Literatuurgeschiedenis tot 1562 (studiejaar 2012-2013)

Programma Letterkunde tot 1562

Er is één literatuurlijst die in twee delen opgesplitst wordt. Deel A loopt mee met de colleges: ter voorbereiding op het college lees je steeds de artikelen en de primaire teksten van deze lijst. Deel B is zelfstudie. Het mondelinge tentamen gaat over beide delen. Let op: voor het laatste item van deel B lees je een compleet proefschrift – hoewel de proefschriften niet moeilijk te lezen zijn, kun je er beter op tijd aan beginnen.

Hoewel de nadruk op secundaire literatuur ligt, zijn er ook zes primaire teksten verplicht:

  • Jan van Boendale, Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen
  • Karel ende Elegast
  • Mariken van Nieumeghen
  • Een speel van drie minners
  • Jan Pertcheval, Den camp vander doot
  • Willem, Vanden vos Reynaerde

Deze teksten staan allemaal online (zie hieronder).

Deel A

College 1

  • Inleiding
  • Vorm duo’s voor de refereynencompetitie, ieder duo kiest een refereyn om de eerste en de prince-strofe te declameren. De refereynen staan hier. Meer info over refereynen staat in Ben Parsons & Bas Jongenelen, ‘The refrein and the chambers of rhetoric in the early modern Low Countries’, in: European Medieval Drama, # 12, 2008, pp. 185-210
  • ‘Hebban olla uogala…’ (en waarom dit niet de eerste Nederlandse tekst is)

College 2

  • Poetica
  • Jan van Boendale, Hoe dichters dichten sullen ende wat sie hantieren sullen (en waarom er geen proefjes bij literatuurgeschiedenis gedaan worden): origineelvertalinglln-opdracht.

College 3

  • Transcriberen (en waarom we dat te weinig doen)
  • Print deze bladen

College 4

  • Ridderepiek (en waarom de voorhoofse roman niet bestaat)
  • H.W.J. Vekeman, ‘De verhaaltechniek in Karel ende Elegast.’ In: Spiegel der Letteren 13 (1970-1971), p. 1-9.
  • Anoniem, Karel ende Elegast (diplomatische editie zonder woordverklaringen staat hier, maar je kunt beter een editie met woordverklaringen opsnorren)

College 5

  • Jeroen Bosch (en waarom er geen gebruik wordt gemaakt van beeldende kunst bij het literatuuronderwijs)
  • Jeroen Bosch, Hooiwagen-triptiek
  • Jeroen Bosch, Marskramer
  • PPT

College 6

  • Serieus Middeleeuws toneel (en waarom Mariken van Nieumeghen geen toneelstuk is)
  • Dirk Coigneau, ‘Inleiding’, in: Anoniem, Mariken van Nieumeghen, editie Dirk Coigneau, Hilversum 1996
  • Anoniem, Mariken van Nieumeghen, editie Dirk Coigneau, Hilversum 1996

College 7

College 8

Deel B

Deze lijst heeft 8 items, van ieder item kies je 1 werk. Kruis aan welke werken je bestudeerd hebt en neem je lijst mee naar het tentamen.

1 Het begin

  • Frits van Oostrom, ‘Het boek der boeken’ en ‘Wereld in losse woorden’, in Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam 2006, pp. 12-115.

2 Hoofse literatuur

3 Karelepiek

  • Frits van Oostrom, ‘Verfraaide historie: Karelepiek’, in Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam 2006, pp. 234-256.
  • Tom Hage, ‘”Vraie historie ende al waer” – Middeleeuwse noties over de Karelroman als historisch verhaal’, in: Evert van den Berg & Bart Besamusca, De epische wereld – Middelnederlandse Karelromans in wisselend perspectief, Muiderberg 1992, pp. 113-128.

4 Arthurepiek

  • Frits van Oostrom, ‘Koning Arthur: vorstelijke fictie’, in Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam 2006, pp. 256-281.
  • Erwin Mantingh, ‘Lanceloet, Perchevael, Moriaen en de spin Sebastiaan – Luisteren met tussenpozen? In: Bart Besamusca & Frank Brandsma (red.), De ongevalliche Lanceloet – Studies over de Lancelotcompilatie, Hilversum 1992, pp. 44-75.
  • John Verbeek, ‘”Hare herten stont te storme van groten wondere!” – Wonderen in pluskwadraat in de Roman van Walewein’ , in: Queeste. Jaargang 14 (2007), pp. 33-44.

5 Mystiek

6 Van den vos Reynaerde

  • Frits van Oostrom, ‘Mr. Willem’, in Stemmen op schrift – Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Amsterdam 2006, pp. 464-502.
  • André Bouwman, ‘Taaldaden. Over intertekstualiteit in Van den vos Reynaerde.’ In: Jozef D. Janssens et al., Op avontuur. Middeleeuwse epiek in de Lage Landen. Amsterdam, 1998, p. 125-143, 322-327.
  • L.J. Engels, ‘Reynardus vulpes als bewerking van de Reinaert’, in: Paul Wackers e.a., Verraders en bruggenbouwers – Verkenningen naar de relatie tussen Latinitas en de Middelnederlandse letterkunde, Amsterdam 1996, pp.63-84.

7 Didactiek / artes

8 Rederijkers

  • Jeroen Vandommele, Als in een spiegel – Vrede, kennis en gemeenschap op het Antwerps Landjuweel van 1561, Hilversum 2011.
  • Anne Laure van Bruaene, Om beters wille – Rederijkerskamers en de stedelijke cultuur in de Zuidelijke Nederlanden (1400-1650), Amsterdam 2008.
  • Arjan van Dixhoorn, Lustige geesten – Rederijkers in de Noordelijke Nederlanden (1480-1650), Amsterdam 2009.

Het mondeling

Het mondeling duurt een half uur en begint met een transcriptie (tien minuten), daarna lees je je transcriptie voor. De komende twintig minuten gaan over de werken op je lijst. De belangrijkste vraag per gelezen werk is: welke wetenschappelijke aanpak heeft de auteur gekozen? Voor de wetenschappelijke aanpakken put je uit de lijst die je bij Literatuurbeschouwing gekregen hebt. Probeer ook gaten te schieten in de vertogen van de auteurs; stel de uitkomsten van het onderzoek ter discussie.

Comments are closed.