Lucky het klagende paard

1

Een paard, haar naam was Lucky, stond te grazen,
ze at het malse verse groene gras.
Het leek erop dat zij gelukkig was,
dat was zij echter niet, zij klaagde veel ‘Helazen.’

‘Helaas is dit,’ zo was zij eens aan ’t blazen,
‘helaas is dat. Helaas is zus. Helaas
is zo.’ In klagen was zij echt een baas,
nee sterker nog: zij was de baas der bazen.

Maar toen zag Lucky iemand op een fiets,
zij dacht: ‘Kijk aan, zo kom je nog eens ergens.’
Want zij was uitgekeken op haar wei.

‘Zo’n gave fiets, dat is tenminste iets
waar ik vooruit mee kan, want (echt waar) nergens
is het zo saai als hier,’ is wat zij zei.

2

Dus Lucky kocht een fiets en ging ermee
op reis. Zij fietste over lange paden.
En toen ze moe was, ging ze pootje baden.
Ze kreeg ook zin in chocomel of thee.

Zo om haar heen was grasland en het vee
stond daar te grazen. ‘Heeft u chocolade?’
vroeg Lucky aan de koeien achter prikkeldraden,
‘of thee? Natuurlijk was het antwoord ‘Nee.’

Dus Lucky zat vermoeid alweer te balen,
en hoorde achter haar een luide toeter.
Ze schrok ervan en dacht: ‘Wat is dat nou?’

Maar toen ze beter keek, toen zei ze: ‘Wauw!
Och, dat is gaaf, zo’n hele snelle scooter.
Hop naar de winkel om er een te halen.’

3

Die scooter, man! Dat vond ze echt een zegen,
hij reed vooral zo lekker hard en snel.
Ja, dat beviel het paardje wonderwel.
Zo toerde Lucky over vele wegen,

vooral die buitenaf waren gelegen.
Ze gaf de gashendel een flinke lel
en over paden scheurde zij zo fel.
Maar toen… helaas, helaas, toen kwam er regen.

De regen maakte Lucky kliedernat
en uiterst saggerijnig bovendien.
Dus Lucky zette het weer op een klagen:

‘Ik kan die natte regen niet verdragen.
Maar hé! Kijk daar, nou moet je dat eens zien!’
Een auto, dat leek Lucky echt wel wat.

4

Zo zoefde Lucky in haar nieuwe wagen
de paden op, de lanen in. Ze had
nog nooit zo veel plezier gehad. Een bad
van snelheid was het, dit plan moest wel slagen.

Ze ging zo ver de wielen konden dragen.
Pas op! Kijk uit! En rem! Daar loopt een kat!
Ineens was Lucky’s droom uiteengespat,
ze vloog subiet de bocht uit, en verslagen

lag Lucky in de sloot… haar auto he-
lemaal kapot. Ze kroop de oever van
het weiland op. En kijk, dit was haar wel

bekend. Haar eigen weiland was het, ze-
ker weten! Was dit nou haar mooie plan?
‘Mijn eigen wei… helaas geen sterhotel.’

5

Dus Lucky was uiteindelijk weer thuis
beland, nadat ze lang had rondgereden.
Haar eigen wei, dat was weer eventjes geleden.
Het leek een spelletje van kat en muis.

Ze was dus thuis, maar dat was per abuis.
O jee, de dagelijkse bezigheden
die naderden met flinke rasse schreden.
‘Helaas,’ zei Lucky, ‘is het hier niet pluis.’

Want daar kwam al een meisje aangestapt,
met vele paardrijspullen in haar handen.
Ze zadelde het paard behendig, vlug.

Zo werd het paardje Lucky opgelapt
met zadel, teugels, bit, diverse banden
en met een lachend meisje op haar rug.

This entry was posted in Geen categorie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.