ‘Wat? Wat deed je daar dan?’

            ‘Ik was in het Boombergpark en een paar van die kakkers begonnen me aan te spreken. Dat ik daar niet thuishoorde. Het was de klassenstrijd, Sjak.’

            ‘Ja, ja. Wat?’

            ‘Ik was de antithese voor hen, Sjak. Het is begonnen. Ze kwamen me achterna, maar ik kon ontsnappen. Ternauwernood. Ternauwernood kon ik ontsnappen op de rode fiets van Moniek. Ze wilden alles van me afpakken, ook mijn fiets. Ze hebben me achtervolgd tot hier in de straat en nu weten ze waar ik woon. Het was akelig. Ik moet in veiligheid gebracht worden om de communistische strijd ondergronds voort te zetten.’

            ‘Ja. Ja.’ Sjak stond op en wankelde wat. ‘Ik moet je in veiligheid brengen.’

            Godverdomme, Sjak was zo zat als een aap. Maar ik moest nu weg. Het zweet brak me uit. ‘Snel, Sjak, niet nadenken. Het is tijd om te handelen. Geen tijd voor dialectische theorieën, tijd voor de realistische aanpak.’

            ‘Waar moet je heen?’

            ‘Naar mijn vader, naar de bossen bij Tilburg. Daar is ruimte voor mij om onder te duiken. In dat oude boerderijtje zullen ze me niet vinden.’

            ‘Goed idee.’ Het leek erop dat hij een beetje ontnuchterde. ‘Een heel goed idee zelfs. Het beste idee dat je ooit hebt gehad.’ Hij besefte dat dit het moment was om mij uit huis te krijgen. Hij hoefde zich achteraf niet te verantwoorden bij mijn moeder, het was mijn beslissing. Dit was een heugelijke dag voor Sjak, alleen een plaats in de gemeenteraad zou nog heuglijker zijn – maar dat ging hij toch nooit voor elkaar krijgen. Ergens wist Sjak dat ook, dat hij te dom was voor het echte politieke werk. Hij was goed genoeg om adressen te tikken op de wikkels van de CPN Ledenkrant, meer ook niet. Hij wist dat, daarom terroriseerde hij zijn gezin. Nu stelde ik zelf voor het huis te verlaten… wat een overwinning was dat voor hem. Hij pakte zijn autosleutels. ‘Schiet op,’ zei hij. ‘Het kapitalisme gaat snel.’ Een beetje wankelend liep hij naar de auto, ik volgde hem met een volle tas. Het was zo’n fluorescerende tas. De jaren tachtig waren fluorescerend, met trainingspakken, joggingschoenen en sporttassen.

Niet veel later reden we de straat uit, op weg naar TiKuKo. Het was nog net niet zo dat Sjak zijn Dyane van de ene weghelft naar de andere slingerde, maar erg vast reed hij niet. Het zou zo maar kunnen dat dit mijn eind werd, met 150 gram wiet en 500 gulden op zak tegen een boom aan gereden door een dronkenlap. Dat werd anderhalf uur zweten. Ik hoopte bijna dat we aangehouden zouden worden, hoewel dat mijn vlucht zou vertragen. We zouden teruggebracht worden naar Hilversum. Wie weet stond Wim al bij ons op de deur te bonken. Plankgas en wiebelend reden we over de snelweg naar Tilburg, en van daaruit naar Gilze en Rijen. Pruttelend kwam de Dyane tot stilstand voor de boerderij. Het was er doodstil. Met de sporttas op mijn rug liep ik naar de deur. Blijkbaar had men ons gehoord, want voordat ik kon bellen of kloppen deed iemand de deur open. Hij had een leren broek aan en zijn bovenlijf was bloot. Met lodderige oogjes van de drank zei hij: ‘Zonder betekenis bestaat er wezenlijk geen teken, zonder betekende geen betekenaar. De indicatie en de expressie zijn functies of betekenende relaties, geen vaste termen. Een en hetzelfde fenomeen kan als expressie of indicatie of als discursief worden opgevat; hiervoor is de intentionele beleving die hem bezielt verantwoordelijk.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 21. Hoop en vrees

Hoofdstuk 20. Hoeken en kabeljauwen

Ik zat op mijn fiets en mijn handen bibberden. Ik ademde in door mijn neus, haalde mijn schouders op en ademde uit door mijn mond. Mijn handen bibberden nog steeds. Kut-yoga. Nogmaals. Adem in. Schouders ophalen. Adem uit. Het ging al beter. Maar het moet er een beetje raar uit hebben gezien. Bovendien stond ik stil op mijn fiets. Stilstand is achteruitgang. Mijn fiets was een rode meisjesfiets, eigenlijk te klein voor mij, maar ik had onlangs mijn fiets verkocht. Thuis had ik verteld dat hij gejat was. Het was de enige keer dat ik Sjak aan mij zij kreeg. Nou ja, en soort van aan mijn zij.

            ‘Godverdomme,’ had Sjak gezegd, ‘dat krijg je er nou van.’ Ik schrok, want ik dacht dat hij tegen mij uit zou varen. Dat bleek niet het geval. ‘Het kapitalisme ten top. Door de kapitalistische uitbuiterij ontstaat er armoede en wat gebeurt er dan? Dan gaan mensen pakken wat ze pakken kunnen. Het is een arme sloeber die jouw fiets gestolen heeft, daarvan ben ik overtuigd.’

            Zelf vond ik het meer een communistische aanpak, dat je produceert naar kunnen en consumeert naar behoefte. De arme sloeber had behoefte aan een fiets. Ik hield natuurlijk mijn mond, er bestond geen arme sloeber. Ik had mijn fiets verkocht voor een paar tientjes.

            ‘Onder druk van het grootkapitaal weten de mensen niet meer wat ze moeten doen. Die arme sloeber deed alleen maar zijn best! Godverdomme.’ Sjak nam een flinke hijs van zijn sjekkie. ‘En hij weet dat hij fout zit, iedere communist heeft een zuiver geweten. Maar je weet hoe het zit: eerst komt het vreten, dan komt de moraal. Zo luidt het spreekwoord. Weet je wat ik denk? Dat hij die fiets niet eens zelf nodig had, maar dat hij hem verkocht heeft. Wat heb je aan een fiets als je niet eens te eten hebt? Hij heeft jouw fiets gejat en hem daarna voor honderd gulden doorverkocht. En met dat geld is hij naar de bakker gegaan en heeft daar brood gekocht.’ Sjak nam een slok bier. Hij zuchtte en boerde. Hij was even stil, onder de indruk van zijn eigen wijze woorden. Hij plukte wat sjek-kruimels van zijn manchester jasje, rolde deze tussen zijn gele duim en wijsvinger tot een bolletje en schoot het bolletje naar de asbak. Mis. Het bolletje kwam tussen de etiketten van de CPN Ledenkrant terecht. ‘Daarom is ons werk zo belangrijk. Wij komen op voor het proletariaat. Wij gaan ons sterk maken voor de eerstkomende gemeenteraadsverkiezingen. De tijd gaat snel, dus wat nu nog vrij ver weg lijkt, is al heel dichtbij. Ik ga ervan uit dat ik op een mooie verkiesbare plaats kom. Er zijn ook andere kameraden, het is dringen aan de top. Voorzitter Bert de Vriend heeft zo zijn lievelingetjes. Hij heeft mij laten weten dat ik nog niet lang genoeg in Hilversum actief ben. Ik zal hem laten zien wie er hier actief is! Godverdomme.’ Sjak dronk het flesje bier leeg.

            ‘Daarmee heb ik mijn fiets nog niet terug,’ zei ik. Ik hoopte dat hij zijn portemonnee zou trekken of dat hij zou zeggen dat hij morgen een nieuwe fiets zou geven. Dat was uiteraard niet het geval.

            ‘Nee, daar heb jij je fiets niet mee terug, nee.’ Sjak leunde achterover en rolde een sjekkie. Hij keek rond en zei: ‘Zie jij hier een nieuwe fiets staan? Nou? Ik kijk rond, maar ik zie nergens een nieuwe fiets. Misschien zie jij er een?’

            ‘Ik heb toch een fiets nodig voor school.’

            ‘Jij hebt je hersens nodig voor school. Zelfs nu je op de mavo zit. Juist nu je op de mavo zit. Ik heb het altijd al gezegd dat jij niet deugde voor het gymnasium. En ook deugde je niet voor de havo. De mavo, daar zit jij wel op je plek. Je moet er wel wat voor doen. Anders wordt het niets. Hard werken, jongen. Dat doe ik ook. Hard werken voor de mensheid. Ik zet zelf ook heel vaak mijn eigen belangen aan de kant voor de belangen van de arbeiders. Dat is wat een echte man doet, een echte man zet zijn eigen belang aan de kant voor het grotere belang. Een echte man denkt voortdurend aan anderen, hij is galant en beleefd.’

            Het leek weer zo’n ellenlange monoloog te worden over arbeideristische dialectiek van de antitheses of zo. Maar Sjak sloeg ineens een andere weg in.

            ‘We hebben nog een oude fiets van Moniek in de schuur. Die rode. Die kun je voorlopig wel gebruiken.’

            ‘Dat is een oude meisjesfiets.’

            ‘Dat is een oude meisjesfiets, ja, daar heb je helemaal gelijk in. Maar het is een fiets. Hij is nu van jou. We schenken jouw goede fiets als raad en daad aan die arme arbeider die in de kou keihard werkt om zijn gezin te kunnen voeden. Misschien is zijn vrouw al overleden van alle ontberingen die zij opgelegd hebben gekregen door het grootkapitaal en moet de arme sloeber zijn karige loon verdienen voor zijn kinderen.’ Sjak stond op en ging naar de wc.

            Die meisjesfiets kwam moeilijk vooruit, de wielen waren net een maatje kleiner dan die voor volwassenfietsen. Ik besloot dat ik toch echt weg moest, want Wim bleef niet eeuwig op de plee. En inderdaad, ik was de straat nog niet uit of ik hoorde mijn naam roepen. Ik keek om en ik zag Wim met twee armen naar mij zwaaien. Tijd om wat harder te fietsen. Dat ging niet eenvoudig. Niet alleen waren de wielen wat klein, mijn benen voelden als rubber. Dit schoot niet op zo. Ik wist dat Wim achter mij aan zou komen. Het was zaak om snelheid te maken en te houden. De straat was lang en recht. Wim had uitstekend zicht op mij. Maar ik moest rechtdoor, want dat was de enige manier om vaart te maken. Bij iedere bocht zou ik moeten remmen en zou ik heel veel snelheid verliezen. Ik keek om en ik zag dat Wim de achtervolging had ingezet. Zijn fiets was beter dan de mijne en hij kwam dichter en dichter. Intussen had ik toch ook aardig wat snelheid ontwikkeld. Zou ik kunnen ontsnappen? Nee, dat was te veel van het goede. Wim kwam dichterbij. Dan maar met geweld. Ik bleef trappen en trappen en trappen. Wim haalde mij in, hij had een fiets met drie versnellingen en ik zag – toen ik een beetje achteromkeek – dat hij in zijn grootste versnelling met krachtige trappen mij heel snel inhaalde. Zijn voorwiel was ter hoogte van mijn achterwiel en dit was mijn kans! Ik gaf mijn stuur een zet naar links en daardoor botste Wims voorwiel tegen mijn achterwiel. Hij had geen schijn van kans en vloog als een gek over de kop. Zijn fiets kletterde en stuiterde. Ik fietste door. Mijn hart bonsde in mijn keel. Enkele tientallen meters verder keek ik weer achterom. Wim lag op de grond. Geen idee wat er met hem was, had hij zijn nek gebroken? Ik haalde mijn schouders op. Voor mij was het tijd om Hilversum te verlaten.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 20. Hoeken en kabeljauwen

Hoofdstuk 19. Hier en nu

In De Piramide was het nooit echt druk. De bierdrinkers lieten het café links liggen, want het was niet de bedoeling dat je naar dat café ging om iets te drinken. Op de menukaart, die met de hand geschreven was op de binnenkant van de achterflap van een Cowboy Henk-boek (ik meen De tintelende titel) stond louter hasj en wiet. Er was in die jaren geen echte coffeeshop in Hilversum, iedereen haalde zijn hasj en wiet bij De Piramide, maar de meeste klanten bleven niet zitten. Men kwam binnen, bestelde, betaalde en ging weer weg met een klein plastic zakje. Ik vind het prettig om juist wel te blijven zitten en om af en toe een praatje te maken. Wim hield daar niet zo van, hij ging liever roken in het park. Soms kon ik hem overhalen om te blowen in De Piramide, soms wist hij me mee te nemen naar het park. Café De Piramide was een beetje een kaal café, eigenaar Klaas had niet zijn best gedaan om het er gezellig te maken. Waarschijnlijk was het zijn bedoeling ook niet dat de klanten er lang bleven hangen. De muren waren kaal op één prikbord na dat vol hing met foto’s van ezeltjes. Waren dat allemaal symbolen voor de domheid van de klandizie? Of wilde Klaas liever een ezelboerderij dan een wietcafé? Ik heb het hem ooit een keer gevraagd, hij haalde zijn schouders erover op. Hij wist het niet, het deed er ook niet toe. Iemand moet er een keer mee begonnen zijn en daarna werd er geregeld een ezeltje bij geprikt. Zijn schouders ophalen was sowieso de favoriete beweging van Klaas. Als je meer vroeg dan wat er op de menukaart stond, dan haalde hij zijn schouders op. Klaas was een man van weinig woorden, ik heb nooit het idee gekregen dat hij met hart en ziel zijn café bestierde. Tegelijk was hij cool. Juist door zijn schouderophalen gaf hij de indruk dat het hem allemaal niet boeide. Het schouderophalen was een soort yoga-oefening om tot rust te komen. Het werkt ook, natuurlijk. Ik heb het zelf later overgenomen, als het mij te veel wordt en als er meer dan drie vragen tegelijk gesteld worden, dan adem ik in door mijn neus, haal ik mijn schouders op en adem ik uit door mijn mond.

            ‘Klaas, doe mij een mooie rode Libanon,’ zei ik. Klaas haalde zijn schouders op, trok een la open en haalde er een zakje uit. Ik rekende af. Eigenlijk had ik gehoopt dat Klaas iets zou zeggen, want ik wilde altijd wiet hebben. Nu bestelde ik een keer hasj. De enige reactie van Klaas was dat hij zijn schouders ophaalde. Ik was er een beetje teleurgesteld om, maar tegelijk wist ik dat hij niet anders kon. Klaas kon praten, hoewel hij dat nooit deed. Niet dat hij nors was, integendeel, hij had een vriendelijke uitstraling en, inderdaad, hij was cool. Praten deed hij echter zo min mogelijk. Houthakkersoverhemd, bretels, beige ribfluwelen broek, Dr. Martens en schouders ophalen – dat was de communicatie van Klaas. Als hij geen bretels had gehad, dan hadden zijn schouders altijd omhoog gestaan. De functie van de bretels van Klaas was niet zozeer dat ze zijn broek ophielden, maar dat ze zijn schouders naar beneneden trokken.

            Waarom had ik eigenlijk rode Libanon besteld? Ik keek naar het zakje met het bruine staafje. Wat moest ik hier nou weer mee? Nou ja, ik wist wel hoe je met hasj een joint kon rollen, maar… het paste niet bij mij. Ik rookte ook niet, omdat er geen sigarettenmerk of sjekmerk was dat bij mij paste. Ik ben geen cowboy, dus Marlboro kon ik niet roken. Chesterfield, Lucky Strike… ik vond het allemaal niets. Drum vond ik ook helemaal niets. Ik kocht steevast de goedkoopste sjek om jointjes van te draaien, de sjek zelf borg ik dan zo snel mogelijk weer op. Daar wilde ik niet mee gezien worden. Ik ontkende vaak sjek in bezit te hebben. Nog nooit had iemand een sjekkie van me gedraaid, ik rookte namelijk niet. Ik was ook geen hasjroker. Dat paste niet bij mij. Volstrekt irrationeel natuurlijk, toch telde dat alles voor mijn gevoel zwaar mee. Ik was inmiddels van het gymnasium via de havo afgezakt naar de mavo en het zag er niet naar uit dat ik met een mavodiploma op zak de school zou verlaten. Alles wees erop dat mijn laatste diploma mijn zwemdiploma was. Daarom volhardde ik in de instandhouding van mijn imago. Een imago dat niet bestond, behalve in mijn eigen hoofd: het imago van een wietblowende niet-roker. Niet dat dit imago mijn echte imago was, ik bedoel, een imago maak je niet zelf. Je imago wordt je toebedeeld door anderen. Ik had voor de buitenwereld helemaal geen imago, hooguit van die jongen die van het gym naar de mavo afgezakt was. Juist daarom was het voor mij belangrijk te denken dat ik een imago had en wel dat imago van de wietblowende niet-roker.

            Wim kwam De Piramide binnen en hij begroette mij hartelijk. Ik stak het zakje met de rode Libanon omhoog, alsof het de trofee was die ik met het voetballen gewonnen had. En dat de finale heel erg hard was geweest, we hadden ervoor gevochten.

            ‘Wat heb jij nou?’ vroeg hij.

            ‘Rode Libanon,’ antwoordde ik.

            ‘Dat heb je anders nooit!’ riep Wim uit.

            ‘Vandaag wel.’

            ‘Je bent van je geloof afgevallen. Pas maar op, anders word je nog een hasjpijper. Ein Hasjpfeifer.’

            ‘Wil je wat van me?’ vroeg ik.

            ‘Waarom ook niet, ik wil eerst mijn eigen voorraad bijwerken.’ Wim liep naar de bar en smoesde wat met Klaas. Klaas haalde maar liefst drie keer zijn schouders op! Wat had dat te betekenen? Ze smoesden verder en Klaas dook onder de bar. Hij kwam tevoorschijn met een flinke zak wiet. Wim knikte bevestigend en trok zijn portemonnee. Hoeveel hij betaalde, kon ik niet zien. Wel zag ik dat het een behoorlijke hoeveelheid briefjes was. Ik rolde een joint met mijn rode Libanon en stak hem aan. Wim kwam bij me aan het cafétafeltje zitten en ik gaf hem het stikkie.

            ‘Niet verkeerd, die rode Libanon,’ zei ik. ‘Probeer het eens.’

            Wim deed de grote zak wiet in de zak van zijn bruinleren jack en nam een hijs.

            ‘Prima spul.’ Hij wreef met zijn hand door zijn kuif en daarna over zijn buik. ‘Ik moet naar de plee. Ich müss nach den Plee. Jij blijft hier nog even?’

            ‘Ik ga voorlopig niet weg.’

            Wim deed zijn jack uit en hing hem over zijn stoel. Werktuigelijk, alsof ik nooit iets anders gedaan had, stond ik op, boog naar Wims jack en haalde de zak wiet uit de ene zak van het jack en zijn portemonnee uit de andere zak. Ik nam nog een hijs van mijn joint en legde deze als een soort afscheidscadeau voor Wim in de asbak. Ik liep naar buiten en stapte op mijn fiets.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 19. Hier en nu