Der Himmel

Zojuist viel de Duitse vertaling van de Zeeuwse sonnettenkrans De hemel strooit zijn sterren aan de kant in de bus. Bestel deze bundel voor al je Duitse vrienden die graag naar Zeeland komen!

Dit is de Duitse vertaling van De hemel strooit zijn sterren aan de kant. Te bestellen met ISBN 9789402194401.
Posted in Geen categorie | Comments Off on Der Himmel

Hoofdstuk 46. Wis en waarachtig

Het duurde twee weken voor mijn vader gevonden was. Hij was een waterlijk geworden. In eerste instantie werd er niet naar hem gezocht, hij was immers niet vermist. Pas na een paar dagen werd zijn afwezigheid serieus genomen. Ik kreeg vragen van de politie, zeer terughoudende vragen – alsof de vorige gesprekken tussen mij en de politie nog vers in het geheugen lagen. Het was een heel ander gesprek, de agente had helemaal geen idee wie ik was en dat ik ooit een verdachte was in een moordzaak. Een moordzaak op de plaats waar ik nu woonde. Ze stond in mijn galerie op de plaats waar onder het parket waarschijnlijk nog de oude roestbruine vlekken van het bloed van Carlos te zien zouden zijn. Het had me niets verbaasd als ik ineens weer een hart heel hard hoorde kloppen, net als de vorige keer. Er gebeurde echter niets. De vrouwelijke agent keek me begripvol aan. Ze had een paar algemene vragen. Wanneer ik mijn vader voor het laatst had gezien, bijvoorbeeld. En of we een goede band hadden. Ik speelde de ongeruste en bedroefde zoon wiens vader vermist was.

            ‘Ik kan me eigenlijk niet eens goed herinneren wanneer ik mijn vader voor het laatst gezien heb,’ zei ik, en ik deed mijn best om er zo verdrietig mogelijk bij te kijken. ‘Ik bezocht hem geregeld bij het boerderijtje waar hij woonde met Geert en Trudy. Daar had hij zijn atelier.’

            ‘Uw vader was kunstenaar?’ vroeg ze.

            ‘Ja, en een heel succesvolle,’ antwoordde ik. ‘Ik was zijn galerist.’

            ‘Galerist?’

            ‘Galeriehouder.’

            ‘O ja, ik snap het. U had ook een zakelijke relatie met uw vader?’

            ‘Dat maakte onze relatie extra intens,’ zei ik bedroefd. Ik keek naar de punten van mijn schoenen. ‘Hij was niet alleen mijn vader, hij was ook een soort zakenpartner. We zagen elkaar als familie en als zakenpartners. Onze gesprekken waren privé en ze konden ook ineens gaan over de kunstverkoop. Ik mis dus niet één persoon, ik mis twee personen: mijn vader én een groot kunstenaar.’

            ‘Ik begrijp het,’ zei ze. Ze keek me aan alsof ik ontroostbaar was. ‘Misschien komt hij nog terecht.’

            ‘Het is vriendelijk dat u dat zegt, maar we weten allemaal dat dit niet goed af zal lopen. Ik hoop natuurlijk dat hij gevonden wordt. Ik vrees echter het ergste. Tussen hoop en vrees gaan de dagen voorbij.’

Uiteindelijk was hij terecht, ze visten hem op bij Dongen, bijna twintig kilometer verderop. Had hij toch tien kilometer per week afgelegd. De officiële doodsoorzaak was verdrinking door dronkenschap. Met zijn dronken kop was hij te water gekomen en niet meer boven geraakt. Ja, dat klopte inderdaad. Dat ik hem een handje geholpen had, hoefde verder niemand te weten.

            Dit moest netjes afgehandeld worden, dus regelde ik een mooie crematie. Volgens mij wilde hij liever begraven worden, ik meen me te herinneren dat hij ooit zoiets gezegd had. Dus werd het een crematie. Dat vond ik nou weer leuk: water en vuur. Ik vroeg mij af of een waterlijk moeilijker te cremeren was dan een gewoon lijk. Ik durfde de vraag niet te stellen aan de uitvaartbegeleider. Hij had wel vragen voor mij: welke muziek er gedraaid moest worden. Daar hoefde ik niet lang over na te denken: ‘Ik zou het willen doen’ van Doe Maar, ‘Meisje, ik ben een zeeman’ van The New Four en ‘Weekend’ van Earth and Fire. Ik zou zelf een toespraakje houden. (‘Mijn vader heeft zijn dromen gevolgd en is kunstenaar geworden.’) En we zouden Geert vragen voor een toespraak. (‘Hoewel er geen expressie en willen-zeggen zonder discours bestaat, is toch niet alles mogelijk zonder expressieve kern, toch zou men haast kunnen zeggen dat het discours in zijn geheel gevat is in een indicatief weefsel.’) Die laatste toespraak was om de aanwezigen te treiteren.

            Thuis overzag ik mijn situatie. Ik stond in de Tilburgse bovenwereld bekend als een harde werker met een goedlopende galerie; en ik was gul. In de Tilburgse onderwereld stond ik ook bekend als een harde werker. Eentje met goed spul, eentje die op tijd leverde. Bij de belastingdienst was ik ook bekend: als iemand met een goedlopend bedrijf. Ik maakte behoorlijke winsten en ik betaalde daar netjes belasting over. In Genève was ik ook een beetje bekend, niet heel erg en slechts in een beperkt aantal restaurants. Daar was ik een solistische man die het zich goed liet smaken en die tussen de gerechten door altijd een boek las.

De drugswereld was verhard, ik had er geen zin meer in. Ooit was ik er het centrum van, nu stond ik min of meer aan de periferie. Een centrum bestaat bij de gratie van de periferie. Centrum en periferie, ze kunnen niet met elkaar en ze kunnen niet zonder elkaar. Ik had beloofd mijn levensverhaal te vertellen, hoe ik een mens werd vanuit een slechte jeugd. Ach, uiteindelijk wilde ik gewoon veel geld verdienen en Carlos stond in de weg. Ik neem aan dat u dit zelf ook wel bedacht had. Ja, het was ook wraak op de dood van mijn stiefzus. Ja, Carlos was een Untermensch die het verdiende te sterven. Uiteindelijk ging het echter gewoon om geld. Om heel veel geld, dat wel. Het leven is zinloos, uiteindelijk bestaat het leven op wachten tot je doodgaat. Soms helpt iemand je ermee, meestal is het wachten tot de natuur je een of andere vreselijke ziekte opdringt. Het beste is het om dat wachten te veraangenamen met geld en om met dat geld dingen te kopen. Spijt heb ik niet, van niets. Waarom zou ik spijt hebben? Alles was uiteindelijk goed afgelopen voor mij. Ik besloot om de zaken af te ronden. Onlangs keek ik in de wc toen ik doortrok en ik dacht: daar gaat weer een stukje van mijn autobiografie. Het leek me daarom goed om mijn levensverhaal op te schrijven, gewoon aan mijn keukentafel. Er stonden miljoenen op mijn Zwitserse bankrekening, ik kon met gemak verhuizen naar Buenos Aires. Of naar Thailand.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 46. Wis en waarachtig

Hoofdstuk 45. Water en vuur

Drie openingen per jaar, soms vier – als ik er zin in had. Dat wil zeggen: als er extra omzet gedraaid was. Dennis en Bas zorgden voor een stabiele omzet uit West-Brabant. Met Oost-Brabant kon ik na verloop van tijd ook zo’n constructie maken met twee vrienden, die gek genoeg allebei Gert-Jan heetten. Zo’n uitbesteding heeft invloed op de omzet en winst, maar scheelt je ook heel veel werk. Na een paar jaar controleerde ik de volledige cocaïne-markt in Brabant. Ik had me gespecialiseerd in de coke, als ik vragen kreeg over andere dope, dan verwees ik naar andere jongens. De coke-handel stabiliseerde zich, de rek was er op een gegeven moment uit. Vond ik helemaal prima. Ik was tevreden met mijn hoge omzetten, mijn klanten waren tevreden over de kwaliteit. Concurrentie had ik niet echt. In de wereld van de coke was ik een grote jongen; ik had iemand omgelegd en ik had de politie in mijn zak. Dat waren de verhalen. Verhalen die in de loop der jaren wat minder indrukwekkend leken, alsof ze aan het verjaren waren. Dat ik Carlos gedood had, maakte steeds minder indruk. Hoe lang ik de politie van me af kon houden? Tja, hoe gaat zoiets? Uiteindelijk zullen Dooremalen en De Regt met pensioen zijn gegaan, en ik had niemand anders om eventueel te chanteren. Hoe lang ik door kon gaan als succesvolle galerist wist ik ook niet. Aan alles komt een eind. Daar was ik ook voor aan het sparen, daar was mijn Zwitserse bankrekening voor bedoeld. Het Luxemburgse bankgeheim werd opgeheven, ik moest voortaan alles via Zwitserland regelen. Ik had daarvoor een mooi penthouse in Genève gehuurd. Dank je wel Luxemburg, het waren mooie jaren. Genève is prettig en prachtig. Beter dan Bazel. Iets verder weg, maar ach, als je toch onderweg bent, dan kunnen die paar kilometers er nog wel bij.

            Om me heen groeiden andere markten, die van de wiet bijvoorbeeld. Het leek alsof half Tilburg een wietplantage op zolder had, als je de kranten moest geloven. Er werd me wel eens gevraagd om daar ook in te investeren. Ik had er geen zin in, het was te veel gedoe. Dat stroom aftappen alleen al! Nee hoor, niks voor mij. Of de XTC. Brabant was de wereldleider in XTC-productie, maar niet dankzij mij. Mij niet gezien, ik hield het bij de coke. Gewoon via mijn vaste contacten in Bolivia, de vaste smokkelroute, de vaste klanten (Dennis, Bas, Gert-Jan en Gert-Jan), de vaste route naar de bank, de vaste witwasprocedure. Nog even en ik kon er tussenuit. Nog even en ik had genoeg gespaard om te verdwijnen.

            ‘Die Franse hotelketen die altijd onze schilderijen koopt,’ zei mijn vader, ‘hoe zit dat?’

            ‘Dat zijn de Campanile-hotels,’ antwoordde ik. ‘Die zitten in heel Frankrijk en daarbuiten. Om de haverklap openen ze een nieuw hotel.’

            ‘Een beetje zoals Van der Valk.’

            ‘Ja, zo kun je dat wel zien.’

            ‘En die willen onze schilderijen?’

            ‘Al die hotels lijken op elkaar. Iedere kamer is hetzelfde. In ieder restaurant eet je hetzelfde eten. Vandaar dat ze de kunstwerken op de gangen en in de kamers ook hetzelfde willen.’

            ‘Ja, dat had je al eens verteld.’

            ‘Dus vertel ik het je nog een keer.’

            ‘Verder koopt er nooit iemand een schilderij?’

            ‘Waarom vraag je dat?’

            ‘Omdat ik dat wil weten.’

            ‘De particuliere markt in Nederland is lastig. Nederlanders geven geen geld uit aan kunst. In Frankrijk is dat anders. En heb je eenmaal een contact, dan is zo’n contact blijvend. Fransen zijn heel trouw. Als je erbij hoort, dan hoor je erbij. Campanile zal dus niet snel met iemand anders in zee gaan.’

            ‘Hoe zit het met de prijs?’

            ‘Hoezo?’

            ‘Ik kan ook rekenen. Onze schilderijen brengen tweeduizend gulden op. Wij doen fifty-fifty. Dertigduizend gulden per keer, drie keer per jaar. Negentigduizend euro winst voor jou.’

            ‘Dat klopt inderdaad.’

            ‘Dat is een flink bedrag, maar die Audi van jou is wel een poepie meer waard.’

            ‘Afbetaling.’

            ‘Afbetaling mijn reet. Jij vraagt veel hogere bedragen aan die Franse hotelketen. Heel veel hogere bedragen. Ik vind fifty-fifty prima, maar dan ook echt fifty-fifty. Echt de helft van wat jij krijgt.’

            ‘Ik kan je vertellen hoe het zit. Het zit ingewikkelder in elkaar dan je denkt, er speelt namelijk meer. Zullen we er wat bij drinken? Dat praat makkelijker.’ Ik opende de fles Jägermeister en schonk twee glazen vol. Ik moest meedrinken, ik had geen excuus. Na de Jägermeister gingen we aan het bier. Mijn hersenen kraakten, hoe kwam ik hier uit? We dronken bier en ik babbelde ondertussen over kunst en dat Jasper Mikkers van die goede gedichten erbij maakte en blablabla. ‘En daarnaast ben ik persoonlijk kunstadviseur in Zwitserland,’ zei ik ineens. Ja, sodeju. Dat was hem. Zo kwam ik aan mijn geld! ‘In Zwitserland komen de rijken der aarde bijeen en ze weten van gekkigheid niet wat ze met hun geld moeten doen. Ik ben daar dan ook en ik adviseer hen dan welke kunst ze moeten kopen. Ik krijg dan een percentage.’ Het leek erop dat mijn vader dit verhaal pikte. ‘Laten we naar buiten gaan,’ stelde ik voor. ‘Maken we een wandeling langs het kanaal met een picknick.’ Ik pakte een fles calvados en een fles grappa. Mijn vader was dol op grappa, hij vond het dus een goed idee. ‘Voor onderweg hebben we een paar blikken Bavaria 8.6.’

            Het was slechts een kort wandelingetje naar de rand van Tilburg. Mijn vader klokte het bier achterover en ik deed zogenaamd met hem mee. We gooiden beiden ons blikje in een vuilnisbak – dat van mij zat nog half vol. Tijd voor een volgend blik. Na dit korte wandelingetje door de stad kwamen we bij het zandpad langs het kanaal. Het was mooi weer, maar omdat het een doordeweekse dag was, was er verder niemand. We vonden een idyllisch plekje tussen de lisdodden. De alcohol was in de benen gaan zitten, we waren blij dat we konden zitten.

            Ik haalde de flessen uit het rugzakje. ‘Hier,’ zei ik, terwijl ik mijn vader de fles grappa aanbood. ‘Hier, tegen de dorst.’

            Mijn vader dronk zijn blik leeg en gooide het in het kanaal. Hij opende de fles grappa en dronk er een paar flinke teugen uit. ‘Goed tegen de verkoudheid,’ zei hij. ‘Proost!’

            Ik maakte de calvados open en deed alsof ik er ook een paar flinke slokken van nam. Ik klakte met mijn tong en liet naast mij de calvados in het gras weglopen. Zwijgend zaten we naast elkaar, mijn vader dronk als een bezetene de fles leeg. Hij vond het moeilijk om het gesprek gaande te houden. Waarschijnlijk was hij erop uitgestuurd door Geert en Trudy om meer geld te bedingen. Hij stond, waggelde wat op zijn benen en zei: ‘Dat geld he?’

            Ik stond ook op, zette mijn linkervoet achter zijn rechterbeen, pakte hem bij zijn hoofd en worstelde hem met zijn bovenlichaam het water in. Hij maaide met zijn armen en benen terwijl hij op zijn buik lag. Ik zat op zijn rug en hield zijn hoofd stevig onder water. Het maaien en zwaaien nam toe, ik zette mijn knie op zijn nek om met mijn volle gewicht zijn kop onder water te houden. Een krinkelend winkelend waterding. De bewegingen werden minder wild en langzamer. Toen was het stil.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 45. Water en vuur

Hoofdstuk 44. Vroom & Dreesmann

Dag Sjak,

In de strijd voor de emancipatie van de werkende klasse voert het kapitalisme vanzelfsprekend strijd tegen het marxisme en zijn ideologie. Het kapitalisme voorziet de arbeidersklasse van kunst, als ze de portemonnee ervoor trekken. Het kapitalisme probeert om de reële verhoudingen bloot te leggen die bestaan in het marxisme om zo de loontrekkenden te wapenen met een begrip van hoe ze zich kunnen emanciperen. Kunst is een belangrijk hulpmiddel.

Zoals je weet, ben ik de eigenaar van een succesvolle galerie in Tilburg. De schilderijen die ik tentoonstel zijn duur en mooi. Vandaar dat ik ze goed weet te verkopen. Dat is de wet van vraag en aanbod.

Graag nodig ik je uit voor de eerstvolgende vernissage. Je kunt dan met eigen ogen zien wat het kapitalisme is en hoe het werkt. Ook kun je praten met diverse kapitalisten. Dat lijkt me heel leerzaam voor jou. Vooral om te zien hoe je je kunt verhouden tot GroenLinks, want sinds de PPR, de PSP, de CPN en de EVP zijn samengegaan tot één partij zul jij je positie moeten herzien. Ergens in de CPN is het verkeerd gegaan, anders was die fusie heel niet nodig geweest. In principe heb je gefaald en is de CPN ingehaald door de geschiedenis. De val van de Berlijnse Muur was daar mede een bewijs voor.

Je ingestorte wereldbeeld is aan herziening toe en ik wens je daarbij heel veel succes.

Hartelijke groeten,

Bas

Sjak zou die vernissage niet halen. Twee weken nadat ik hem de uitnodiging had gestuurd kreeg ik het bericht van zijn overlijden. De val van de Berlijnse Muur had hem erg aangegrepen en dan vooral het feit dat niet hele hordes West-Duitsers oostwaarts trokken, maar dat al die Oost-Duitsers naar het westen wilden. David Hasselhoff was een grotere held dan Erich Honecker. Na de val van de Muur kreeg Sjak hartproblemen, hoewel zijn ongezonde leefstijl daar ook debet aan was. De hele dag sjekkies roken, bier drinken en etiketten tikken is niet goed voor je hart en nieren. Dat de CPN opging in het grotere geheel van GroenLinks vond hij ook vreselijk, dat heeft hij nooit kunnen verwerken. Vooral niet toen ‘die enorme paardenlul van een Paul Rosenmöller’ ineens in de Tweede Kamer kwam. Daar had hij me – gek genoeg – over gebeld. Sjak belde nooit en hij heeft nooit contact met me gezocht, totdat bekend werd dat Rosenmöller in de Tweede Kamer kwam. Blijkbaar moest hij toen zijn woede kwijt. Aangezien hij niemand meer had om tekeer tegen te gaan, belde hij mij. Uiteraard in flink beschonken toestand en zijn tirades onderbrekend met afschuwelijke hoestbuien.

            ‘Die smerige landverrader van een Rosenmöller, die enorme paardenlul komt in de Kamer, heb je dat gehoord? Klimt vanuit dat splinterpartijtje die zich ‘Groep Marxisten-Leninisten’ noemt ineens in de Kamer. Hij komt uit een familie van kapitalisten, zijn vader was grootaandeelhouder van Vroom & Dreesmann. Die Rosenmöller is gewoon een miljonair. De smerige salonsocialist. Voor de vorm heeft hij even in de Rotterdamse haven gewerkt, om meteen daarna een makkelijke bureaufunctie bij de FNV te krijgen. Hij heeft dat allemaal gekocht. Hij heeft geld op tafel gelegd en mensen omgekocht, geld vanuit het familiekapitaal. De paardenlul is fan van moordenaars, van foute dictators. Van smeerlappen die zeggen marxistisch te besturen, maar die nog nooit ook maar een letter van Marx gelezen hebben. Wie denkt hij wel dat hij is? Ik zit hier godverdomme me jarenlang de klere te werken om de CPN vooruit te helpen, om de arbeiders te steunen in hun klassenstrijd en dan komt die kletsmajoor van een Rosenmöller dat allemaal ongedaan maken. Hij is gestuurd door de kapitalisten. Hij is een zetbaas van het kapitalistische grootkapitaal. De dialectiek heeft dat voorspeld, dat we te maken krijgen met tegenwerking, met spionage, met ondergravingen vanuit de eigen gelederen. Paul Rosenmöller is de verpersoonlijking van de ondergang van de linkse politiek. Met zulke marxistische vrienden heeft een man als ik geen kapitalistische vijanden meer nodig in de revolutionaire strijd van de burgerij tegen de kerk, de aristocratie en de absolute monarchie. Met Rosenmöller is er geen serieuze aanval op de ideologie van de oude orde. Hij is een kapitalistische wolf in marxistische schaapskleren. En wat doen al die klootzakken? Die trappen er met open ogen in. Weet je vooral wie? Die pacifisten en die evangelisten. De Evangelische Volkspartij. Daar moeten de communisten mee samenwerken? Met die idioten die zitten te wachten op de wederopstanding van Jezus? Godverdomme. Dat is toch niet geloven? Hoe kan nou zoiets? Zij hebben die katholieke Rosenmöller naar voren geschoven. Moet je opletten: binnen de kortste keren is GroenLinks een pauselijke partij. Dan is GroenLinks een paapse partij geworden. Let op mijn woorden, jongen. De paus gaat nog eens heel groot worden in Nederland. Dan is het gedaan met de klassenstrijd. Dan zal paapse Paul Rosenmöller vooroplopen met de vlag van Vaticaanstad fier omhoog. En hij zal gevolgd worden door duizenden mannen en vrouwen die zich in de luren hebben laten leggen. Die mensen zullen liederen zingen, internationale wereldliederen voor alle volken, in plaats van de Internationale! De mensen zullen de gladde paapse praatjes van Rosenmöller in een betere toekomst voor zoete koek slikken. Als Gods woord in een ouderling, als een hostie op de tong. Rosenmöller is een stiekeme rukker, weet je. Een kapitalistische gladjakker. Hij zegt overal wat de mensen willen horen, nooit praat hij over wat er werkelijk toe doet. Altijd spreekt hij als een jezuïet. Hij verkoopt zijn praatjes zoals Vroom & Dreesmann handdoeken. Hij is een nep-marxist. Voor de arbeiders heeft hij de mond vol met op marxistisch-leninistische geschoeide verhalen, achter hun rug zit hij aan tafel bij het grootkapitaal. Daar krijgt hij zijn orders. Met zijn verhalen houdt hij de arbeiders af van de klassenstrijd. Zo blijven ze rustig en kunnen ze onderdrukt, uitgezogen en geëxploiteerd blijven door de grote bedrijven. Kunnen ze winkelen bij Vroom & Dreesmann. Maar ze moeten in opstand komen godverdomme. In opstand tegen het kapitalisme. Het is dit materialisme en rationalisme waar de grote Franse Revolutie zich uiteindelijk op baseerde. Deze revolutionaire denkers erkenden geen externe autoriteit. Weet je wat er nu is gebeurd? Er is een extra hobbel gecreëerd, want de arbeiders moeten eerst in opstand komen tegen die enorme paardenlul van een Rosenmöller – een man die zij zien als een van hen. Dat zullen ze niet zo gauw doen, in opstand komen tegen iemand die in de Rotterdamse haven gewerkt heeft. Er is goed en er is fout. Goed en fout. Rosenmöller is fout. De katholieken en de kapitalisten hebben het mooi voor elkaar. En ik, als rechtgeaarde communist, ben buitenspel gezet. De CPN is buitenspel gezet. Het is gedaan met ons land. De klassenstrijd is tenietgedaan, we moeten helemaal opnieuw beginnen. Marx en Lenin draaien zich om in hun graf.’ Ik kan mij lekker zitten verkneukelen bij de gedachte dat mijn briefje het hart van Sjak net het laatste zetje gegeven heeft om de pijp aan Maarten te geven.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 44. Vroom & Dreesmann

Hoofdstuk 43. Vraag en aanbod

De opening was een groot succes. Mijn vader en Geert waren er anderhalf uur voor de deuren opengingen, zoals we afgesproken hadden. Ik had veel drank gekocht. Zodra ze binnen waren pakte ik de fles Jägermeister en drie glazen: twee grote en een kleintje. ‘Voor jullie zijn de grote glazen, voor mij het kleintje. Jullie werk zit erop, ik moet vandaag flink aan de slag. Die schilderijen moeten er allemaal uit.’

            ‘Ik dacht dat er al een grote koper was?’ zei mijn vader.

            ‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Dat neemt niet weg dat ik nu de galerist ben die representatief zijn klanten moet ontvangen. Jullie zijn de kunstenaars die dit puike werk afgeleverd hebben, twee verschillende processen dus.’ Ik probeerde een beetje te praten als een kunsthandelaar.

            ‘In hetzelfde betekenisproces,’ zei Geert, ‘in dezelfde keten van tekens kunnen twee functies ineengestrengeld en verwikkeld raken. Nolens volens zou elke expressie dus in een indicatief proces vervat zijn, in zijn kern zelf behoort het gesproken woord zonder meer thuis in het algemene systeem van het betekenisproces dat op zijn beurt samenvalt met het systeem van de indicatie.’

            ‘Proost!’ riep mijn vader, zijn glas heffend. Hij dronk het glas in één teug leeg en alsof het een teken was, dronk Geert zijn glas ook in één teug leeg.

            ‘Het is de eenheid van een zekere “motivering”: zij beweegt iets dergelijks als een “denkend wezen” om door het denken over te gaan van iets naar iets anders,’ zei Geert

            Ik pakte de fles en schonk de glazen vol. Net zo snel waren ze weer leeg. Dat ging goed, de kunstenaars moesten vooral een onaangename indruk maken. Niemand moest ook maar de neiging krijgen een schilderij aan te schaffen. Ik had de prijzen hoog gehouden, naar mijn idee althans. Tweeduizend gulden per stuk, dat zou niemand ervoor overhebben. Als er dan ook nog eens twee dronken kunstenaars rond zouden lopen, dan wist ik zeker dat ik helemaal niets zou verkopen. Na een half uur was de fles Jägermeister leeg. ‘Er is bier voor de dorst, heren kunstenaars, achterin de galerie is de koelkast.’ Ik liep met hen mee, dan kon ik de glazen klaarzetten voor de gasten. De koelkast was goed gevuld met diverse soorten Belgisch bier, wijn en fris.

            Op het tijdstip van de opening kwamen de eerste gasten binnen. Jägermeister drinkt lekker weg, maar na een uur slaat hij toe. Doe er een paar biertjes bij en je bent al behoorlijk kachel. Dat was de toestand van Geert en mijn vader. Jasper Mikkers kwam binnen, een wapperend groen pochet in zijn paarse jasje, de gele stropdas nonchalant geknoopt. Ik stelde hem voor aan mijn vader en Geert. Mijn vader knikte nurks, Geert sloeg een arm om Jasper en zei: ‘Om te beginnen is er een begripsverwarring, het woord “teken” dekt – in het alledaagse taalgebruik altijd, in het filosofische soms – twee heterogene begrippen: het begrip “expressie”, dat men vaak ten onrechte als synoniem van teken in het algemeen aanziet, en het begrip “indicatie”. Nu zijn er tekens die niets uitdrukken omdat zij geen Bedeutung of Sinn vervoeren.’

            Jasper vond het een gênante vertoning en hij wist niet hoe hij los moest komen van die malle Geert. Na een half uur was de ruimte goed gevuld met gasten. Voor de vorm zou ik hen ‘potentiële kopers’ moeten noemen, maar dat was nou net niet de bedoeling. Er werd intussen goed gebruik gemaakt van de bar. Men prees mijn wijnkeus. ‘Normaal krijg je op een vernissage zure bocht,’ zei de toekomstige wethouder van cultuur, ‘hier krijg je goede wijn. En je hebt allerlei lekkere biertjes, dat is ook prettig. Het is de beste opening die ik ooit heb meegemaakt. Vooral de wijn die je schenkt, die wijn is echt heel goed.’

            ‘Ja, zei ik, ‘daar kom je voor terug hè?’

            ‘Op de volgende opening ben ik er weer.’

            Dat was precies de bedoeling. Ik wilde een volle bak met mensen die niets zouden kopen. Het was tijd dat Jasper zijn gedicht voordroeg, dat deed hij dus ook. Het was een prachtig gedicht over wat kunst met je doet. Na afloop kreeg hij een groot applaus. Zijn gedicht stond in schril contrast met die kutkunst om ons heen. Mijn vader begon te lallen, de drank was bijna op. Dat was het sein om naar huis te gaan. Of naar café Weemoed. In een oogwenk was de galerie leeg, op ons drieën na. Ik belde een taxi om Geert en mijn vader naar TiKuKo te brengen – vooraf af te rekenen. Geen probleem. Volgens mij had ik een goede indruk gemaakt. Met mijn bomvolle galerie was ik in één klap een succesvolle galeriehouder, tout Tilburg zou over me spreken.

            De volgende ochtend ruimde ik alles op en was het tijd voor de administratie. Ik maakte een factuur voor dertig schilderijen. Ik had dertig schilderijen verkocht voor twintigduizend euro per stuk aan hotelketen Campanile. Totale verkoop: zes ton. Ik moest er opeens keihard om lachen, ik kon niet blijven zitten. Een factuur van zeshonderdduizend gulden! Dat is toch om je bescheuren! Daarna maakte ik de afrekening voor de kunstenaars. Volgens afspraak kregen zij vijftig procent van de verkoop. Bij ieder schilderij hing een bordje met ƒ 2.000,–. Dertig schilderijen voor tweeduizend gulden is gelijk aan zestigduizend gulden, daar de helft van is dertigduizend gulden. TiKoKu kreeg van mij dertigduizend gulden. Zo veel geld hadden ze nog nooit gezien. Ik belde mijn bank in Luxemburg, de Banque et Caisse de Luxembourg, om zeshonderdduizend gulden over te boeken naar mijn bankrekening in Nederland. Later die week viel het bankafschrift in de bus, waarop duidelijk te lezen was dat ‘Campanile’ uit Luxemburg zeshonderdduizend gulden had overgemaakt. Mijn galerie had in een klap een omzet van zes ton gedraaid. Wit. Wis en waarachtig wit. Ik had de kosten netjes bijgehouden. De verbouwing, de maandelijkse huur, de rekening in café Weemoed, de inkoop van bier, wijn en fris, de taxi, de gage van Jasper, de afrekening met TiKuKo en tal van andere bonnen, rekeningen en facturen. Het grote aftrekken kon beginnen. Het was een heugelijke middag, ik genoot met volle teugen. Bij Henri Bloem wilde ik een bordeaux kopen uit mijn geboortejaar, maar de verkoper raadde me dat ten strengste af.

            ‘1968,’ zo zei hij, ‘was een enorm slecht jaar. De zomer was koud en veel druiven zijn niet tot rijping gekomen. 1982 was ook zo’n jaar. Ondrinkbare wijn hebben die jaren opgeleverd. Je kunt beter een fles port kopen. Ik heb een heel mooie uit 1968.’

            Later die week kocht ik een nieuwe Volkswagen Golf, maar niet nadat ik met mijn oude alle schilderijen naar de stort had gebracht. Ik had het linnen van frames gescheurd en in vuilniszakken gepropt. De frames verbrandde ik in de vuurkorf in de achtertuin. Misschien kan ik wel iets moois maken van die achtertuin, dacht ik, een extra expositieruimte voor een zomertentoonstelling.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 43. Vraag en aanbod

Hoofdstuk 42. Vuur en vlam

Zo! Alles stond gereed. De galerie was een totaal witte kamer geworden, de kamers erboven een comfortabel appartement. Alles rook naar nieuwigheid, alles rook fris. Ik snoof de lucht door mijn neus diep naar binnen. Heerlijk. Ook heerlijk was dat Carlos uitgeschakeld was, dat de politie uitgeschakeld was… Ik had het monopolie op de cocaïnehandel in Midden-Brabant en – via de broers Dennis en Bas – in West-Brabant. Er stond geld op de bank, er lag een nieuwe lading coke in de keuken, er hingen afschuwelijk lelijke schilderijen aan de muur. Zo dus. Ik was de koning hier, de baas van de Besterdring. Het moest natuurlijk groot, groter en grootst aangepakt worden, zo groot als de twisten tussen de Hoeken en Kabeljauwen. Zonder haat en nijd.

            In café Weemoed zag ik Jasper Mikkers. Hij had een fuchsia-roze jasje aan. ‘Jasper,’ zei ik, ‘ik heb je hulp nodig.’

            Jasper legde zijn krant opzij en vroeg: ‘Wat kan ik voor je betekenen?’

            ‘Ik heb een gedicht nodig. Althans, iemand die een gedicht komt voordragen.’

            ‘Dat is iets waar ik me mee bezig houdt.’

            ‘Precies, je bent er maar druk mee.’

            ‘Ja, dat geloof ik wel.’

            ‘Ik heb binnenkort in mijn galerie mijn eerste verkooptentoonstelling. Ik heb prachtig werk van het Tilburgs Kunstenaarskollektief. Ken je dat?’

            Jasper slikte even. ‘Ja, dat ken ik wel. Die zitten al heel lang in Gilze.’

            ‘In Gilze en Rijen. Zo groot zijn ze.’

            Jasper kon mijn grapje niet waarderen. ‘Die zijn al heel lang bezig, in verschillende samenstellingen. Dat collectief is een komen en gaan van kunstenaars.’

            ‘Tegenwoordig is de samenstelling zeer stabiel. Ik vind dat ze prachtig werk maken en daarom heb ik besloten om hun schilderijen te verkopen. Zou jij op de opening een gedicht voor willen dragen?’

            ‘Moet dat gedicht speciaal bij die kunstwerken horen? Of mag het ook een vrij gedicht zijn.’

            ‘Oei, daar had ik nog niet over nagedacht. Jasper, wat wil je drinken.’

            ‘Doe maar een koffie.’

            Ik bestelde aan de bar twee Duvel. ‘Sorry Jasper, de koffie was mislukt. Het zou mooi zijn als je je liet inspireren door een van die werken. Aan de andere kant wil ik je er helemaal vrij in laten. De kunstenaars zelf zijn immers ook vrij. Ik geef hen geen opdrachten of zo. Ik zal jou dus ook geen opdracht geven. Kijk maar wat je doet.’

            Ik zag aan het gezicht van Jasper dat hij niet van plan was om een bezoek te brengen aan mijn galerie. Als iemand niet meteen enthousiast reageert, dan vindt hij het meestal niks. Waarschijnlijk kon ik ervan uitgaan dat hij een gedicht uit een oude doos zou plukken om dat voor te dragen. Prima. Misschien zelfs beter zo. Dan hoefde ik hem niet mee te nemen naar mijn galerie, dat scheelde weer een hoop gedoe.

            ‘Ik kan een mooi gedicht voor je maken. Ik schrijf graag met beeldende kunst in het achterhoofd, zonder dat er een één-op-één-relatie bestaat. Dat is namelijk niet zo spannend. Een gedicht dat precies beschrijft wat er op het doek te zien is, is een overbodig gedicht. Laatst hoorde ik een paar gedichten over een tv-serie, Star Trek of Ivanhoe – ik weet het niet meer – en in die gedichten werd verteld waar de serie over ging. Dat is totaal niet interessant. Gedichten en schilderijen moeten elkaar aanvullen. Dan wordt het kunst.’

            ‘Dat ben ik helemaal met je eens. Het mag niet plat worden.’

            ‘Nee, het moet op verschillende manieren te interpreteren zijn. Ik heb wel een tarief voor dit soort opdrachten.’

            ‘Dat begrijp ik heel goed. Ik zou je niet durven vragen het voor niets te doen. Er is een budget, maak je daar geen zorgen over. Schrijf je wel een factuur? Want ik doe niets zwart.’

            ‘Ik sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dus schrijf ik facturen.’

            ‘Dan gaat het helemaal goed komen.’ De rest van de avond hebben we zitten drinken op mijn rekening. Niet alleen Jasper, ook de grote man met de baard, het kleine iele mannetje, enkele verdwaalde studenten, een paar oudere vrouwen die overal om moesten lachen, de toekomstige wethouder van cultuur en iedereen die verder het café binnenliep. Gelukkig bestond de mobiele telefoon nog niet, anders was het veel drukker geweest. Ik was de keizer van de Korte Heuvel. Tegen sluitingstijd vroeg ik een factuur.

            ‘Een wat?’ vroeg barman Martijn.

            ‘De rekening,’ zei ik.

            ‘Het bonnetje.’

            ‘Graag wel in een envelop.’

            ‘Hebben we niet. Ik heb wel een stempel.’ Martijn stempelde het bonnetje vol. Kon me niks schelen, het was aftrekbaar zolang ik het thuis in de map Debiteuren bewaarde. In die map had ik al de facturen van de aannemers en meubelleveranciers bewaard. Ik had het gevoel op kosten van de belastingbetaler te leven. Dat was een fijn gevoel. Het klopte natuurlijk niet, ik leefde op kosten van de cokeverslaafden en van de recreatieve cokegebruikers. Die waren natuurlijk net zo verslaafd – ze noemden het anders. Het was drie uur in de ochtend en ik wandelde door mijn galerie. Aan de muur hingen foeilelijke schilderijen die voor mij geen schilderijen waren. Ze waren mijn witwasmachine, dus ondanks hun duidelijke niet-witheid waren ze toch wit. Mijn hele galerie was wit. Witter dan wit. Ik stond voor een vierkant beige doek met zwarte stippen, ik schudde mijn hoofd. Beige… Beige? Beige! Wie schildert er nu beige? Nee, dit vindt niemand mooi, dacht ik, dit schilderij blijft onverkocht. Net als die dingen met die lelijke strepen, oh-oh-oh, wat een ding. Dit kon een kind van twee niet eens. Heerlijk. Het was een heerlijk gevoel om tussen al die lelijkheid te staan. Zo veel lelijkheid om me heen. Ha! Het plan liep op rolletjes.

            De volgende ochtend stond ik vroeg op. Mijn prachtige nieuwe keukenmachine moest aan het werk, er moest coke versneden worden. De coke die eerder die week was binnengekomen. Het was weer tijd om flink veel geld te verdienen. De hele dag was ik bezig met de handel: versnijden, pakketjes maken, pakketjes rondbrengen, geld innen, geld in enveloppen stoppen, enveloppen in zo veel mogelijk verschillende brievenbussen posten… Uitgeput kwam ik thuis. Daar stond een prachtige Barolo op me te wachten. Die had ik wel verdiend. Een uurtje later stond Dennis voor de deur, netjes volgens afspraak. Vreemd dat zijn broer Bas er niet bij was; zou er iets aan de hand zijn?

            ‘Dennis, ben je alleen?’ vroeg ik.

            ‘Mijn broer… had wat anders te doen… Wat anders…’

            ‘Wil je een glas wijn?’

            ‘Eentje dan, ik moet nog rijden. Heb je de waar?’

            ‘Uiteraard.’ Ik gaf hem het tasje van de Edah en schonk een glas in. ‘Proost.’

            ‘Proost.’ Dennis nam een slok en spong ineens op. Ik schrok er zo van, dat ik ook opsprong van mijn stoel. Klaar om de aanval af te slaan. Als Dennis nu zou aanvallen, dan zou ik hem mijn glas in zijn gezicht duwen. ‘Kut!’ riep Dennis. ‘Dat is lekkere wijn! Heb je een fles voor me?’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 42. Vuur en vlam

Hoofdstuk 41. Urbi et orbi

Het was tijd om de zaken netjes te regelen. Ik kon ervan uitgaan dat de moord op Carlos nooit opgelost zou worden en dat de politie mij ook niet zou dwarsbomen bij mijn andere activiteiten. Mijn vrienden Dooremalen en De Regt zouden ervoor zorgen dat ik nooit meer last zou hebben van welk politieonderzoek dan ook. Vanaf nu zou één telefoontje alles voor me oplossen. Ik hoopte dat de twee heren de prachtige coke voor heel veel geld verkocht hebben; hoe hoger hun omzet, hoe chantabeler ze waren. De aanvoer van de handelswaar had stilgelegen, net als de verkoop. In het circuit van cokegebruikers ging heel snel het bericht rond dat ik Carlos omgelegd had en dat er met mij dus niet te spotten viel. Met dat imago kon ik mijn business uitbreiden. De broers Dennis en Bas hadden al eerder van Carlos en mij wat grotere hoeveelheden afgenomen om zelf verder te verkopen. Ik nodigde hen daarom uit om te praten over een grotere deal, zodat zij de markt in West-Brabant konden beheersen. Ze konden van mij quantumkorting krijgen, als ze akkoord gingen met de voorwaarden. Mondje dicht uiteraard. Geen uitbreiding naar Midden-Brabant, want dat was en bleef mijn wijk. Ik wilde ook af van dat gesleep met contant geld. Daar schrokken ze van, want de banken vertrouwden de twee broers niet. ‘Take it or leave it,’ zei ik. ‘Zie het als een zwakke schakel die we wegnemen. Wanneer jullie contant geld aan mij betalen, dan moet ik daar ook weer iets mee. Dat heen en weer gesleep met geld, dat schiet niet op. Jullie storten de bedragen gewoon op mijn bankrekening in Luxemburg.’ Ik legde hen uit hoe ik dat deed. Ze konden zelf een postbus nemen in Luxemburg en een bankrekening, en het dan over laten boeken; of ze konden met het geld naar mijn bank om het daar te storten… dat interesseerde mij niet. Als het er maar op kwam! Uiteindelijk gingen ze akkoord, ze zagen er toch ook de voordelen van in. Na een jaar of wat was West-Brabant de helft van mijn omzet, en dat terwijl ik daar niets voor hoefde te doen.

            Het duurde niet lang voor het pand aan de Besterdring werd vrijgegeven. Ik maakte een afspraak met Berend om de huur over te nemen. Dat vond hij een hele opluchting. ‘Probeer eens een pand te verhuren waarin iemand vermoord is,’ zei hij, ‘dat vinden de mensen eng hoor.’

            ‘Ze denken zeker dat het er spookt?’ vroeg ik.

            ‘De mensen zijn zo bijgelovig als wat,’ zei hij.

            ‘Ik niet. Ik betaal gewoon de huur.’

            Er was nog een roestbruine vlek op de betonnen vloer, de politie maakt dus niet schoon. Nou ja, het lijk was opgeruimd. Verder was alles er nog. Het gereedschap lag netjes op tafel. De kamers boven, waar Carlos had gewoond, waren ook nog in de staat zoals de politie ze had aangetroffen. Behalve dan de sporen van de huiszoeking: een kastdeurtje hing er half uit, een houten paneel waar leidingen achter lagen was los en de vloerbedekking was op diverse plaatsen losgetrokken. Het viel allemaal wel mee. Wat mij betreft moest alles eruit. Ik regelde een aannemer om alle zooi te verwijderen, en om er beneden een galerie van te maken met parket op de vloer en keistrak gestucte muren. Ik liet een keukenbedrijf een keuken zetten, ik liet de badkamer op orde maken, ik kocht nieuwe vloerbedekking, gordijnen, meubels en wat al dies meer zij. En of het snel kon! ‘Ja meneer, dan moeten we u hogere kosten berekenen.’ Alsof mij dat wat uitmaakte! D’r in met die spullen! Afwerken die hap! En snel een beetje.

            Een maand lang was het een komen en gaan van bouwvakkers, meubelleveranciers en klusjesmannen, toen kon ik verhuizen. Gerda vond het jammer dat ik wegging. Ze had nooit last van mij gehad, en ik betaalde altijd netjes op tijd de huur. Een half jaar later was ze overleden, ze lag al een week dood op de grond in de keuken toen ze gevonden werd door haar jongste zus. Tijd voor de volgende stap in mijn programma. Stap 4. Het buitenlandse geld moest gewit worden, net zo wit als de muren van mijn galerie. Ik ondernam daarvoor een tochtje naar TiKuKo. Geert was blij me te zien, mijn vader reageerde afstandelijk en Trudy zat binnen. Trudy heb ik nooit meer te zien gekregen. ‘Hoe zit het met de kunstobjecten? Hebben jullie genoeg schilderijen voor een expo?’ vroeg ik.

            ‘Nemen wij de zaak onder de loep, zei Geert. ‘Het oogmerk van het bedeuten is het buiten van een ideaal ob-ject. Dit buiten wordt dan uit-gedrukt, treedt uit zichzelf in een anderbuiten, dat nog steeds “in” het bewustzijn is: als dusdanig en in zijn essentie heeft het expressieve discours, zoals blijken zal, het niet nodig daadwerkelijk in de wereld te worden uitgesproken.’ Geert nam een slok van zijn bier. Nog voor ik iets zeggen kon, vervolgde hij zijn verhaal: ‘De ex-pressie is exteriorisatie. Een betekenis die zich eerst in een binnen bevindt, prent zij in een buiten in. Het is de absolute originaliteit van dit buiten en dit binnen: het buiten is niet de natuur, niet de wereld, evenmin een reële exterioriteit ten opzichte van het bewustzijn.’

            We liepen naar het boerderijtje. Mijn vader opende de deur en triomfantelijk spreidde hij zijn armen uit. ‘Kunst!’ riep hij. De hele benedenverdieping was vol met schilderijen.

            ‘Jemig!’ zei ik, ‘Dat zijn er een hoop.’

            ‘Nu zijn we blut.’ Mijn vader liet zijn legen handen zien.

            ‘Ik heb een voorschot gekregen van een koper die zeer geïnteresseerd is in jullie werk.’ Ik pakte mijn portemonnee en gaf mijn vader drieduizend gulden.

            ‘Wie is die koper?’ vroeg mijn vader verbaasd.

            ‘Dat mag ik nu niet zeggen,’ antwoordde ik. ‘Pas als de tentoonstelling er is, kan ik meer openheid van zaken geven. In zijn algemeenheid kan ik wel vertellen dat de zaken goed zullen lopen.’

            ‘Voorlopig moet deze definitie zo algemeen blijven,’ zei Geert. ‘Deze overgang kan er een zijn uit overtuiging of uit vermoeden en hij knoopt steeds een actuele aan een niet-actuele kennis. Wanneer men de motivering binnen een zo ruim kader plaatst, kan deze kennis elk object of stand van zaken omvatten en behoeft zij niet noodzakelijk te slaan op empirische, anders gezegd, individuele realiteiten.’

            ‘Ik zal een busje huren om de schilderijen op te halen,’ zei ik. Later die dag kwam ik terug met een busje. We laadden de schilderijen in en Geert en ik brachten ze naar de galerie. Daar hing Geert ze op in een mooie expositie. Ik werd helemaal gestoord van dat gepraat van Geert, maar schilderijen ophangen kon hij wel. Het was maar goed dat het van die lelijke schilderijen waren, anders zouden ze nog verkocht worden ook – en dat kon ik niet gebruiken.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 41. Urbi et orbi

Hoofdstuk 40. Toeters en bellen

Ze hielden me toch wat langer op het politiebureau dan ik had gehoopt. Er werden vingerafdrukken van me afgenomen – of hoe noem je dat? Gestempeld? Enfin, ik zat daar met blauwe vingers in een soort wachtkamer. Zo’n typische wachtkamer die dokters en tandartsen ook hebben, een non-descripte plant in een hoek en stoelen netjes naast elkaar tegen de muur. Ik kreeg zelfs een plastic bekertje koffie. Mijn hart bonsde nog steeds keihard in mijn oren. Wat een beproeving; ik móest deze beproeving doorstaan. Het was een ultieme test om Übermensch te worden. Ik mocht geen spijt krijgen, schuld en boete was niet im Frage (hoe zou het met Wim zijn?), mensenhaat en berouw… De deur ging open en brigadier Dooremalen wenkte mij. Wat hij zei? Al sla je me dood. Ik volgde hem door de catacomben van het Tilburgse hoofdbureau. Ergens onderin de kelder opende hij een deur naar een kleine ruimte met een tafel en twee stoelen. Een tl-buis brandde gezellig. Dooremalen ging zitten en gebaarde dat ik op de andere stoel plaats moest nemen. Ik begreep dat ik verhoord ging worden. De mond van Dooremalen bewoog. Het enige wat ik hoorde was het bonzen van mijn hart.

            ‘… geen verdachte… …. … spreken…. … gen stellen,’ zei Dooremalen. ‘Is dat… … …’

            Ik knikte.

            ‘Vingerafdruk… … … 147. Gereedschap… … tafel en vensterba… … Toch?’

            Ik knikte weer.

            ‘… …,’ Dooremalen glimlachte. ‘… … koffie?’

            ‘Ik, eh, ik zou nog wel een bekertje koffie lusten,’ zei ik. Ik schrok van mijn eigen stem, want ik had het idee dat ik heel hard sprak. Dooremalen stond op en liep het kamertje uit. Hoe lang ik daar gezeten heb, weet ik niet meer. Ik had natuurlijk mijn hartslagen kunnen tellen, want die waren luid en duidelijk te horen. Iedereen hoorde mijn hartslag en daarom liet Dooremalen mij alleen. Zodat ik gekgeworden van mijn stoel op zou springen en zou roepen: ‘Horen jullie dat dan niet? Mijn hart spreekt de waarheid, ik heb het gedaan!’ Nee. Dat zou niet gebeuren. Ik bleef zitten waar ik zat. Dooremalen kwam weer terug met koffie.

            ‘We willen… … plastic… vijf… … … …?’

            ‘Daar weet ik niets van,’ zei ik. ‘Staan daar mijn vingerafdrukken op?’

            ‘Nee, … … vijf kilogr… …’

            ‘Ik heb bij de Gamma gereedschap gekocht, om te klussen.’

            ‘Vijf… … cocaïne… … … vriendelijk.’ Het gezicht van Dooremalen straalde inderdaad een en al vriendelijkheid uit.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat is mij onbekend.’

‘Goed, dan… … …’ Dooremalen stond op en ging weg.

Enige tijd later kwam De Regt binnen. Hij ging niet zitten. Hij trok aan zijn riem zijn broek wat verder omhoog, ging voor me staan met zijn armen over elkaar. ‘Jij weet… … …!’ zei hij luid.

Ondanks zijn luide stem verstond ik er niets van. Ik schudde daarom maar van Nee.

De Regt boog naar mij toe. ‘Die coke… … jou… … en jij… …,’ riep hij.

‘Nee,’ zei ik, ‘ik weet van niks.’

‘… plastic tas… hele kilo coke… …’

‘Wat zegt u precies? Ik begrijp u niet.’

‘Eén kilo coca… … … alles van!’

Mijn hartslag was verdwenen! Dit was mijn dood. Ik ging dood. De Regt had mij doodgeschreeuwd. Ik had geen hartslag meer. Ik keek naar De Regt en zag hoe hij straalde. Het licht van de tl-buis was als een warme zon en wij waren samen op een Italiaans strand. Alles was licht en helder. De Regt straalde, ik straalde. Het plastic bekertje was een cocktail. Ik ervoer een gevoel van veiligheid en geborgenheid. Ik leefde. Ik leefde intens. Ik was niet dood, ik was verre van dood! Zo levend had ik mij nog nooit gevoeld. Alles kwam op dat moment bij elkaar, dit was wat de pauselijke zegen zou moeten zijn. ‘Een kilogram cocaïne zei u?’ vroeg ik.

De Regt verstijfde van schrik.

‘Ik neem aan dat dit verhoor wordt opgenomen? Dat er een cassettebandje meeloopt en dat alles wat hier gezegd wordt als bewijsmateriaal gebruikt kan worden?’

De Regt knikte.

‘Dat is interessant.’ Een triomfantelijk gevoel overviel me. Ik had alles weer terug, mijn scherpte, mijn spraak, mijn gehoor, mijn gevoel – al mijn zintuigen deden weer mee. ‘Dan wil ik het even hebben over getallen. Ik hou van rekenen. Niet van wiskunde hoor! Voor wiskunde ben ik niet slim genoeg. Rekenen kan ik als de beste. En ik zie aan u dat u ook goed kunt rekenen. Heeft u ook een favoriete som? Ik wel. Dat vinden sommige mensen misschien vreemd, dat je een favoriete som hebt. Je kunt wel een favoriete film hebben, een favoriet boek, of een favoriete plaat. Mijn favoriete plaat is ‘Blue Monday’ van New Order. New Order, dus niet New Four. Dat lijkt er een beetje op, de naam dan he? Niet de muziek die ze maken. U lijkt me meer iemand die van The New Four houdt. Dat mag, want smaken verschillen. Ik vind The New Four het afgrijselijkste wat er bestaat. Terug naar mijn favoriete som. Mijn favoriete sommetje is vijf min vier. Briljant in al zijn eenvoud. Snapt u hem: één-voud.’

De Regt was gaan zitten. Ik keek hem aan en fluisterde: ‘Uw collega Dooremalen had het over vijf kilo. U over één. Dan kunnen we ons afvragen waar die vier kilootjes gebleven zijn. Toch?’

Rechercheur De Regt knikte langzaam.

‘Dat kunnen we ons afvragen, maar eigenlijk weten we het al. Nietwaar? Jullie hadden mij al lang op het oog, en toch duurde het een paar dagen voor jullie aan mijn deur stonden. Die coke moest eerst weggewerkt worden. Gelukkig hebben we het hele verhoor op band staan. Gelukkig kunnen we uw uitspraken afzetten tegen die van uw collega Dooremalen. Zullen we zien wat er gebeurt. Ach, weet u wat het is? Ik ben onschuldig, dat zal ik u aantonen aan de hand van drie argumenten. Ten eerste heb ik helemaal geen motief om mijn goede vriend Carlos te vermoorden. Op de tweede plaats heb ik een alibi. En mijn derde argument is dat ik geen moordwapen heb. Misschien moet u dat hardop herhalen, zodat het op band staat.’ Ik leunde achterover, met de Tilburgse recherche in mijn zak.

‘De heer Jongenelen,’ zei De Regt, ‘kan niet beschouwd worden als verdachte in de moordzaak van vrijdag 1 april 1988 aan het pand Besterdring 147 te Tilburg. De heer Jongenelen heeft geen motief. Daarnaast heeft de heer Jongenelen een sluitend alibi. Ook is er bij de heer Jongenelen geen moordwapen aangetroffen.’ ‘Dank u wel,’ zei ik. ‘Ik heb met plezier en genoegen meegewerkt en ik wens u veel succes met de afronding van uw onderzoek. De politie is je beste vriend, zo blijkt maar weer.’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 40. Toeters en bellen

Hoofdstuk 39. Sturm und Drang

Er werd gebeld en er klonk gestommel op de gang. Gerda riep mijn naam. Nou, daar zal je het hebben. ‘Ja! Kom maar naar boven,’ riep ik vanuit de deuropening. Twee mannen klosten de trap op om mijn kamer te vullen met hun aanwezigheid.

            ‘Brigadier Dooremalen,’ zei de ene, ‘en mijn collega rechercheur De Regt. Recherche Tilburg.’

            ‘Wat eh… wat is er aan de hand?’ vroeg ik.

            ‘We willen u een paar vragen stellen over de moord in het pand Besterdring 147,’ zei brigadier Dooremalen.

            ‘Ik heb erover gehoord,’ zei ik.

            ‘U bent bekend met het slachtoffer?’

            ‘Ik kan dat niet ontkennen, nee.’

            ‘Wat was uw relatie met het slachtoffer?’

            Ik voelde me sterk. Ik had een goed verhaal en ik was een volledig mens. Of deze twee heren dat ook waren, durfde ik ter discussie te stellen. ‘Ik had een goede relatie met het slachtoffer,’ zei ik. ‘Carlos en ik waren een soort van bevriend.’

            ‘Een soort van bevriend? Wat bedoelt u daarmee?’

            ‘Ik liep daar de deur niet plat en Carlos is nog nooit hier bij mij geweest. Echte vrienden zien elkaar vaak, dat was in ons geval niet zo. Ik mocht Carlos graag, dat wel. Ik zou hem onder mijn kennissen scharen, niet onder mijn vrienden. Wat mij betreft is er een verschil tussen kennissen en vrienden. Waarom komt u bij mij?’

            ‘Volgens getuigen kwam u vaak bij het slachtoffer. Het zou kunnen dat u meer weet over het misdrijf, misschien wel veel meer.’

            ‘Ben ik een verdachte?’

            ‘Nee. Wat niet is, kan nog komen. U bent daar vaak gezien en ook de verhuurder van het pand noemde u als iemand die betrokken was bij het pand. Kunt u daar wat meer over vertellen?’

            ‘Zeker kan ik dat. Carlos zocht een ruimte om een bedrijf op te zetten en ik heb hem daarbij geholpen.’

            ‘U zei net dat u daar de deur niet platliep,’ zei De Regt ineens. ‘Getuigen beweren dat u er dagelijks kwam.’ Hij boog zich wat naar voren, met ingehouden agressie.

            ‘Dat zou kunnen, ik heb dat niet bijgehouden.’

            ‘De laatste paar dagen heeft niemand u daar gezien. Kunt u dat verklaren?’

            ‘Het pleit voor mijn onschuld,’ antwoordde ik. ‘Is het niet zo dat de dader altijd teruggaat naar het plaats delict? Dat de pyromaan altijd komt kijken naar zijn fik? Ik heb met de moord niets te maken, dus waarom zou ik naar het huis van Carlos gaan als hij dood is?’ Ik voelde mij beresterk, ze konden mij niets maken. Toch voelde ik van spanning mijn hart bonzen in mijn keel. Ik wreef met mijn hand over mijn keel om te voelen of het kloppen van mijn hart niet zichtbaar was. Nee, ik voelde niets geks. Er was dus niets aan mijn keel te zien. Desondanks werd ik er niet geruster op. Het kloppen van mijn hart werd harder, het was nu niet meer een gevoel, ik hoorde mijn hart kloppen.

            ‘We hebben ook helemaal niet beweerd dat u ergens schuldig aan bent,’ zei Doormalen vergoelijkend. ‘Wij beweren nu helemaal niets. We hebben gewoon wat vragen.’

            Door het kloppen van mijn hart kon ik amper verstaan wat brigadier Dooremalen zei. ‘U zult er ongetwijfeld mijn vingerafdrukken aantreffen,’ zei ik, want het leek me dat het nu mijn beurt was om weer iets te zeggen. ‘Ook op het gereedschap dat er ligt. Ik had met Carlos afgesproken dat ik mee zou helpen met klussen. Daarom was ik naar de Gamma gegaan om gereedschap te kopen.’ Ik zag aan het gezicht van rechercheur De Regt dat hij iets vroeg, door het bonzen in mijn oren verstond ik hem echter niet. Ik besloot verder te vertellen. ‘Hij verhuurde de ruimte aan muzikanten. De akoestiek was echter niet zo goed, die betonnen vloer kaatst het geluid lelijk heen en weer. Vandaar dat we alles aan wilden pakken om er mooie repetitieruimtes van te maken. Nu hoeft het dus niet meer.’ Het bonzen in mijn hoofd werd wat minder, zodat ik De Regt een beetje kon verstaan.

            ‘… lijk… betonnen vloer… … … vloer… … vensterbank… eedschap… vloer…’

            ‘Het was er best kaal ja. Daar wilden we wat aan doen, meer dan een tafel en een paar stoelen waren er nog niet. Carlos kreeg klachten van de muzikanten, dat ze wat meer comfort wilden.’

            ‘… …onnen vloer… … vijf… tassen… … ilogram cocaïne.’

            Ik schudde mijn hoofd. ‘Vijf tassen met coke zegt u?’ Het bonzen nam weer toe. Ik vroeg mij ineens af of het wel mijn eigen hart was dat ik hoorde. In een nonnenklooster worden de nonnen allemaal tegelijk ongesteld. Zet mensen bij elkaar en ze vormen een ritme, zelfs hun lichaamsfuncties beginnen gelijk te lopen. Dat is bij alle kuddedieren het geval. Gnoes worden allemaal tegelijk vruchtbaar en daarna drachtig. Bij mensen werkt dat ook zo. Hoorde ik niet alleen mijn hart, maar ook de harten van Dooremalen en De Regt? Waarom hoorden zij dat dan niet? De Regt keek fel en hij priemde met zijn vinger mijn kant uit. Hij zei iets, op een boze manier. Dooremalen schudde zijn hoofd. Hij vond mij niet verdacht. Niet formeel. De Regt dacht daar anders over. Gedroeg ik mij raar?

            ‘Ik was die vrijdagmiddag in café Zomerlust,’ zei ik. ‘Daar dronk ik bier. Met vijf kilo coke heb ik niets te maken. Ik drink veel liever bier. Ik heb nog nooit coke gebruikt. In het café drink ik bier. Of wijn, als ze goede wijn hebben. De meeste cafés verkopen gore bocht als het om wijn gaat, het bier is er over het algemeen wel goed. Nederland is een bierland., dat merk je vooral in de cafés. Dat zal in Frankrijk wel anders zijn, denk ik.’ Waar deze spraakwaterval vandaan kwam, weet ik niet. Ik voelde de behoefte om veel te praten. Door het gebons in mijn oren kon ik die twee mannen niet verstaan, ik kon dus geen normaal antwoord geven op hun vragen. Indien ik zou blijven praten, hoefden ze geen vragen te stellen. ‘In Zomerlust heb ik trappist gedronken. Ik kom uit Hilversum en daar hebben de cafés niet van dat bijzonder bier. Hier in Tilburg wel. Ik moest eraan wennen, dat je hier niet ‘bier’ bestelt in een café, maar dat je erbij moet zeggen welk bier je wilt. Ik kan u zeggen dat dit snel wende hoor. Mijn favoriete bier is Duvel. Dat hebben ze helaas nergens van de tap.’

            Dooremalen stak zijn hand op en gebaarde dat ik moest zwijgen. ‘… verhaal… … bier,’ hoorde ik hem zeggen en hij lachte vriendelijk.

            De Regt keek minder vriendelijk. ‘…vragen… mee te ko … itiebureau… afdrukken.’             ‘Voorlopig… …’ zei Doormalen. ‘Gewoon vingeraf… … op het poli…’

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 39. Sturm und Drang

Hoofdstuk 38. Steen en been

Het liep nog mooier. Gerda was blij met de keukenmachine: ‘Sandra, de oudste dochter van mijn jongste zus kan hem wel gebruiken. Ik doe er niets mee.’

            ‘Het is weer eens iets anders dan rozen,’ zei ik.

            ‘Dat bedoel ik!’

            Ik vond het een heel goed plan. Diezelfde ochtend werd het apparaat weggebracht door Gerda, als een soort Paascadeau. Hoeveel cokesporen er ook op zaten, die sporen waren niet meer in het huis waar ik woonde. Door deze opluchting was mijn kater meteen verdwenen. Wel bleef ik nog zitten met het geld. Als vandaag de politie binnen zou vallen en een huiszoeking zou houden, dan was ik het bokje. Dan zou ik geknipt en geschoren worden. Door die gedachte kwam mijn kater weer terug. Het was zondag, er was geen zak te doen. Gerda had de tv aan laten staan en de paus sprak zijn Urbi et orbi. Die zegen had ik toch maar mooi meegekregen. Er kon mij dus niets overkomen, want met deze pauselijke goedkeuring – hoe per ongeluk ook – wist ik dat ik de dans zou ontspringen. Dat hield ik mij voor om de moed erin te houden. Het enige positieve was dat Nederland de doodstraf afgeschaft had. Daarvoor hoefde ik als dealer en moordenaar niet bang te zijn, wel voor jarenlange celstraf. Risico van het vak.

            In een telefooncel bij het station heb ik zo veel mogelijk klanten gebeld met de mededeling dat Carlos dood was en dat daardoor de levering vertraagd was. Details kon ik niet geven, ik merkte aan een belangrijke afnemer dat hij mijn telefoontje verdacht vond. Hij leek tussen mijn zinnen door te proeven dat ik Carlos omgelegd had.

‘Ik weet niets van deze zaak,’ zei ik toen hij me ermee confronteerde. ‘Carlos is dood, meer kan ik er niet over zeggen.’

‘Dat is eigenaardig geformuleerd. Je weet ook wel dat als iemand “Geen commentaar” zegt, dat hij er dan alles mee te maken heeft. Maar goed, je weet er niets van – ik weet genoeg. Wanneer kun je wel leveren?’

‘Dat weet ik niet precies, hopelijk vrij snel. Ik hou je op de hoogte.’

Toen om drie uur café Weemoed openging, stond ik al voor de deur. Ik had niets anders te doen. Het leek me verstandig om eerst koffie te drinken en daarna pas aan het bier te gaan, dus toen Martijn me vroeg wat ik wilde drinken, zei ik: ‘Bier.’ Ik kon het niet. Ik kon geen koffie bestellen. En ik kan het nog steeds niet, als ik in een café ben, dan krijg ik de woorden ‘koffie’, ‘thee’ of ‘spa rood’ niet over mijn lippen. Ik kan alleen maar de woorden ‘bier’ of ‘wijn’ uitspreken. Al dan niet met een zin eromheen, dus ‘Doet u mij maar een biertje’ gaat ook goed. Of: ‘Een droge witte wijn alstublieft.’ Vroeger wel, toen vond ik zelfs wel stoer om ‘Koffie’ te zeggen. Dat was in de tijd dat ik blowde, in die tijd vond ik het ruig om een beetje wazig een koffie te bestellen. Sinds ik van de wiet af was, was ik ook van de koffie af. Martijn zette een fles Duvel, met het bijpassende glas, voor me op de bar. Hij zou het gek gevonden hebben als ik iets anders besteld had.

De gesprekken in Weemoed gingen overal en nergens over, bijvoorbeeld over die malle tweede feestdagen die we in Nederland hebben.

‘Denk je dat ze in België Tweede Paasdag hebben?’ vroeg André de bluesgitarist. ‘Denk jij dat die Belgen geloven dat Jezus twee keer is opgestaan uit de dood?’

‘Ja,’ riep Martijn vanachter de bar.

‘Da’s niet!’

‘Da’s wel waar man.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Omdat ik dingen weet.’

‘En Luxemburg?’ vroeg ik. ‘Viert Luxemburg Tweede Paasdag?’

‘Hoe moet ik dat nou weten?’ riep André.

‘Dat weet iedere gitarist,’ zei Martijn.

‘Nou? Hebben ze in Luxemburg Tweede Paasdag?’ vroeg ik.

Uiteindelijk kwam het erop neer dat Tweede Paasdag waarschijnlijk niet bestond in Luxemburg. Er zat voor mij één ding op, dacht ik bij mezelf: naar Luxemburg. Ik rekende af en ging naar huis. Daar zette ik mijn wekker op zes uur, zodat ik rond een uur of elf bij mijn bank kon zijn.

Ik pakte de tas met geld van de zolder, stapte in mijn auto en reed weg. Zo te zien werd ik niet achtervolgd. Er was niemand op straat, Tilburg was in slaap. De snelweg sliep ook nog. Pas bij Maastricht werd het wat drukker met mensen die op bezoek gingen bij hun schoonfamilie. Het was prettig doorrijden zo en niet heel veel later parkeerde ik mijn auto op de grote parkeerplaats net buiten het centrum van Luxemburg. Onderweg geen politie of douane te zien. Leve de Benelux! Een paar minuten later liep ik de Banque et Caisse de Luxembourg binnen. Daar opende ik de tas aan de balie en liet de berg ongeorganiseerd geld zien. De baliemevrouw belde naar iemand en er kwam een man. Het kon dus nog altijd misgaan. Deze man was niet van de bank, maar van Interpol of zo.

‘Friedrich Schleiermacher,’ zei hij en hij stak zijn hand uit.

‘Bas Jongenelen,’ zei ik.

De man nodigde mij uit naar een kantoortje achter de balie. Ik kreeg er koffie en de man begon het geld in nette stapeltjes te leggen. Ieder stapeltje werd vervolgens geteld. Er kwam een formulier aan te pas, er werden handtekeningen gezet en daarna werd ik buitengelaten – met de allervriendelijkste groeten. Okee, dacht ik, even recapituleren. Ik heb een man vermoord. Ik heb een apparaat met cokesporen weggewerkt. Ik ben naar Luxemburg gereden. Ik heb heel veel geld gestort. Niemand heeft mij ondertussen aangehouden, niemand heeft zich laten zien. Er was helemaal niets gebeurd, zo leek het. Ik haalde heel diep adem en haalde mijn schouders op. Met een beetje geluk zou ik rond zes uur weer thuis zijn. Nu kon niets mij meer gebeuren. Op mij berustte Gods zegen. Ik rechtte mijn schouders. Om mij heen was geen coke, om mij heen was geen geld. Ik was een Übermensch. Hier stond een echt mens die afgerekend had met zijn verleden en die de toekomst voor zich had. Ik was the self-made man. Er kon mij nu helemaal niets meer gebeuren, ik was clean. Mijn hoofd duizelde ervan, zo helder was het. Ik was leeg en gevuld. Het afgelopen weekend was de periode tussen hoop en vrees, maar nu was dat weekend voorbij. Carlos stierf op Goede Vrijdag en hij was niet opgestaan met Pasen, ook niet op Tweede Paasdag. Carlos was dood en ik was vrij. Weer terug in Tilburg at ik babi pangang bij Kin-Wah en het smaakte me heerlijk.

Posted in Geen categorie | Comments Off on Hoofdstuk 38. Steen en been