Literatuurgeschiedenis tot 1562 (2014-2015)

Programma Literatuurgeschiedenis tot 1562

Er is één literatuurlijst die in twee delen opgesplitst wordt. Deel A loopt mee met de colleges: ter voorbereiding op het college lees je steeds de artikelen en de primaire teksten van deze lijst. Deel B is zelfstudie. Het mondelinge tentamen gaat over beide delen.

Hoewel de nadruk op secundaire literatuur ligt, zijn er ook vijf primaire teksten verplicht. Deze teksten staan centraal tijdens de colleges:

  • Jan van Boendale, Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen
  • Karel ende Elegast
  • Mariken van Nieumeghen
  • Een speel van drie minners
  • Jan Pertcheval, Den camp vander doot

Deze teksten staan allemaal online (zie hieronder). Eigenlijk behoor je behoorlijk wat primaire teksten al gelezen te hebben, denk daarbij aan de bovenstaande titels, maar ook aan werken als Vanden vos ReynaerdeBeatrijsEsmoreitGloriantLanseloet van DenemerkenVanden winter ende vanden somerBuskenblaserLanceloet en het hert met de witte voetElckerlycHanneken Leckertant. Een eerstegraads bevoegde docent Nederlands dient kennis te hebben van deze verhalen (tijdens de studie, voor de klas en in de kroeg).

Deel A

College 1

  • Inleiding
  • Vorm duo’s voor de refereynencompetitie, ieder duo kiest een refereyn om de eerste en de prince-strofe te declameren. De refereynen staan hier. Meer info over refereynen staat in Ben Parsons & Bas Jongenelen, ‘The refrein and the chambers of rhetoric in the early modern Low Countries’, in: European Medieval Drama, # 12, 2008, pp. 185-210
  • ‘Hebban olla uogala…’ (en waarom dit niet de eerste Nederlandse tekst is)

College 2

  • Poetica
  • Jan van Boendale, Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen (en waarom er geen proefjes bij literatuurgeschiedenis gedaan worden): origineelvertalinglln-opdracht.

College 3

  • Transcriberen (en waarom we dat te weinig doen)
  • Print deze bladen (controleer je zelf met de diplomatische editie hier).

College 4

  • Ridderepiek (en waarom de voorhoofse roman niet bestaat)
  • H.W.J. Vekeman, ‘De verhaaltechniek in Karel ende Elegast.’ In: Spiegel der Letteren 13 (1970-1971), p. 1-9.
  • Anoniem, Karel ende Elegast (diplomatische editie zonder woordverklaringen staat hier, maar je kunt beter een editie met woordverklaringen opsnorren).

College 5

  • Jeroen Bosch (en waarom er geen gebruik wordt gemaakt van beeldende kunst bij het literatuuronderwijs)
  • Jeroen Bosch, Hooiwagen-triptiek
  • Jeroen Bosch, Marskramer
  • PPT

College 6

  • Serieus Middeleeuws toneel (en waarom Mariken van Nieumeghen geen toneelstuk is)
  • Dirk Coigneau, ‘Inleiding’, in: Anoniem, Mariken van Nieumeghen, editie Dirk Coigneau, Hilversum 1996
  • Anoniem, Mariken van Nieumeghen, editie Dirk Coigneau, Hilversum 1996

College 7

Ik heb het in College 7 gehad over Jan van Beverley. De tekst ervan staat hier. Ik heb er ooit een vertaling van gemaakt die je hier aan kunt schaffen. Een Engelse vertaling met daarbij een hoop achtergrondinfo staat hier.

College 8

De gratis proefschriften waar ik het over had, zijn van Van Dixhoorn, Van Bruaene, Mareel en Van Herk. Het proefschrift van Keßler is helaas niet meer gratis.

Deel B

Het mondeling begint met een transcriptie van een gedrukte tekst in gotische letters (je hoeft deze tekst dus niet te vertalen of te begrijpen, alleen maar te transcriberen). Daarna volgt er een gesprek waarin de behandelde stof van de colleges bekend verondersteld wordt, en waarin je blijk geeft dat je 450-500 pagina’s uit de serie Geschiedenis van de Nederlandse literatuur goed bestudeerd hebt. Deze hoofdstukken mag je op één na zelf kiezen (maar ik wil uiteraard van tevoren weten over welke hoofdstukken het gaat).

Uit Frits van Oostrom, Stemmen op schrift (Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300) is één hoofdstuk verplicht: ‘Het boek de boeken’ (pp. 12-24). Uit de overige hoofdstukken kies je er net zo veel tot je over de 150 pagina’s bent.

Uit Frits van Oostrom, Wereld in woorden (Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400) kies je zo veel hoofdstukken tot je meer dan 150 pagina’s bij elkaar hebt.

Uit Herman Pleij, Het gevleugelde woord (Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560) kies je ook zo veel hoofdstukken tot je boven de 150 pagina’s zit.

Aangezien het om een grote hoeveelheid stof gaat, is het logisch dat je niet alles op detailniveau kunt onthouden. Je moet op het mondeling laten zien dat je de grote lijnen goed kent, ook moet je voorkomen dat je missers maakt (begin nou niet over de voorhoofse roman, want die bestaat niet). Misschien moet je ieder hoofdstuk voorbereiden alsof je er een les over gaat geven in 6vwo – bedenk echter wel dat ik die ene betweterige leerling ben die alles wil weten en die lastige vragen stelt. De beoordeling gaat aan de hand van dit model.

Comments are closed.